Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201306885/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Centrum" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Besluit ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1204
JM 2015/22 met annotatie van A. Wagenmakers
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6533
Module Ruimtelijke ordening 2015/7263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306885/1/R1.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plusstate B.V., gevestigd te Den Haag,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoofddorp Centrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en Plusstate beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Plusstate heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2014, waar [appellant sub 1] en anderen, in persoon van [gemachtigden], Plusstate, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M. van de Laar, advocaat te Haarlem, mr. M.H. Veen, drs. J.L.N.M. Poulssen en A. Breuer-Linschooten, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plangebied omvat het centrum van Hoofddorp. Het plan is in hoofdzaak conserverend van aard en voorziet voorts in een aantal mogelijkheden voor groei en verandering.

3. [appellant sub 1] en anderen hebben het beroep bij brief van 4 mei 2014 ingetrokken voor zover ingediend door [partij A] en [partij B]. Ter zitting hebben zij het beroep eveneens ingetrokken voor zover ingediend door [partij C].

De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en Plusstate ten aanzien van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.)

4. [appellant sub 1] en anderen betogen dat ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) is gemaakt, nu het plan voor het kantorenterrein Beukenhorst West voorziet in een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Plusstate erkent dat de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. niet wordt overschreden en betoogt dat ook onder de drempelwaarde dient te worden beoordeeld in hoeverre de activiteit kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan in Beukenhorst West niet voorziet in het bouwen van een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Voorts is uit onderzoek naar de betrokken milieuaspecten gebleken dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft, aldus de raad.

4.2. Het plan voorziet voor Beukenhorst West hoofdzakelijk in de bestemming "Kantoor", diverse bouwvlakken en de aanduiding "wro-zone wijzigingsgebied 8".

Ingevolge artikel 33 van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 8" de bestemmingen "Groen", "Kantoor", "Verkeer", "Verkeer - Parkeergarage" en "Water" geheel of gedeeltelijk wijzigen in de bestemming "Gemengd - 6", "Groen" , "Recreatie - Dagrecreatie" en "Verkeer", met inachtneming van onder meer de regel dat er maximaal 500 woningen gerealiseerd dienen te worden.

Ingevolge lid 33.1 zijn de voor "Gemengd - 6" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijfsactiviteiten die vallen in ten hoogste categorie 1 van de tot het plan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. groen;

c. horeca-activiteiten tot en met categorie 3a van de tot het plan behorende Staat van Horeca-activiteiten;

d. hotels;

e. kantoren;

f. maatschappelijke voorzieningen;

g. water;

h. wonen, inclusief gestapeld wonen;

met daarbij behorend het genoemde onder i tot en met o.

Ingevolge lid 33.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende bepalingen:

a. gebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd;

b. de bouwhoogte mag maximaal 21 m zijn;

c. ondergrondse gebouwen zijn toegestaan in maximaal één bouwlaag met een maximale diepte van 4 m;

d. ondergrondse gebouwen mogen worden gebouwd zonder een daarboven aanwezig gebouw.

Ingevolge lid 33.3 kan het college van burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 33.2.1, sub a, en toestaan dat gebouwen buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:

a. de omvang per gebouw niet meer mag zijn dan 20 m²;

b. de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen niet meer mag zijn dan 3 m respectievelijk 5 m.

4.3. In de plantoelichting staat dat Beukenhorst West van oorsprong een monofunctioneel kantorenterrein is met middelgrote kantoorpanden. Het driehoekige gebied ligt ingeklemd tussen de spoorlijn, de Kruisweg en het wandelbos. Door de verslechterde economische situatie en veranderingen in het gebruik van kantoren is er steeds meer leegstand in Beukenhorst West. Momenteel staat zo’n 30 procent van de kantoorruimte structureel leeg. Een kwaliteitsverbetering is noodzakelijk en kan worden bereikt door de leegstand fors terug te dringen, andere functies in te passen en kantoren te moderniseren. Als toekomstperspectief voor Beukenhorst West ziet de raad naast de kantoorfunctie met name kansen voor woningbouw. Voorts ziet de raad ruimte voor hotels, horeca, ateliers, schone en kleine productiefaciliteiten en maatschappelijke voorzieningen, waaronder met name hoger onderwijs. Hierbij wordt gedacht aan het aanpassen van bestaande kantoorgebouwen voor andere functies en het slopen van kantoorgebouwen die zich hier niet voor lenen. In het plan worden evenwel geen detailhandel, sport, groothandel of algemene, grootschalige bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Het plan strekt tot het wegnemen van belemmeringen tegen de gewenste transformatie. Aangezien er momenteel nog geen concrete plannen liggen is ervoor gekozen om de huidige bestaande situatie en functies te bestemmen. De gewenste transformatie van het gebied zal door middel van een wijzigingsbevoegdheid worden aangeduid.

4.4. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

Ingevolge het tweede lid worden terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, bij de maatregel de categorieën van plannen aangewezen bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit m.e.r. worden als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de wet aangewezen de categorieën die in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het vierde lid (kolom 4), en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid.

