Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201406143/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201406143/1/V1.

Datum uitspraak: 14 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juli 2014 in zaak nr. 12/15814 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 10 mei 2012 (hierna: het besluit) heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in de grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 6 februari 2014 (hierna: het BMA-advies) ten onrechte aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd, nu het BMA-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk niet inzichtelijk is. Daartoe heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris ten onrechte overwogen dat uit de op verzoek van het BMA door een onafhankelijke psychiater/neuroloog (hierna: de opsteller) opgestelde rapportage van 15 november 2013 (hierna: de rapportage) niet blijkt, althans niet kenbaar, dat daarin is betrokken dat volgens de brief van 12 december 2012 van de behandelend psychiater en psycholoog (hierna: de behandelaars) een zeer hoge slagingskans op suïcide bestaat bij de vreemdeling en met hem een non-suïcideafspraak is gemaakt, en dat dit temeer klemt nu in de rapportage is vermeld dat toekomstig suïcidegevaar weliswaar moeilijk is te beoordelen, maar dat bij het uitblijven van behandeling of een gedwongen terugkeer (heropflakkering van) suïcidale uitingen kunnen worden verwacht. Daarnaast heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris daartoe ten onrechte overwogen dat de conclusie in het BMA-advies dat het uitblijven van medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, dat de vreemdeling mogelijk suïcidale uitingen zal doen, maar dat er geen suïcidaliteit aanwezig is, verder strekt dan de conclusie in de rapportage. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de brief van 12 december 2012 in de rapportage is betrokken, dat deze brief en de omstandigheid dat volgens de behandelaars met de vreemdeling een non-suïcideafspraak is gemaakt, aanleiding zijn geweest het BMA om een nieuw advies te vragen en dat de conclusie in de rapportage dat suïcidaliteit niet aanwezig is op eigen onderzoek van de opsteller is gebaseerd. Voorts voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank heeft miskend dat de conclusie in het BMA-advies dat geen medische noodsituatie zal ontstaan, rechtstreeks uit de rapportage is te herleiden, nu de daarin gegeven antwoorden op de vragen of het uitblijven van medische behandeling tot een medische noodsituatie op korte termijn zal leiden en of een inschatting kan worden gegeven van het eventueel momenteel aanwezige suïcidegevaar/suïcidaliteit in onderlinge samenhang moeten worden gelezen.

2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de minister zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

2.2. In de rapportage is vermeld dat kennis werd genomen van onder meer de brief van 12 december 2012. Voorts heeft de opsteller de vreemdeling onderzocht. Het onderzoek bestond uit een gesprek met een semi-gestructureerd interview en een psychiatrisch onderzoek.

In de rapportage is vermeld dat diagnostisch kan worden gesproken van een man met diverse psychosociale problematiek, een dysthyme stoornis en een posttraumatische stressstoornis met soms psychotische overschrijdingen, geënt op enige kwetsbaarheid qua persoonlijkheid. Op de vraag of de te verwachten medische gevolgen bij het uitblijven van medische behandeling tot een medische noodsituatie op korte termijn zullen leiden, is in de rapportage vermeld dat kan worden verwacht dat stress en spanning toenemen, dat vermoedelijk enige medicatie-ontwenning zal optreden, een mild beeld, en spanningen en lijdensdruk zullen toenemen. Een medische noodsituatie, anders dan suïcidale uitingen of tentamina, op korte termijn is volgens de rapportage niet extrapoleerbaar op grond van de dossierinformatie en het huidige beeld, waarbij dat zich in het verleden ook niet lijkt te hebben voorgedaan. Op de vraag of een inschatting kan worden gegeven van het eventueel momenteel aanwezige suïcidegevaar/suïcidaliteit is in de rapportage geantwoord dat er op dit moment geen suïcidaliteit is en dat toekomstig suïcidegevaar moeilijk is te beoordelen. Risicofactoren als eerdere tentamina en een psychotische depressie ontbreken. Middelenmisbruik, een bekende risicofactor, was in het verleden aanwezig, maar momenteel niet. Ook bij velerlei risicofactoren is volgens de rapportage de kans dat een geslaagde suïcide goed kan worden voorspeld zeer gering. Bij een verergering van stress, zoals te verwachten valt bij uitblijven van behandeling of een gedwongen terugkeer, kan evenwel (heropflakkering van) suïcidale uitingen worden verwacht.

