Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4148

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201310926/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2013:5805, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2012 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2] en anderen om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 30, 34, 35 en 43 te ’s-Hertogenbosch afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310926/1/A4.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te ‘s-Hertogenbosch,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 oktober 2013 in zaak nr. 13/3582 in het geding tussen:

[appellant sub 2] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2012 heeft het college een verzoek van [appellant sub 2] en anderen om toepassing van bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 30, 34, 35 en 43 te ’s-Hertogenbosch afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2013 heeft het college het door [appellant sub 2] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 mei 2013 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] en anderen hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 april 2014 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] en anderen beslist.

[appellant sub 2] en anderen hebben hiertegen gronden ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.W.G.M. Christophe, werkzaam bij de gemeente, en [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. [appellant sub 2], advocaat te ‘s-Hertogenbosch, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende] en De Twee Kolommen Vastgoed B.V., beide vertegenwoordigd door mr. E. Beele, advocaat te Tilburg, als partij gehoord.

Overwegingen

1. [appellant sub 2] en anderen hebben verzocht om handhavend optreden omdat de hiervoor genoemde woningen volgens hen ten onrechte zonder een onttrekkingsvergunning op grond van een krachtens de Huisvestingswet vastgestelde huisvestingsverordening zijn omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte. Daarnaast zou het gebruik van de woningen in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Muntel - De Vliert".

Strijd met de huisvestingsverordening

2. De rechtbank heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het zonder onttrekkingsvergunning omzetten van de woonruimte van de woningen aan de Van den Weeghensingel 22, 24, 34 en 35 vóór 1 juli 1994 geen overtreding oplevert van de destijds geldende huisvestingsverordening. Daarnaast heeft het college volgens de rechtbank onvoldoende onderzocht of de huidige eigenaren van deze woningen ook degenen zijn die de woonruimte hebben omgezet, nu slechts degene die de woonruimte heeft omgezet als overtreder kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat voor het omzetten van de woning aan de Van der Weeghensingel 30 in appartementen geen onttrekkingsvergunning op grond van artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening 2005 is vereist.

3. Het college betoogt dat de rechtbank bij haar beoordeling er ten onrechte van is uitgegaan dat vóór 1 juli 1994 een huisvestingsverordening binnen de gemeente van kracht was. Volgens het college is een dergelijke verordening eerst op 1 januari 1995 in werking getreden.

[appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alleen degene die de woonruimte heeft omgezet als overtreder van de huisvestingsverordening kan worden aangemerkt, en niet - zo begrijpt de Afdeling het betoog - de huidige eigenaren. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant sub 2] en anderen miskend dat, ook als moet worden aangenomen dat niet met een last onder dwangsom kan worden opgetreden omdat de overtreding van de huisvestingsverordening niet is begaan door de huidige eigenaren van de woningen, dit de mogelijkheid van het opleggen van een last onder bestuursdwang onverlet laat.

3.1. Ter zitting is vastgesteld dat, anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, eerst op 1 januari 1995 een huisvestingsverordening op grond van de Huisvestingswet in werking is getreden. Verder staat vast dat de omzetting van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34 en 35 vóór die datum heeft plaatsgevonden. Voor de omzetting van deze woningen, die - anders dan [appellant sub 2] en anderen gezien hun hiervoor weergegeven betoog veronderstellen - een eenmalige handeling is, was daarom geen onttrekkingsvergunning vereist (vergelijk de uitspraak van 24 mei 2012 in zaak nrs. 201203425/1/A3 en 201203425/2/A3).

3.2. Gezien het voorgaande heeft het college het verzoek van [appellant sub 2] en anderen, voor zover dat betrekking heeft op de gestelde overtreding van de huisvestingsverordening door het omzetten van de woonruimte van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34 en 35 zonder een onttrekkingsvergunning, terecht afgewezen. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen over de vraag of met een last onder bestuursdwang tegen een overtreding zou kunnen worden opgetreden, behoeft daarom geen bespreking.

4. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat voor het omzetten van de woning aan de Van der Weeghensingel 30 in diverse appartementen op grond van artikel 3.1.2, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening 2005 een onttrekkingsvergunning was vereist, nu daardoor woonruimte aan de woningvoorraad is onttrokken.

4.1. Ingevolge artikel 3.1.2, aanhef en onder a, is het verboden zonder onttrekkingsvergunning een woonruimte geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. Onder het onttrekken aan de bestemming tot bewoning wordt, voor zover hier van belang, verstaan het splitsen voor een ander doel dan permanente bewoning door een huishouden.

4.2. Niet is gebleken dat het omzetten van de woning aan de Van der Weeghensingel 30 in appartementen heeft plaatsgevonden met een ander doel dan voor permanente bewoning van elk van de appartementen door een huishouden. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor deze omzetting geen onttrekkingsvergunning was vereist.