Ingevolge het vijfde lid geldt, voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de Wet milieubeheer:

a. in zodanige gevallen en

b. in overige gevallen waarin op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

In categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is, voor zover hier van belang, als activiteit aangewezen de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op onder meer een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

In kolom 3 van onderdeel D zijn plannen als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) opgenomen.

4.5. Niet in geschil dat in Beukenhorst West momenteel 110.000 m2 aan kantoren aanwezig is. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de in het plan voorziene bouwvlakken zijn afgestemd op de bestaande situatie. Gelet hierop wordt ingevolge artikel 33, lid 33.2.1, van de planregels bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uitgegaan van de oppervlakte van de bestaande bebouwing. Behoudens de afwijkingsbevoegdheid uit lid 33.3 voor een uitbreiding buiten het bouwvlak met een beperkte oppervlakte en bouwhoogte, kan de bedrijfsvloeroppervlakte alleen toenemen voor zover de ingevolge lid 33.2.1 aan te houden maximale bouwhoogte van 21 m hoger is dan de bestaande bouwhoogte. Gelet op het vorenstaande, en de bestaande bouwhoogten van de diverse kantoren in Beukenhorst West, is anders dan [appellant sub 1] en anderen betogen, niet gebleken dat de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. voor een stedelijk ontwikkelingsproject van 200.000 m2 wordt overschreden.

Voorts staat in de paragraaf "Milieueffectrapportage" uit de plantoelichting dat alle omgevingsaspecten die in het kader van het Besluit m.e.r. aan bod dienen te komen in de ruimtelijke onderbouwing aan bod zijn gekomen. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat de in het plan voorziene activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Plusstate heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die twijfel oproepen over het standpunt van de raad, dat het op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling is uitgesloten dat de met het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkeling belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om gelet op artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit m.e.r. toch een MER te maken.

De betogen van [appellant sub 1] en anderen en Plusstate omtrent toepassing van het Besluit m.e.r. falen.

Het beroep van [appellant sub 1] en anderen voor het overige

5. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan ten onrechte vooruitloopt op de Deelstructuurvisie Haarlemmermeer 2030 die ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld. In dit verband voeren zij aan dat het plan voorziet in de transformatie van Beukenhorst West en ter plaatse van de fruittuinen en het wandelbos voorziet in nieuwe woningen, extra horecavoorzieningen, een evenementenlocatie en de zogenaamde "groene boulevard". Voorts zal het verkeer tussen Beukenhorst West en het centrum leiden tot overlast ter plaatse van de tussenliggende woonwijken, aldus [appellant sub 1] en anderen.

5.1. Het plan voorziet voor Beukenhorst West in handhaving van de bestemming "Kantoor" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 8". Met de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 33 van de planregels kan het gebied worden getransformeerd van een kantoorgebied naar een gebied met diverse functies waaronder wonen. In de enkele omstandigheid dat de Deelstructuurvisie Haarlemmermeer 2030 ten tijde van het bestreden besluit nog in voorbereiding was, bestaat geen reden waarom de raad het bestreden besluit niet heeft kunnen nemen. Het betoog faalt.

5.2. Ter plaatse van de fruittuinen en het wandelbos voorziet het plan overwegend in de bestemmingen "Groen" en "Recreatie - Dagrecreatie" en niet in de door [appellant sub 1] en anderen genoemde nieuwe woningen, extra horecavoorzieningen en evenementenlocatie. Weliswaar is hierover in de plantoelichting een toekomstvisie weergegeven, maar nu dit nog niet concreet is uitgewerkt zijn deze ontwikkelingen niet in het plan meegenomen, aldus de plantoelichting. De plantoelichting komt geen juridische binding toe. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

5.3. Wat betreft de door [appellant sub 1] en anderen genoemde 'groene boulevard' is in de plantoelichting, als weergave van de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030, vermeld dat de verblijfswaarde van het station Hoofddorp achter is gebleven bij de hoge vervoerswaarde. Aangename faciliteiten voor reizigers ontbreken. Om dat op te lossen is het de bedoeling een centrale stationshal aan de Van Heuven Goedhartlaan te realiseren, waarin ook diensten en voorzieningen gehuisvest zijn. Het station moet bovendien meer verbonden worden met het centrum. Door ontmoetingsplekken (bijvoorbeeld horeca) langs de route te creëren krijgt het tussengebied een sterkere identiteit. Als onderdeel van het Wandelbos krijgt deze route de kwaliteit van een 'groene boulevard'.

De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat in de planperiode de bewegwijzering en andere onderdelen van de openbare ruimte zullen worden verbeterd ten behoeve van het langzaam verkeer. Deze verbetering past reeds in de mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan en staat los van de wens om in de toekomst een nieuwe, duidelijke verbinding aan te leggen voor langzaam verkeer tussen het station en het centrum. De vorm van die verbinding is nog niet bepaald en het voorliggende plan voorziet hier niet in. Gelet op het vorenstaande, en de planregeling voor de fruittuinen en het wandelbos, waarin voor zover van belang slechts is voorzien in wandelpaden en fietspaden, is in dit plan niet voorzien in een nieuwe verkeersverbinding. Het betoog dat de nieuwe verbinding zal leiden tot overlast ter plaatse van de bestaande tussengelegen woonwijken behoeft daarom geen bespreking meer.

6. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 33 van de planregels voor de gronden met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 8" onvoldoende objectief is begrensd. Een invulling met aanzienlijke gevolgen voor omwonenden is niet onaannemelijk. Voorts ontbreken volgens hen eisen aan de situering, het aantal en de omvang van de verschillende ontwikkelingen.

6.1. De raad wijst op de leegstand van kantoren in Beukenhorst West en de noodzaak om de kwaliteit van het gebied te verbeteren door leegstand terug te dringen, andere functies in te passen en de resterende kantoren te moderniseren. De voor dit gebied voorziene wijzigingsbevoegdheid uit artikel 33 van de planregels is voldoende objectief begrensd, aldus de raad.

6.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

6.3. Vast staat dat de wijzigingsbevoegdheid, omschreven onder 4.2, betrekking heeft op een specifiek omlijnd gebied in een stedelijke omgeving waar thans kantoren staan. In artikel 33 van de planregels is opgenomen welke nieuwe bestemmingen het bevoegd gezag aan de gronden binnen het wijzigingsgebied mag toekennen en welke voorwaarden in acht moeten worden genomen bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Op grond van de voorwaarden kan worden voorzien in met name maximaal 500 woningen, de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en het onder de bestemming "Gemengd - 6" toegestane gebruik waaronder bedrijfsactiviteiten in ten hoogste categorie 1, horeca-activiteiten tot en met categorie 3a, hotels, maatschappelijke voorzieningen en wonen. Daarbij zijn bouwregels voor onder meer de bouwhoogte van gebouwen en de bouwvlakken waarbinnen gebouwd dient te worden opgenomen. Gelet op deze voorwaarden bestaat voldoende duidelijkheid over de invulling van dit wijzigingsgebied. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is voldaan aan de vereisten uit artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro. Het betoog faalt.

7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de voorziene transformatie van Beukenhorst West kan leiden tot een toename van grondwateroverlast in de Piratenwijk en de Oranje Nassaubuurt.

7.1. Ingevolge artikel 33, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 8" de bestemmingen "Groen", "Kantoor", "Verkeer", "Verkeer - Parkeergarage" en "Water" geheel of gedeeltelijk te wijzigen in de bestemming "Gemengd - 6", "Groen" , "Recreatie - Dagrecreatie" en "Verkeer", met inachtneming van de volgende regels:

c. bij nieuwbouw dient uit (hydrologisch) onderzoek te blijken dat er geen bezwaren zijn uit het oogpunt van het grondwaterpeil;

f. uit onderzoek naar de bodemkwaliteit moet blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functies.

7.2. In de plantoelichting staat dat nog onduidelijk is hoe Beukenhorst West er na herontwikkeling precies uit komt te zien, zodat de gevolgen voor de waterhuishouding nog niet op voorhand zijn aan te geven. Aangezien de gronden grotendeels al verhard zijn, ligt het niet voor de hand dat moet worden voorzien in een compenserend wateroppervlak. Mocht dat toch het geval zijn, dan kan op gebiedsniveau een afname van verharding of een ruime watercompensatie ingezet worden om een eventuele toename van verhard oppervlak te compenseren, aldus de plantoelichting.

Voorts heeft de raad toegelicht dat de Piratenwijk enkele jaren geleden grondwaterproblemen heeft gehad als gevolg van de bouw van ondergrondse voorzieningen in het centrum. Naar aanleiding hiervan is een drainagesysteem aangelegd. In de Oranje Nassaubuurt wordt daar waar de riolering is of wordt vervangen eveneens drainage aangelegd. Daarbij komt dat de transformatie van Beukenhorst West zoveel mogelijk zal plaatsvinden door functiewijziging binnen de bestaande bebouwing.

Gelet op deze toelichting van de raad en het bepaalde in artikel 33, onder c, van de planregels hebben [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat een mogelijk gebruik van de wijzigingsbevoegdheid tot een toename van grondwateroverlast in de Piratenwijk en de Oranje Nassaubuurt kan leiden. Het betoog faalt.

8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de raad niet heeft kunnen voorzien in een wijzigingsbevoegdheid die nieuwbouw in Beukenhorst West mogelijk maakt, nu het naastgelegen Wandelbos op een voormalige vuilstortplaats is aangelegd en ernstig verontreinigd is. De raad had niet mogen volstaan met slechts een bureauonderzoek, maar had volgens [appellant sub 1] en anderen aanvullend onderzoek moeten doen naar de gevolgen van de bodemverontreiniging in het Wandelbos in relatie tot de wijzigingsbevoegdheid. Door het niet in kaart brengen van de mogelijke gevolgen en het ontbreken van een monitoring van de verontreiniging in het Wandelbos is onbekend of het grondwater inmiddels ook vervuild is en of de via de wijzigingsbevoegdheid beoogde ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding van eventueel zwaar vervuild grondwater.