Het BMA is bij het opstellen van het BMA-advies uitgegaan van onder meer de rapportage.

In het BMA-advies is vermeld dat door de behandelaars is aangegeven dat de vreemdeling dermate suïcidaal is geworden dat non-suïcideafspraken zijn gemaakt en overwogen wordt hem op te nemen, zodat het aan de orde is een nieuw advies uit te brengen. De vreemdeling zal volgens de BMA-arts zonder behandeling wel wat onrustiger worden en wat minder goed slapen en mogelijk suïcidale uitingen doen, maar een medische noodsituatie op korte termijn is daardoor niet te verwachten, omdat er eerder geen maatregelen in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen nodig zijn geweest, door het ziektebeeld geen gevaar opleverende situaties zijn ontstaan en er geen suïcidaliteit aanwezig is. Zelfmoordpogingen hebben zich in het verleden niet voorgedaan, aldus de BMA-arts.

2.3. De opsteller heeft kennisgenomen van de brief van 12 december 2012. Dat in de rapportage niet uitdrukkelijk is ingegaan op de inhoud van deze brief, maakt niet dat het BMA-advies, door van de rapportage uit te gaan, onzorgvuldig tot stand is gekomen of niet inzichtelijk is. Bovendien is de rapportage tevens op eigen onderzoek van de opsteller, een medisch deskundige gespecialiseerd in psychiatrie, gebaseerd.

Gezien de in de rapportage gegeven antwoorden - in onderlinge samenhang gelezen - op de vragen of het uitblijven van medische behandeling tot een medische noodsituatie zal leiden en of een inschatting kan worden gegeven van het eventueel momenteel aanwezige suïcidegevaar/suïcidaliteit, is de conclusie in het BMA-advies over het ontstaan van een medische noodsituatie op korte termijn niet verderstrekkend dan de conclusie daarover in de rapportage. In de rapportage is, evenals in het BMA-advies, vermeld dat er op dit moment geen suïcidaliteit is en dat risicofactoren voor toekomstig suïcidegevaar ontbreken. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris zich aldus terecht op het standpunt gesteld dat de conclusie in het BMA-advies dat het uitblijven van medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn uit de rapportage is te herleiden. De staatssecretaris heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het BMA-advies ook in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen en inzichtelijk is.

De grieven slagen.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

4. Voor zover de vreemdeling, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2012 in zaak nr. 201003761/1/V3, betoogt dat in het BMA-advies ten onrechte geen oordeel is gegeven over de noodzaak van een veilige behandelomgeving en de effectiviteit van de behandeling van de vreemdeling in het land van herkomst, kan hij hierin niet worden gevolgd. Uit hetgeen hiervoor onder 2.3 is overwogen, volgt dat de staatssecretaris op grond van het BMA-advies terecht ervan is uitgegaan dat het uitblijven van medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. De staatssecretaris heeft daarom in de omstandigheid dat het BMA zich niet heeft uitgelaten over de vraag of in het land van herkomst een zodanig veilige behandelomgeving aanwezig is dat behandeling van de vreemdeling aldaar effectief is, terecht geen aanleiding gezien het BMA-advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag te leggen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2014 in zaak nr. 201305765/1/V3. Het betoog van de vreemdeling dat in de zaak waar voormelde uitspraak van 2 april 2012 op ziet volgens het BMA evenmin een medische noodsituatie op korte termijn was te verwachten, berust, gelet op de vierde alinea van rechtsoverweging 2.4.2 van die uitspraak, op een onjuiste lezing.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juli 2014 in zaak nr. 12/15814;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014

154-760.