Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4153

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201404046/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2014:3103, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de korpschef van de politieregio Limburg-Zuid geweigerd [appellant] een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en de daarbij behorende munitie (hierna: verlof) te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201404046/1/A3.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 april 2014 in zaak nr. 13/1476 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft de korpschef van de politieregio Limburg-Zuid geweigerd [appellant] een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en de daarbij behorende munitie (hierna: verlof) te verlenen.

Bij besluit van 26 maart 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2014, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. van den Boom, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) worden in deze wet genoemde verloven geweigerd, indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.

2. De Circulaire Wapens en Munitie (hierna: de Circulaire) 2013 vormt een geheel van algemene aanwijzingen voor ambtenaren belast met de uitvoering van de wapenwetgeving.

Volgens onderdeel B, paragraaf 1.1, zijn 'vrees voor misbruik' en 'het niet langer kunnen toevertrouwen' twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen in de Circulaire is vermeld met betrekking tot de invulling van het criterium 'vrees voor misbruik', kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.

Volgens dit onderdeel, paragraaf 1.2, vormen wapens en munitie een potentieel ernstige bedreiging indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Daarom wordt een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium 'geen vrees voor misbruik' betreft. Degene aan wie een vergunning is verleend voor het voorhanden hebben van wapens of munitie, komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemeen wettelijk verbod om wapens of munitie voorhanden te hebben, geldt. Die positie brengt met zich dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde. Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van eerdergenoemd maatschappelijk belang is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken of gemaakte uitzondering - ook naar vaste jurisprudentie van de Afdeling - voldoende reden om een verlof niet te verlenen onderscheidenlijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering.

Volgens deze paragraaf, onder 'Psychische gesteldheid', is het in beginsel niet verantwoord om aan iemand die - door oorzaken van zowel interne als externe aard - onder sterke psychische druk staat, wat tot uitdrukking komt in een onvoorspelbaar gedragspatroon of bijvoorbeeld alcohol- en drugsmisbruik en waarbij de indruk bestaat dat de vergunninghouder zichzelf niet in de hand heeft, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie toe te vertrouwen. In het bezit van een vuurwapen zou de vergunninghouder een gevaar zijn voor zichzelf en voor de openbare orde en veiligheid. Indien de aanvrager of vergunninghouder - in tegenstelling tot de korpschef - van mening is dat het voorhanden hebben van wapens en munitie wel aan hem kan worden toevertrouwd, dan dient hij dit aan te tonen door middel van een schriftelijke verklaring van een arts of psychiater. Uit deze verklaring moet duidelijk blijken dat de arts of psychiater bekend is met de problemen van betrokkene en dat deze niet of niet langer een belemmering vormen om aan betrokkene een vergunning te verlenen voor het voorhanden hebben van wapens. Risicofactoren betreffende de psychische gesteldheid van aanvragers of houders van een wapenverlof met het oog op potentieel misbruik van een (legaal) vuurwapen zijn klinische factoren (psychische stoornis, verslaving, gedwongen opname, forensische zorg en suïcidale gedachten); stressvolle omstandigheden (problemen in relationele sfeer, problemen in de arbeidssfeer of opleiding, gebrekkig sociaal steunsysteem en stressvolle levensomstandigheden); specifieke kenmerken van de aanvrager (agressie, crimineel gedrag, impulsiviteit en zelfregulatie, zelfstandige handelingsbekwaamheid, fascinatie voor geweld, extreme uitingen en/of uitingen van radicalisering).

3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de korpschef terecht krachtens artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwm heeft geweigerd een verlof aan [appellant] te verlenen. De rechtbank heeft daartoe redengevend geacht dat de staatssecretaris zich, nu objectieve aanknopingspunten de bij de korpschef ontstane twijfel over de psychische gesteldheid van [appellant] kunnen dragen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie niet langer aan [appellant] kan worden toevertrouwd. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat door [appellant] overgelegde verklaringen van een GZ psycholoog/psychotherapeut (hierna: de psycholoog) van 4 november 2008 en een psychiater (hierna: de psychiater) van 3 november 2008 en 24 oktober 2011 hieraan niet afdoen, omdat de psycholoog geen arts is, de verklaring van de psychiater uit 2008 te gedateerd is en de psychiater zijn verklaring uit 2011 niet heeft toegelicht als bedoeld in de Circulaire 2013.

Uit het besluit van 16 januari 2012 blijkt dat de korpschef aan de psychische gesteldheid van [appellant] twijfelt wegens diens problemen in de arbeidssfeer bij de politie Limburg-Zuid. De korpschef heeft hierbij verwezen naar de zogenoemde burn-out van [appellant] in 2005 en diens gedragingen, vermeld in onderscheiden rapporten van de politie Limburg-Zuid van 28 augustus en 2 september 2008 (hierna: de rapporten). Voorts heeft de korpschef hierbij verwezen naar de omstandigheid dat [appellant] alle collega's bij de politie Limburg-Zuid, die wegens problemen rond zijn persoon, gewild of ongewild, met hem in aanraking zijn gekomen, van de meest uiteenlopende ernstige zaken heeft beschuldigd, waarbij de korpschef niet is gebleken dat deze collega's zich daaraan daadwerkelijk schuldig hebben gemaakt. Aldus is bij de korpschef de indruk ontstaan dat [appellant] onder zware psychische druk staat en in een gemoedstoestand verkeert waarin een ieder tegen hem is, welke gemoedstoestand door de korpschef, samenvattend, als paranoïde is aangeduid.