8.1. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2. Ten behoeve van het plan is door het team Bodemkwaliteit en Gegevensbeheer een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Historisch onderzoek Hoofddorp Centrum, bodemkwaliteit in relatie tot bestemmingsplan" van februari 2012. In dit onderzoek is voor het hele plangebied vastgesteld of er op basis van historische gegevens bodemverontreiniging verwacht kan worden. Voor het gebied Stadspark staat er in het rapport dat het daarvan deel uitmakende Wandelbos is gelegen op een voormalige stortplaats en dat het stortmateriaal sterk verontreinigd is. In het grondwater zijn geen noemenswaardige verontreinigingen gemeten. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan sanering niet spoedeisend is. Het rapport bevat de conclusie dat het de verwachting is dat de verontreinigingen een niet zodanige omvang hebben dat deze een bestemmingswijziging in de weg zitten. Aanbevolen wordt om in het kader van de bestemmingswijziging bodemonderzoek plaats te doen vinden om de actuele bodemkwaliteit vast te stellen.

8.3. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op het historisch bodemonderzoek en daarbij betrokken dat de vastgestelde bodemverontreiniging geen belemmering oplevert voor het bestaande gebruik van het Wandelbos, in welk gebruik met de in het plan opgenomen bestemmingen "Groen" en "Recreatie-Dagrecreatie" geen (functie)wijziging plaatsvindt. Tevens heeft de raad daarbij betrokken dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid uit artikel 33 van de planregels uit onderzoek naar de bodemkwaliteit moet blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie(s). De raad heeft in dit verband verwezen naar de beschikking van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 3 november 1997. In deze op grond van de Wet bodembescherming genomen beschikking, die is gebaseerd op drie onderzoeksrapporten van adviesbureau Oranjewoud, is vastgesteld dat er op de locatie van het Wandelbos sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dat de sanering als niet urgent wordt beschouwd, aangezien onder meer bij het huidige bodemgebruik (openbaar groen/recreatie) er geen ontoelaatbare actuele humane risico’s aanwezig zijn en er geen ontoelaatbare actuele verspreidingsrisico’s aanwezig zijn, omdat er geen ernstige verontreinigingen tot boven de interventiewaarden in het grondwater aanwezig zijn. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat in de beschikking geen monitoringsverplichting is voorgeschreven, omdat er geen ontoelaatbaar verspreidingsrisico is.

[appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad bij de vaststelling van het plan niet op de aldus beschikbare gegevens heeft mogen afgaan. Gelet hierop heeft de raad zich op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aspect bodemkwaliteit niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van de in artikel 33 van de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid. Het betoog faalt.

9. [appellant sub 1] en anderen vrezen een toename van de geluidsbelasting ter plaatse van hun woningen, nu de huidige kantoren in Beukenhorst West fungeren als geluidbuffer voor de 20 kE-zone voor het luchtverkeersgeluid vanwege Schiphol, dat ten oosten van het plangebied ligt. In het verleden was woningbouw in Beukenhorst West vanwege de geluidsbelasting niet mogelijk, aldus [appellant sub 1] en anderen.

9.1. Volgens de plantoelichting ligt het plangebied gedeeltelijk buiten de 50 dB Lden-contour en gedeeltelijk tussen de 50 dB Lden-contour en de 54 dB Lden-contour van de luchthaven Schiphol. Omdat het plan geheel buiten de 58 dB Lden-contour ligt, vormt het luchtverkeersgeluid geen belemmering voor de voorziene nieuwe ontwikkelingen, aldus de plantoelichting.

9.2. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 1] en anderen bedoelde geluidscontour enkele jaren geleden is verlegd en dat de in artikel 33 van de planregels voorziene woningbouw in Beukenhorst West thans in overeenstemming is met de op luchtverkeersgeluid toepasselijke geluidwetgeving. De woningen van [appellant sub 1] en anderen ondervinden reeds vanwege de grotere afstand tot Schiphol een lagere geluidsbelasting dan de voorziene woningen in Beukenhorst West. Voorts vormen de bestaande kantoren geen sluitende rij en liggen de kantoren in relatie tot de bouwhoogte op een ruime afstand van de woningen van [appellant sub 1] en anderen, zodat door hen niet aannemelijk is gemaakt dat de bestaande kantoren het luchtverkeersgeluid ter plaatse van de woningen van [appellant sub 1] en anderen in belangrijke mate verminderen. Gelet op het vorenstaande bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad was gehouden ten behoeve van de woningen van [appellant sub 1] en anderen de huidige kantoren in Beukenhorst West als geluidwerende bebouwing te behouden. Het betoog faalt.

10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat niet is onderzocht of het plan in overeenstemming is met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nu beschermde soorten aanwezig zijn. Dit onderzoek was ook niet mogelijk, gelet op de ruime wijzigingsbevoegdheid uit artikel 33 van de planregels, aldus [appellant sub 1] en anderen.

10.1. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

10.2. Zoals onder 5.1 is overwogen is Beukenhorst West een bestaand kantorengebied. Vanwege de leegstand van kantoren is voorzien in een wijzigingsbevoegdheid die onder meer functiewijziging naar woningbouw mogelijk maakt. Ter uitvoering van de wijzigingsbevoegdheid wordt gedacht aan het aanpassen van bestaande kantoorgebouwen voor die andere functies en het slopen van kantoorgebouwen die zich hier niet voor lenen.

