Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4155

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201406356/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:4018, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201406356/1/V1.

Datum uitspraak: 14 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 juli 2014 in zaak nr. 14/6154 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de grieven dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij het besluit van 12 maart 2014 zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk gemotiveerd door daaraan de adviezen van 31 juli 2013 en 2 januari 2014 van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) ten grondslag te leggen. Hij voert hiertoe, onder verwijzing naar het protocol BMA van oktober 2010, aan dat uit de omstandigheid dat door het BMA - gelet op de bij terugkeer door de vreemdeling naar het land van herkomst verwachte decompensatie - reisvoorwaarden zijn gesteld, niet reeds volgt dat de conclusie van het BMA dat stopzetting van de medische behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn doet ontstaan, niet inzichtelijk is. Het BMA hoefde volgens hem in de adviezen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, evenmin nader in te gaan op de effectiviteit van de behandeling in Guinee, nu de behandelend artsen van de vreemdeling niet hebben geconcretiseerd welke gebeurtenissen in het verleden de klachten van de vreemdeling hebben veroorzaakt noch hoe die gebeurtenissen thans aan een effectieve behandeling van de vreemdeling in Guinee in de weg staan. Hoewel hij de vreemdeling had moeten horen, heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, aldus de staatssecretaris.

1.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 10 maart 2014 in zaak nr. 201210363/1/V3) moet de staatssecretaris, indien en voor zover hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb zich ervan vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

1.2. Bij uitspraak van 20 december 2011 in zaak nr. 201105916/1/V1 heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG) volgt (onder meer de beslissing van 27 april 2010, in zaak nr. C2009/105, ECLI:NL:TGZCTG:2010:YG0250, en de beslissing van 15 maart 2011, in zaak nr. C2010/126, ECLI:NL:TGZCTG:2011:YG1004), dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris over de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waarover het BMA kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

1.3. In het BMA-advies van 31 juli 2013, dat is uitgebracht op basis van medische informatie van 24 juni en 23 juli 2013 van de behandelend artsen van de vreemdeling, is vermeld dat hij voor zijn klachten in het kader van een posttraumatische stressstoornis (hierna: ptss) wordt behandeld met therapie en medicatie, dat bij het uitblijven van die behandeling een medische noodsituatie op korte termijn niet wordt verwacht op grond van het beloop tot nu toe en omdat behandeling eerst drie maanden geleden werd gestart, terwijl al eens een beoordeling door een acuut behandelteam heeft plaatsgevonden. Daarbij is ook in aanmerking genomen dat geen concrete plannen tot of gedachten over zelfdoding zijn beschreven, tot op heden geen BOPZ-maatregelen zijn gesteld en er geen beschrijving is van ernstige vitale functiestoornissen. Wel kan het staken van medicatie/behandeling leiden tot een weer opleven van de problemen zoals deze waren voor de behandeling startte, aldus het BMA-advies. Voorts is daarin vermeld dat de vreemdeling met enige medische voorziening kan reizen, waarbij hij dient te beschikken over de voorgeschreven medicatie en begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige uit medisch oogpunt noodzakelijk wordt geacht, gezien de decompensatie die men bij terugkeer naar het land van herkomst verwacht. Verder dient overdracht aan een behandelaar ter plaatse plaats te vinden. Ook is vermeld dat de door de vreemdeling gebruikte medicatie in Guinee beschikbaar is en dat de medische behandeling die de vreemdeling ontvangt, namelijk psychiatrische zorg, waarvoor fysieke overdracht noodzakelijk is, aanwezig is in onder andere het CHU te Donka. Ten slotte is vermeld dat de behandelend psychiater van de vreemdeling aangeeft dat zijns inziens behandeling in Guinee geen of beperkt kans van slagen heeft vanwege de ervaren onveilige omgeving, maar dat een BMA-arts geen medisch gefundeerde uitspraak kan doen ten aanzien van de vraag of de vreemdeling de behandelomgeving in het land van herkomst als veilig zal ervaren.