5. De conclusie luidt dat de betogen van [appellant sub 2] en anderen met betrekking tot de gestelde overtreding van de huisvestingsverordening falen, terwijl het betoog van het college slaagt. Het college heeft, anders dan [appellant sub 2] en anderen in beroep bij de rechtbank hebben betoogd, terecht geconcludeerd dat bij geen van de in geding zijnde woningen de huisvestingsverordening is overtreden, zodat in dit opzicht geen grond bestaat voor handhavend optreden.

Strijd met het bestemmingsplan

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college onvoldoende heeft onderzocht of, dan wel gemotiveerd dat, het huidige gebruik van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34, 35 en 43 op grond van het in artikel 16.2 van de voorschriften van het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht is toegestaan. Volgens de rechtbank levert het huidige gebruik van de woning aan de Van der Weeghensingel 30 geen strijd op met het bestemmingsplan.

7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het in artikel 16.2 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht in dit geval niet van toepassing kan zijn, reeds gelet op artikel 16.3, aanhef en onder b, van de planvoorschriften.

7.1. Ingevolge artikel 16.2 van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in het bestemmingsplan, naar haar aard en omvang niet wordt vergroot.

Ingevolge artikel 16.3, aanhef en onder b, is artikel 16.2 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

7.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat, nu vast staat dat er geen voorheen geldend bestemmingsplan bestond, artikel 16.3, aanhef en onder b, van de planvoorschriften niet in de weg staat aan toepassing van het in artikel 16.2 opgenomen overgangsrecht.

8. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van de woning aan de Van der Weeghensingel 30 wel strijd oplevert met het bestemmingsplan, nu het bestemmingsplan slechts één huishouden op het perceel toestaat.

8.1. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld, rust ingevolge het bestemmingsplan op het perceel Van der Weeghensingel 30 de bestemming "Wonen" en staat het plan "gestapeld wonen" toe. Gestapelde woningen zijn ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften woningen die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning zijn gelegen. Anders dan [appellant sub 2] en anderen veronderstellen, mag op het perceel dus meer dan één woning, en daarmee meer dan één huishouden, gevestigd zijn.

9. [appellant sub 2] en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan artikel 7.3.1, eerste lid, van de Bouwverordening ’s-Hertogenbosch 1996, herziening 2012 (hierna: de Bouwverordening).

In die bepaling is een verbod opgenomen om bouwwerken te gebruiken op een wijze strijdig met de bestemming die uit een als uitbreidingsplan tot stand gekomen bestemmingsplan voortvloeit. Anders dan [appellant sub 2] en anderen kennelijk veronderstellen, speelt deze bepaling in dit geding echter geen rol, reeds omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet als een uitbreidingsplan tot stand is gekomen.

10. De conclusie luidt dat de betogen van [appellant sub 2] en anderen met betrekking tot de gestelde overtreding van het bestemmingsplan falen.

Proceskosten

11. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de door hen gemaakte kosten voor door een derde - te weten appellant [appellant sub 2] - beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daartoe wijzen zij erop dat de andere appellanten [appellant sub 2] betalen, zodat in zoverre beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

11.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

11.2. Het betoog faalt. [appellant sub 2] en anderen hebben gezamenlijk beroep bij de rechtbank ingesteld. Dat appellant [appellant sub 2] in dat kader aan de overige appellanten met wie hij gezamenlijk het beroepschrift heeft ingediend kosten in rekening heeft gebracht, wat daarvan verder zij, laat onverlet dat hij één van de appellanten is en dus niet een derde als bedoeld in de zojuist weergegeven bepaling.

Conclusie hoger beroepen

12. Het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep, gericht tegen het besluit van 31 mei 2013, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om handhaving wegens overtreding van de huisvestingsverordening is gehandhaafd, gegrond is verklaard en dat besluit in zoverre is vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep in zoverre alsnog ongegrond verklaren.

Het besluit van 17 april 2014

13. Bij besluit van 17 april 2014 heeft het college het bezwaar van [appellant sub 2] en anderen tegen de afwijzing van het verzoek om handhavend optreden, voor zover dat betrekking heeft op het gestelde gebruik van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34, 35 en 43 in strijd met het bestemmingsplan, opnieuw ongegrond verklaard.

14. Gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, wordt het besluit van 17 april 2014 geacht eveneens onderwerp te zijn van dit geding.

15. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college zich in het besluit van 17 april 2014 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gebruik van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34, 35 en 43 niet in strijd is met het bestemmingsplan. Daartoe wijzen zij erop dat het gebruik van deze woningen sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan op 23 juni 2009 (hierna: de peildatum) naar aard en omvang is verdubbeld. Verder wijzen zij op artikel 7.3.1, eerste lid, van de Bouwverordening.

15.1. Zoals de Afdeling in rechtsoverweging 9 heeft overwogen, speelt artikel 7.3.1, eerste lid, van de Bouwverordening in dit geding geen rol.