Ten aanzien van de gevolgen van de wijzigingsbevoegdheid voor de flora en fauna staat in de plantoelichting dat de effecten op in Beukenhorst West aanwezige beschermde soorten zullen afhangen van de aard van de ontwikkelingen, die nog niet concreet vaststaan. Voor zover dat voor de uitvoering van het plan al nodig is, kan voor de aanwezige soorten een ontheffing van de Ffw worden verkregen, aldus de plantoelichting.

10.3. Uit het vorenstaande volgt dat reeds sprake is van bestaand bebouwd en verhard gebied en dat aan de wijzigingsbevoegdheid op verschillende manieren uitvoering kan worden gegeven, variërend van de functiewijziging van bestaande bebouwing tot sloop en nieuwbouw. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat mogelijkheden bestaan tot uitvoering van de wijzigingsbevoegdheid in overeenstemming met de Ffw. Het betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van Plusstate voor het overige

13. Plusstate verhuurt bedrijfsruimte voor een supermarkt in het plangebied en betoogt dat het plan ten onrechte bij recht voorziet in een grote uitbreiding van de oppervlakte aan detailhandel in dagelijkse goederen, waaronder supermarkten. Hierbij voert zij aan dat binnen de bestemming "Centrum" geen onderscheid wordt gemaakt tussen detailhandel in dagelijkse goederen en detailhandel in niet-dagelijkse goederen. Hiermee voorziet het plan in een veel grotere oppervlakte voor supermarkten dan waar behoefte aan bestaat. Gelet op het vorenstaande is niet voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Voorts heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met het risico op duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur en leegstand, aldus Plusstate.

13.1. De raad heeft bij het bepalen van de mate van gedetailleerdheid van de bestemming "Centrum" aangesloten bij de bestemmingsregeling uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Voorzien is in diverse vormen van gebruik waaronder detailhandel zonder nadere branchering, omdat een grote mate van flexibiliteit gewenst is teneinde binnen de planperiode in te kunnen spelen op ontwikkelingen in het winkelgebied. Op deze wijze is een flexibiliteit gecreëerd die bijdraagt aan het voorkomen van leegstand in het centrum. Het voorheen geldende bestemmingsplan kende dezelfde mate van flexibiliteit, aldus de raad.

13.2. Ingevolge artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels bevatten met betrekking tot branches van detailhandel en horeca.

In de Nota van Toelichting bij het Bro staat dat dergelijke regels moeten worden gemotiveerd vanuit overwegingen van ruimtelijke kwaliteit en niet louter kunnen zijn gegrond op argumenten van concurrentiebeperking.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

13.3. Plusstate is eigenaar van een winkel- en wooncomplex aan de Burgemeester van Stamplein 48-78 te Hoofddorp waarin een Dirk van den Broek supermarkt is gevestigd. Het plan voorziet voor een groot aantal plandelen in de omgeving van Plusstate in de bestemming "Centrum".

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. detailhandel;

b. dienstverlening;

c. kantoren;

d. maatschappelijke voorzieningen;

e. verkeer;

f. wonen;

h. horeca tot en met categorie 3a van de tot het plan behorende Staat van Horeca-activiteiten en

j. cultuur en ontspanning.

Ingevolge artikel 1 wordt onder detailhandel verstaan het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroepsactiviteit of bedrijfsactiviteit.

13.4. Voor zover de bezwaren van Plusstate zijn ingegeven door concurrentievrees, bestaat geen aanleiding om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden. De Wro strekt er niet toe bedrijven tegen de vestiging van concurrerende bedrijven in hun verzorgingsgebied te beschermen. Slechts in het geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is hiervoor plaats.

13.5. Vast staat dat de in het plan bij recht voorziene bebouwing reeds is gerealiseerd, zodat het plan in zoverre niet leidt tot nieuw ruimtebeslag. Het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag reeds in de oprichting van deze bebouwing met dezelfde mate van flexibiliteit.

Gelet op het vorenstaande voorziet het plan in zoverre niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. De plantoelichting behoefde derhalve voor de plandelen met de bestemming "Centrum" niet te voldoen aan de voorwaarden in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog faalt.

13.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 18 september 2013 (in zaak nr. 201208105/1/R2) komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen, maar is het doorslaggevende criterium of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften.

Nog daargelaten dat niet is gebleken van concrete initiatieven voor de vestiging van meerdere nieuwe supermarkten, draagt een toename van het aantal supermarkten in het centrum in het algemeen bij aan het tegengaan van leegstand het centrum en de mogelijkheid van de bewoners van het centrum om te voorzien in hun eerste levensbehoeften. Wat betreft bestaande buurt- en wijkcentra buiten het centrum bestaat in het onvoldoende toegelichte betoog van Plusstate geen aanleiding voor de verwachting dat het plan, voor zover het de bij recht voorziene mogelijkheden betreft, zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau of een onaanvaardbare toename van de leegstand.