In een brief van 27 september 2013 hebben de behandelend artsen van de vreemdeling te kennen gegeven dat diens klachten zijn verergerd, waardoor de medicatie is verhoogd. Zij hebben daarin vermeld dat de klachten, met name dissociaties, psychotische kenmerken en aanhoudende nachtmerries, zijn gerelateerd aan doorgemaakte traumata in Guinee, angst om daarnaar terug te keren de trigger vormt van deze klachten en dat onder specialisten in de psychiatrie en psychologie alsmede in hun derdelijnscentrum onomstreden is dat een subjectief veilige omgeving van primordiaal belang is in de behandeling van ptss.

In het BMA-advies van 2 januari 2014 is vermeld dat uit de brief van de behandelend artsen van 27 september 2013 volgt dat er een duidelijke relatie is tussen de verergering van de klachten en de angst voor terugkeer, dat in het BMA-advies van 31 juli 2013 reeds is geconcludeerd dat begeleiding bij terugkeer naar Guinee en fysieke overdracht bij aankomst nodig zijn vanwege de verwachting dat de klachten van de vreemdeling getriggerd zullen worden en dat in dat advies tevens is ingegaan op de stelling dat de vreemdeling een veilige behandelomgeving nodig heeft, zodat er geen reden is het advies van 31 juli 2013 aan te passen.

1.4. De rechtbank heeft niet onderkend dat in het midden kan blijven of de staatssecretaris in het besluit van 12 maart 2014, onder verwijzing naar voormelde adviezen van het BMA, deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij terugkeer van de vreemdeling naar Guinee geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht, reeds omdat in die adviezen is vermeld dat de door de vreemdeling gebruikte medicatie in Guinee beschikbaar is en dat de medische behandeling die de vreemdeling ontvangt, namelijk psychiatrische zorg, aanwezig is onder andere in het CHU te Donka.

Voorts bevat de brief van 27 september 2013 van de behandelend artsen van de vreemdeling geen concrete op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling toegespitste uiteenzetting over het te verwachten verloop van een voort te zetten behandeling in Guinee. Zo hebben zij niet geconcretiseerd waarom de behandeling in heel Guinee niet mogelijk zou zijn en op welke wijze de gebeurtenissen die zich in het verleden zouden hebben voorgedaan in de weg staan aan een effectieve behandeling aldaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 oktober 2013 in zaak nr. 201212033/1/V3) is volgens vaste jurisprudentie van het CTG hiertoe onvoldoende dat een vreemdeling in het land van herkomst traumatische ervaringen heeft opgedaan en na terugkeer de aanwezige klachten zullen verergeren.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit van 12 maart 2014 onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd door daaraan de BMA-adviezen van 31 juli 2013 en 2 januari 2014 ten grondslag te leggen.

De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Mede gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 maart 2014 niet in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 12 maart 2014 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten het BMA nader onderzoek te laten verrichten naar de beschikbaarheid in Guinee van psychomotorische therapie en individuele traumagerichte psychotherapie. Hij wijst erop dat in de brief van 10 februari 2014 van zijn behandelend artsen reeds is vermeld dat hij binnenkort met die therapieën zal beginnen en dat in hun brief van 1 april 2014 is vermeld dat hij die therapieën vanaf maart onderscheidenlijk half april krijgt en zal krijgen.

3.1. In de brief van 10 februari 2014 herhalen de behandelend artsen van de vreemdeling ten aanzien van zijn medische situatie wat zij al in de brief van 27 september 2013 hebben vermeld, namelijk dat zijn klachten zijn verergerd vanwege mogelijke terugkeer naar Guinee. Zoals uit 1.3 volgt, is hiermee in het BMA-advies van 2 januari 2014 rekening gehouden. In de brief van 1 april 2014 wordt niet vermeld dat de medische situatie van de vreemdeling is gewijzigd. Voorts is in de brief van 10 februari 2014 vermeld dat de psychomotorische therapie dient ter behandeling van de somatische klachten van de vreemdeling en dat de individuele traumagerichte therapie zal worden gestart, wanneer de vreemdeling stabiel genoeg is. De staatssecretaris hoefde gelet op de inhoud van deze brieven het BMA geen nader onderzoek te laten verrichten naar aanleiding van deze brieven.

De beroepsgrond faalt.

4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde besluit van 12 maart 2014 in stand te laten.

5. De staatssecretaris moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 juli 2014 in zaak nr. 14/6154, voor zover zij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 12 maart 2014 niet in stand heeft gelaten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014

488.