15.2. De Afdeling zal hierna per woning afzonderlijk beoordelen of het gebruik van de woningen strijd oplevert met het bestemmingsplan. Daarbij geldt dat het gebruik van een woning op grond van het in artikel 16.2 van de planvoorschriften opgenomen overgangsrecht is toegestaan, indien het gebruik sinds de peildatum naar aard en omvang niet is vergroot.

15.3. Wat de woning aan de Van der Weeghensingel 22 betreft, heeft het college vastgesteld dat op de peildatum vier personen in de gemeentelijke basisadministratie op dit adres stonden ingeschreven. Op 3 oktober 2012 is geconstateerd dat de woning op dat moment ook door vier personen werd bewoond. Er bestaat geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verder is niet aannemelijk geworden dat het aantal bewoners sindsdien is toegenomen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het gebruik van de woning voor kamerbewoning sinds de peildatum naar aard en omvang niet is vergroot, zodat het gebruik van de woning geen strijd oplevert met het bestemmingsplan.

Wat de woning aan de Van der Weeghensingel 24 betreft, staat vast dat deze woning wordt gebruikt voor kamerverhuur en dat dit gebruik in beginsel in strijd is met het bestemmingsplan. Het college heeft er echter op gewezen dat het op 28 mei 2010 een bouwvergunning heeft verleend voor de bouw van elf kamers. Het college staat op het standpunt dat met het verlenen van deze vergunning moet worden geacht tevens vrijstelling te zijn verleend voor dit gebruik. De Afdeling is van oordeel dat het college zich op goede gronden op dit standpunt stelt. Uit de rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201100152/1/H1) volgt dat wanneer uit een bouwaanvraag zonder meer kan worden afgeleid dat met het bouwplan een met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt beoogd, en het college desondanks vergunning verleent, dit gebruik wordt geacht rechtstreeks uit de bouwvergunning voort te vloeien. Deze situatie doet zich hier voor, nu in de aanvraag om de bouwvergunning voor het realiseren van de elf kamers uitdrukkelijk is vermeld dat deze voor kamerverhuur worden gebruikt. Het gebruik van de woning aan de Van der Weeghensingel 24 voor kamerverhuur levert dan ook geen strijd op met het bestemmingsplan.

Over de woning aan de Van der Weeghensingel 34 heeft het college opgemerkt dat op de peildatum zes personen in de gemeentelijke basisadministratie op dit adres stonden ingeschreven. Op 17 oktober 2012 heeft het college geconstateerd dat de woning op dat moment ook door zes bewoners werd bewoond. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verder is niet aannemelijk geworden dat het aantal bewoners sindsdien is toegenomen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het gebruik van deze woning voor kamerbewoning sinds de peildatum naar aard en omvang niet is vergroot, zodat het gebruik van de woning geen strijd oplevert met het bestemmingsplan.

Wat de woning aan de Van der Weeghensingel 35 betreft, heeft het college vastgesteld dat op de peildatum drie personen in de gemeentelijke basisadministratie op dit adres stonden ingeschreven. Op 17 oktober 2012 heeft het college geconstateerd dat de woning op dat moment ook door drie bewoners werd bewoond. Er bestaat geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Verder is niet aannemelijk geworden dat het aantal bewoners sindsdien is toegenomen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het gebruik van deze woning voor kamerbewoning sinds de peildatum naar aard en omvang niet is vergroot, zodat het gebruik van de woning geen strijd oplevert met het bestemmingsplan.

Wat de woning aan de Van der Weeghensingel 43 betreft, staat vast dat deze woning is opgedeeld in drie appartementen en dat één daarvan in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Het college heeft bij besluit van 25 september 2013 een omgevingsvergunning verleend voor verbouwing van de woning. In dat besluit is vermeld dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik vóór de peildatum is aangevangen en op grond van het overgangsrecht is toegestaan. Er bestaat geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het gebruik van deze woning levert dan ook geen strijd op met het bestemmingsplan.

15.4. Gezien het voorgaande heeft het college zich in het besluit van 17 april 2014 terecht op het standpunt gesteld dat het gebruik van de woningen aan de Van der Weeghensingel 22, 24, 34, 35 en 43 geen strijd oplevert met het bestemmingsplan. Het college heeft het bezwaar van [appellant sub 2] en anderen in zoverre terecht bij dit besluit opnieuw ongegrond verklaard.

Het betoog faalt.

16. Het beroep tegen het besluit van 17 april 2014 is ongegrond.

Slotoverweging

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] en anderen ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van ‘s-Hertogenbosch gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 oktober 2013 in zaak nr. 13/3582, voor zover daarbij het beroep, gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 31 mei 2013, voor zover daarbij de afwijzing van het verzoek om handhaving wegens overtreding van de huisvestingsverordening is gehandhaafd, gegrond is verklaard en dat besluit in zoverre is vernietigd;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van 17 april 2014 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Koeman w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

262-732.