14. Plusstate betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in wijzigingsbevoegdheden die een grote uitbreiding mogelijk maken van de oppervlakte aan detailhandel in dagelijkse goederen, waaronder met name supermarkten. Hierbij voert zij aan dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen detailhandel in dagelijkse goederen en detailhandel in niet-dagelijkse goederen. Hiermee voorziet het plan in een veel grotere oppervlakte aan supermarkten dan waar volgens de berekening van de raad behoefte aan bestaat. Daarnaast is de raad bij zijn berekening van de behoefte uitgegaan van onjuiste bevolkingsgegevens. Gelet op het vorenstaande is niet voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, aldus Plusstate.

14.1. De Afdeling stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat het beroep in zoverre is gericht tegen de wijzigingsbevoegdheden die zijn neergelegd in de artikelen 26, 27, 28, 30 en 34 van de planregels en betrekking hebben op de plandelen met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" met de volgnummers 1, 2, 3, 5 en 9. Ingevolge deze artikelen is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ter plaatse binnen de bestemming "Centrum" het bouwvlak en de bouwmogelijkheden te verruimen en in voorkomend geval andere bestemmingen te wijzigen in de bestemming "Centrum".

Gelet hierop, en de planregeling voor de bestemming "Centrum" uit artikel 4 van de planregels, zoals weergegeven onder 13.3, voorziet het plan in zoverre in een uitbreiding van de oppervlakte aan detailhandel zonder een branchering met een maximale oppervlakte aan detailhandel in dagelijkse goederen, waaronder supermarkten. Vast staat dat deze uitbreiding kan worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

14.2. Het plan biedt derhalve geen directe grondslag voor een stedelijke ontwikkeling, maar bevat wijzigingsbevoegdheden op grond waarvan een stedelijke ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt. Indien het college van burgemeester en wethouders overgaat tot het vaststellen van een wijzigingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, zal bij de vaststelling van dit wijzigingsplan moeten worden voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Opname van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan houdt echter in dat de daarmee mogelijk te maken ontwikkelingen in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moeten worden geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bij uitspraak van 26 februari 2014 (in zaak nr. 201305787/1/R1) betekent dit dat de raad reeds bij het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid inzicht zal moeten geven in de vraag of binnen de planperiode rekening moet worden gehouden met een regionale behoefte aan de mogelijk te maken ontwikkelingen en of deze ontwikkelingen in het licht van de overige in artikel 3.1.6, tweede lid, geformuleerde voorwaarden binnen het plangebied zullen kunnen worden gerealiseerd. De raad zal daarbij na moeten gaan of de realisering van de verschillende ontwikkelingen die de wijzigingsbevoegdheid mogelijk maakt, past binnen de kaders van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Niet kan worden volstaan met een beoordeling van alleen de beoogde invulling van de voorziene functies.

14.3. In de plantoelichting is beschreven dat de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van een behoefte aan uitbreiding van detailhandel in dagelijkse goederen van 2600 m2. Voor detailhandel in niet-dagelijkse goederen is de raad uitgegaan van een behoefte aan uitbreiding van 14.600 m2. De raad heeft zich hierbij gebaseerd op het rapport "Binden en Boeien" van BRO van 27 februari 2011. Dat rapport gaat uit van een groei van de kern Hoofddorp naar 82.000 inwoners in 2015 en 90.000 inwoners in 2020/2025. Plusstate betoogt dat de raad in zoverre uitgaat van onjuiste bevolkingsgegevens. Zij voert hierbij aan dat de bevolkingsgroei tussen 2005 en 2013 is afgevlakt en Hoofddorp in 2013 73.500 inwoners had, zodat de groei naar 82.000 inwoners in 2015 niet realistisch is. Voorts wijst zij op de onderzoekspublicatie 'Bevolkingsprognose Haarlemmermeer'. De raad stelt hier tegenover dat de woningbouw door de economische crisis weliswaar is achtergebleven, maar dat de desbetreffende woningen binnen de planperiode alsnog kunnen worden gebouwd en verwijst in dit verband naar de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 van 26 september 2013 waarin wordt uitgegaan van een groei van het inwoneraantal in 2030 tot 100.000.

De Afdeling ziet in de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030, die dateert van na het bestreden besluit, evenwel geen bevestiging voor de juistheid van het uitgangspunt in het rapport "Binden en Boeien" dat het aantal inwoners van de kern Hoofddorp groeit naar 90.000 inwoners in 2020/2025. Daarbij overweegt zij dat Plusstate heeft gewezen op de onderzoekspublicatie 'Bevolkingsprognose Haarlemmermeer' op de gemeentelijke website onder het kopje 'Onderzoek, feiten en cijfers'. Daarin is voor 2020, 2025 en 2030 een aanzienlijk lagere groei van het inwoneraantal genoemd dan de groei waar de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan. Voorts is de Deelstructuurvisie Hoofddorp 2030 over de bevolkingsprognose erg beknopt, staat in de tekst een ander inwoneraantal dan in de bijbehorende tabel en is onduidelijk of deze getallen zien op een beleidsdoelstelling dan wel zijn gebaseerd op onderzoek.