De rapporten vermelden dat [appellant] op 19 augustus 2008, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden als buitengewoon opsporingsambtenaar bij de politie Limburg-Zuid, wegens problemen bij het aansluiten van radarapparatuur ten behoeve van een verkeerscontrole, in het bijzijn van een collega en passanten met gebalde vuisten tegen zijn hoofd sloeg, met zijn hoofd tegen een muur sloeg, op een stapel puinafval ging springen, om zich heen ging slaan en ging huilen.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Circulaire 2013 ten tijde van het besluit van 16 januari 2012 nog niet in werking was getreden en derhalve ten onrechte in zijn zaak is toegepast.

Dit betoog faalt, omdat de Circulaire 2013 ten tijde van het besluit van 26 maart 2013 reeds geldig was en de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris het door [appellant] ingestelde administratief beroep terecht naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat ten tijde van het nemen van het besluit gold, heeft beoordeeld.

5. Verder betoogt [appellant] dat zijn aan deze zaak ten grondslag liggende aanvraag ten onrechte niet is gekwalificeerd als een aanvraag tot verlenging van een verlof.

Dit betoog faalt, reeds omdat in de besluiten van 16 januari 2012 en 26 maart 2013, alsmede in de aangevallen uitspraak is onderkend dat [appellant] ten tijde van zijn aanvraag over een verlof beschikte en daarover door de aanvraag opnieuw wilde beschikken.

6. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de korpschef en de staatssecretaris ten onrechte feiten en omstandigheden aan de weigering hem een verlof te verlenen ten grondslag hebben gelegd die voorafgaand aan het hierna onder 6.1 vermelde besluit van 4 april 2009 hebben plaatsgevonden, dat zijn rol als klokkenluider aan voormelde, sinds dit besluit van 4 april 2009, bij de korpschef ontstane indruk ten grondslag ligt, dat de korpschef in deze zaak, wegens diens rol als bestuursorgaan en werkgever, niet objectief is, dat de korpschef zich op onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal heeft gebaseerd, dat de korpschef noch de staatssecretaris aan hun onderzoeksplicht hebben voldaan, omdat zij geen contact met de psychiater hebben opgenomen, en dat de rechtbank, gelet hierop, de psychiater ten onrechte niet als getuige heeft opgeroepen of als deskundige heeft benoemd.

6.1. Bij in rechte onaantastbaar geworden besluit van 4 april 2009 heeft de minister van Justitie een door [appellant] ingesteld administratief beroep tegen een besluit van de korpschef hem geen verlof te verlenen, gegrond verklaard, dit besluit van de korpschef vernietigd en bepaald dat de korpschef alsnog een verlof aan [appellant] moet verlenen. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het in de rapporten vermelde gedrag van [appellant], hoewel zulk gedrag volgens de Circulaire 2005 een aanwijzing vormt om het voorhanden hebben van wapens of munitie niet aan een aanvrager van een verlof te kunnen toevertrouwen, door voormelde verklaringen van de psychiater van 3 november 2008 en de psycholoog van 4 november 2008, in dit geval en ten tijde van belang, niet aan het voorhanden hebben van een vuurwapen in de weg staat.

6.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat hij sinds 2005 een arbeidsconflict met zijn leidinggevenden bij de politie Limburg-Zuid heeft en dat dit conflict nog steeds voortduurt. Gezien de duur van dit arbeidsconflict heeft de rechtbank, bezien tegen de achtergrond van voormelde burn-out van [appellant] in 2005, diens in de rapporten vermelde gedragingen en diens tegen collega's geuite beschuldigingen, terecht overwogen dat de staatssecretaris zich, nu objectieve aanknopingspunten de bij de korpschef ontstane twijfel over de psychische gesteldheid van [appellant] kunnen dragen, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie niet langer aan [appellant] kan worden toevertrouwd.

Het besluit van 4 april 2009 doet hieraan niet af, omdat de korpschef bij besluit van 16 januari 2012, wegens een door [appellant] ingediende aanvraag om verlenging van het verlof, opnieuw heeft moeten beoordelen of het onder zich hebben van wapens en munitie aan [appellant] kan worden toevertrouwd, waarbij de korpschef de wijze waarop [appellant] in het verleden op problemen in de arbeidssfeer heeft gereageerd in redelijkheid heeft kunnen betrekken. Verder is de rechtbank terecht van de objectiviteit van de korpschef uitgegaan, omdat een objectieve motivering aan de bij de korpschef ontstane indruk ten grondslag ligt. Dat de korpschef zich op onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal heeft gebaseerd, heeft [appellant] voorts niet aannemelijk gemaakt. De verwijzing door [appellant] naar zijn rol als klokkenluider doet hieraan evenmin af, omdat, voor zover [appellant] het met de korpschef oneens is, op hem de bewijslast rust met een schriftelijke verklaring van een arts of psychiater aan te tonen dat het voorhanden hebben van wapens en munitie aan hem kan worden toevertrouwd. Gezien deze bewijslast rust in dit kader geen onderzoeksplicht op de korpschef en de staatssecretaris en heeft de rechtbank evenmin ten onrechte nagelaten de psychiater ter zitting als getuige op te roepen of als deskundige te benoemen. Nu [appellant] de overweging van de rechtbank dat hij niet aan deze op hem rustende bewijslast heeft voldaan niet in hoger beroep heeft bestreden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris het door [appellant] ingestelde administratieve beroep terecht ongegrond heeft verklaard.

Het betoog faalt.

7. Het verzoek van [appellant] om verwijdering van hem betreffende registraties uit door hem genoemde registratiesystemen van de politie moet worden afgewezen, reeds omdat deze gestelde registraties niet in geding zijn.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak worden bevestigd, voor zover de rechtbank daarbij het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. Nu hieruit volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen omstandigheden voordoen op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken, moet het verzoek van [appellant] daartoe reeds daarom worden afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard;

II. wijst het verzoek om verwijdering van registraties af;

III. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

w.g. Borman w.g. Robben

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

610.