Hieruit volgt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet heeft kunnen baseren op het rapport "Binden en Boeien", zodat onvoldoende is gemotiveerd dat de (regionale) behoefte aan uitbreiding van detailhandel in dagelijkse goederen 2600 m2 bedraagt, nog daargelaten dat de maximale oppervlakte voor uitbreiding van detailhandel in dagelijkse goederen in de wijzigingsbevoegdheden niet is beperkt tot 2600 m2.

Gelet op het vorenstaande is het plan onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid voor zover het betreft de artikelen 26, 27, 28, 30 en 34 van de planregels en de aanduidingen "wro-zone - wijzigingsgebied" met de volgnummers 1, 2, 3, 5 en 9. Het betoog slaagt.

14.4. De overige beroepsgronden ten aanzien van de behoefte aan de met de wijzigingsbevoegdheden voorziene supermarkten behoeven geen bespreking meer.

15. Voor zover Plusstate betoogt dat het plan in strijd is met het Nationaal belang 13 uit de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu (hierna: SVIR) is niet gebleken dat hier voorwaarden uit voortvloeien die niet reeds zijn neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, daargelaten nog in hoeverre de raad aan de SVIR is gebonden. Het betoog faalt.

16. Plusstate betoogt dat het plan in strijd is met artikel 6, eerste lid, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: de PRVS) omdat grootschalige detailhandel niet is uitgesloten binnen de bestemming "Centrum".

16.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de PRVS kan een bestemmingsplan met in achtneming van het bepaalde in artikel 15 - voorzien in grootschalige (perifere) detailhandelsvestigingen:

a. op een locatie gelegen in of aansluitend op bestaande binnensteden en winkelcentra indien dit aantoonbaar niet leidt tot ernstige verstoring en/ of duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur;

b. als in de binnensteden en/of wijkwinkelcentra aantoonbaar geen ruimte gevonden kan worden en;

c. als aantoonbaar sprake is van thematische binding aan een bestaande perifere locatie.

Ingevolge het tweede lid geeft de toelichting bij het bestemmingsplan dat nieuw toe te voegen grootschalige (perifere) detailhandel mogelijk maakt aan in hoeverre regionale afstemming heeft plaatsgehad binnen de regionale adviescommissie en maakt melding van het advies van deze commissie.

Ingevolge artikel 1, onder 18, wordt onder grootschalige (perifere) detailhandel verstaan: detailhandel groter dan 1.500 m2 vloeroppervlak (buiten bestaande winkelcentra) en groter dan 5.000 m2 (binnen bestaande winkelcentra.

16.2. Ter zitting heeft de raad desgevraagd aangegeven dat de vestiging van grootschalige (perifere) detailhandel als bedoeld in de PRVS ter plaatse van de bestemming "Centrum" ten onrechte niet is uitgesloten.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

17. Plusstate betoogt dat de verkeerskundige gevolgen van het plan onvoldoende zijn onderzocht. Het onderzoek aan de hand van het verkeersmodel NHZ 1.4 is een onvoldoende motivering. Niet duidelijk is met welke ruimtelijke ontwikkelingen en wijzigingen in de infrastructuur rekening is gehouden en welke uitgangspunten zijn gebruikt. Verder gelden de conclusies alleen voor het jaar 2022 en verder. Voorts is in de plantoelichting de belastbaarheid van de wegen vermeld, maar de verkeersbelasting zelf niet, aldus Plusstate.

17.1. Nu voor het overige niet is gebleken dat het plan voorziet in nieuwe ontwikkelingen die belangrijke gevolgen hebben voor de verkeerskundige situatie binnen het plangebied acht de Afdeling het beroep in zoverre gericht tegen de wijzigingsbevoegdheden die zijn neergelegd in de artikelen 26, 27, 28, 30, 33 en 34 van de planregels en betrekking hebben op de plandelen met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" met de volgnummers 1, 2, 3, 5, 8 en 9.

17.2. In de plantoelichting staat dat de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen tot 2022 zijn verwerkt ofwel doorgerekend in het verkeersmodel NHZ 1.4. Voorts zijn in dit model nieuwe verkeersmaatregelen verwerkt, waaronder de maatregelen uit de nota "Bereikbaarheid Hoofddorp Centrum", de twee nieuwe aansluitingen tussen Hoofddorp en de rijksweg A4, de Taurusavenue en de verlegde N201. Uit het verkeersmodel NHZ 1.4 kunnen de zogenaamde IC-waardes en de kruispuntweerstanden worden afgeleid. In de bijlage bij dit bestemmingsplan zijn de hierbij behorende kaarten toegevoegd. Uit de verkeerscijfers voor 2022 kan op basis van beide waardes afgeleid worden dat in het plangebied geen knelpunten ontstaan ten aanzien van de verkeersafwikkeling. Niet uit te sluiten is dat op termijn een knelpunt ontstaat bij een enkele kruising. Desondanks is geen sprake van zodanige knelpunten in het wegennet in het plangebied dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, aldus de plantoelichting.

17.3. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheden uit de artikelen 26, 27, 28, 30, 33 en 34 van de planregels kan worden voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen waarbij belangrijke verkeerskundige gevolgen niet kunnen worden uitgesloten. Voorts heeft de raad volstaan met een verwijzing naar het verkeersmodel NHZ 1.4 in de plantoelichting en geen onderzoeksrapport over de verkeerskundige gevolgen aan het plan ten grondslag gelegd. Voorts maken de kaarten met IC-waardes en kruispuntweerstanden, anders dan in de plantoelichting is vermeld, geen deel uit van het dossier. Nu onder meer de invoergegevens, de uitgangspunten en de resultaten van het verkeersonderzoek niet kenbaar zijn, heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat het plan in zoverre geen onaanvaardbare verkeerskundige gevolgen heeft. Het betoog slaagt.

18. Plusstate betoogt dat het plan voorziet in een groot aantal extra parkeerplaatsen voor het centrumgebied zonder dat is onderzocht of daar behoefte aan bestaat. Verder is onduidelijk of deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor de parkeerbehoefte vanwege bestaande functies of mede zijn gericht op de parkeerbehoefte vanwege nieuwe ontwikkelingen.

18.1. Voor zover in het verweerschrift staat dat de extra parkeerplaatsen zijn gekoppeld aan nieuwe ontwikkelingen, heeft de raad ter zitting toegelicht dat het verweerschrift in zoverre onjuist is en dat de motivering in de plantoelichting juist is.

18.2. Gelet op de plantoelichting voorziet het plan in 1.100 extra parkeerplaatsen verdeeld over drie parkeergarages en 200 tot 300 tijdelijke parkeerplaatsen op het maaiveld. Hiermee beoogt de raad een oplossing te bieden voor de parkeeroverlast die in de woonwijken rondom het winkelcentrum wordt veroorzaakt door parkeerders die het centrum voor langere duur bezoeken, zoals werknemers. Aan de plantoelichting ligt in zoverre de rapportage "Parkeeronderzoek Hoofddorp" van Dufec van 16 juni 2012 ten grondslag. Hierin zijn voor diverse locaties hoge bezettingsgraden geconstateerd. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet dan wel onvoldoende is onderzocht of behoefte bestaat aan de extra parkeerplaatsen voor het centrumgebied. Het betoog faalt.

19. Plusstate betoogt dat ten onrechte geen onderzoek naar de luchtkwaliteit is verricht. Het standpunt van de raad dat het plan is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (hierna: NSL) kan geen standhouden. Het plan maakt meer mogelijk dan voor het NSL is aangemeld. Voorts is de NSL gebaseerd op verouderde aannames, zo betoogt Plusstate.

19.1. De ontwikkeling van Hoofddorp Centrum is opgenomen in het NSL met de projectnaam "Hoofddorp centrum en Hoofddorp Noord", het type "Gemengde woningen en voorzieningen" en de omvang "2.000 woningen, 30.000 m2 bvo en 2.300 parkeerplaatsen". In de enkele niet toegelichte stellingen van Plusstate daaromtrent bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan meer mogelijk maakt dan in het NSL is vermeld of dat de aannames van het NSL zijn achterhaald, daargelaten waartoe dat gelet op de Wet milieubeheer zou leiden. Het betoog faalt.

20. Plusstate heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze. In de nota van zienswijzen is hierop ingegaan. Plusstate heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze en inspraakreactie onjuist zou zijn.

21. Gelet op het overwogene onder 16.2 ziet de Afdeling in hetgeen Plusstate heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6, eerste lid, van de PRVS, voor zover grootschalige (perifere) detailhandel als omschreven in de PRVS niet is uitgesloten in artikel 4 van de planregels voor de bestemming "Centrum".

Gelet op het overwogene onder 17.3 ziet de Afdeling in hetgeen Plusstate heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb, voor zover het betreft de artikelen 26, 27, 28, 30, 33 en 34 van de planregels en betrekking hebben op de plandelen met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied" met de volgnummers 1, 2, 3, 5, 8 en 9.

Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

21.1. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen, waarin grootschalige detailhandel is uitgesloten in artikel 4 van de planregels voor de bestemming "Centrum", en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

21.2. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van de na te melden voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

21.3. De raad dient ten aanzien van Plusstate op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plusstate B.V. gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Haarlemmermeer van 13 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hoofddorp Centrum" voor zover:

a. het betreft de artikelen 26, 27, 28, 30, 33 en 34 van de planregels en de aanduidingen "wro-zone - wijzigingsgebied" met de volgnummers 1, 2, 3, 5, 8 en 9;

b. grootschalige (perifere) detailhandel niet is uitgesloten in artikel 4 van de planregels voor de bestemming "Centrum";

III. draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onderdeel genoemd onder II.b. en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. treft de voorlopige voorziening inhoudende dat artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zodanig dient te worden gelezen dat grootschalige detailhandel is uitgesloten;

V. bepaalt dat de onder IV opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het moment van inwerkingtreding van het door de raad van de gemeente Haarlemmermeer nieuw te nemen besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Haarlemmermeer op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II.a. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plusstate B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Plusstate B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.S.S. Hupkes, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Hupkes

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

635.