Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201311632/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 september 2013, kenmerk 13.037271, heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnsweerd, Maarschalkerweerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Tracéwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1196

Uitspraak

201311632/1/R2.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Ekologische Tuiniervereniging "De Nijvere Pier" en anderen, gevestigd onderscheidenlijk allen wonend te Utrecht (hierna tezamen en in enkelvoud: De Nijvere Pier),

2. [appellant sub 2], wonend te Utrecht,

3. [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Utrecht,

4. [appellant sub 4], wonend te Utrecht,

5. [appellant sub 5], wonend te Utrecht,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2013, kenmerk 13.037271, heeft de raad het bestemmingsplan "Rijnsweerd, Maarschalkerweerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben De Nijvere Pier, [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: Boerderij Mereveld) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 3] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2014, waar De Nijvere Pier, vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, [appellant sub 2], bijgestaan door drs. C. van Oosten, [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 3], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. K. de Wit, en de raad, vertegenwoordigd door B. van der Padt en G.J. Rijksen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Boerderij Mereveld, vertegenwoordigd door [belanghebbende B], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de wijken Rijnsweerd, Maarschalkerweerd en Mereveld.

Het beroep van De Nijvere Pier

3. Boerderij Mereveld betwist de belanghebbendheid van De Nijvere Pier.

3.1. Het beroep van De Nijvere Pier is ingediend door de vereniging Ekologische Tuiniervereniging "De Nijvere Pier" (hierna: de vereniging) en door twaalf leden van de vereniging (hierna: de twaalf leden). Dit beroep is gericht tegen het in het plan aan een perceel aan de westzijde van de Mereveldseweg ter hoogte van de Mereveldseweg 9 te Utrecht (hierna: het terrein) toekennen van de functieaanduiding ‘parkeerterrein’.

3.2. De twaalf leden wonen op afstanden van ongeveer 675 meter en groter van het terrein. Vanuit hun woningen hebben zij allen geen zicht op het betrokken perceel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door hen bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

De omstandigheid dat de twaalf leden regelmatig een groot deel van de dag doorbrengen op het terrein van de vereniging, op korte afstand van het bestreden plandeel, leidt niet tot het oordeel dat ondanks voornoemde afstand een objectief en persoonlijk belang van hen rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. De door De Nijvere Pier naar voren gebrachte omstandigheid dat de raad de ontvankelijkheid van het beroep niet heeft betwist, is niet van belang, nu de Afdeling de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve beoordeelt.

De conclusie is dat de twaalf leden geen belanghebbende zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep van De Nijvere Pier voor zover dat is ingediend door de twaalf leden van de vereniging is niet-ontvankelijk.

3.3. De gronden die de vereniging gebruikt liggen in de onmiddellijke nabijheid van het bestreden plandeel met de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Reeds hierom is de Afdeling van oordeel dat de vereniging een belanghebbende bij het bestreden besluit is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Het beroep van De Nijvere Pier voor zover dat is ingediend door de vereniging is ontvankelijk en zal in het navolgende worden besproken.

Onder De Nijvere Pier wordt hierna verstaan: de vereniging Ekologische Tuiniervereniging "De Nijvere Pier".

4. De Nijvere Pier richt zich tegen het in het plan aan het terrein toekennen van de functieaanduiding ‘parkeerterrein’. Zij voert daartoe aan dat het gebruik van het terrein als parkeerterrein in strijd is met het gemeentelijke beleid om intensivering van de aanwezige functie in het gebied Mereveld tegen te gaan teneinde het open en groene karakter te behouden. Zij stelt dat het terrein nu open en groen is en daarmee bijdraagt aan het recreatieve verblijf in haar volkstuinen ten noorden van het perceel.

Voorts voert zij aan dat de gevolgen van het toestaan van een parkeerterrein niet zijn onderzocht. Door de extra parkeergelegenheid neemt volgens haar het autoverkeer toe, wat leidt tot verkeersonveilige situaties en verminderde rust ter plaatse van de volkstuinen.

4.1. De raad stelt dat het parkeerterrein is bedoeld als overloopvoorziening bij evenementen en dat het parkeerterrein goed in de groene omgeving kan worden ingepast. Bij amendement op het vaststellingsbesluit heeft de raad besloten het parkeerterrein in het plan op te nemen. In de overwegingen van dat amendement is volgens de raad - vanwege het open en groene karakter van het gebied - aangegeven dat de parkeervoorziening moet worden ingepast overeenkomstig de uitgangspunten van het gemeentelijke Groenstructuurplan en het Meerjarengroenprogramma.

Verder stelt de raad dat het parkeerterrein uitsluitend zal worden gebruikt voor de huidige vergunde functies van het bestaande horecabedrijf aan de Mereveldseweg 9, dat daardoor het verkeer niet zal toenemen en dat het parkeerterrein buiten de piekuren zal worden afgesloten. De verkeersveiligheid verbetert, doordat op piekmomenten niet langer in de bermen hoeft te worden geparkeerd, aldus de raad. Dat is volgens de raad ook de reden om zijn eerdere standpunt te nuanceren dat het niet wenselijk is de in het gebied Mereveld aanwezige functies te intensiveren.

4.2. Aan het terrein zijn de bestemming "Recreatie" en de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ toegekend.

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ bestemd voor een parkeerterrein voor maximaal 50 parkeerplaatsen.

4.3. Ter zitting heeft de raad onweersproken gesteld dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden op het perceel Mereveldseweg 9 door het horecabedrijf Boerderij Mereveld reeds worden begrensd door de ten behoeve van het horecabedrijf verleende omgevingsvergunning. Door het terrein, dat eigendom is van Boerderij Mereveld, te bestemmen voor een parkeerterrein, worden deze gebruiksmogelijkheden niet vergroot. Het parkeerterrein staat ten dienste van de reeds bestaande gebruiksmogelijkheden van het horecabedrijf. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het realiseren van de parkeerplaats niet in strijd is met het gemeentelijke beleid om intensivering van de aanwezige functie in het gebied Mereveld tegen te gaan.

Het voorheen geldende bestemmingsplan "Mereveld" maakte parkeren ten behoeve van recreatie reeds mogelijk in de bermen en op het terrein. Niet in geschil is dat het gelet op de verkeersveiligheid ongewenst is dat er in de bermen van de Mereveldseweg wordt geparkeerd. Met het realiseren van het parkeerterrein verwacht de raad dat het niet langer nodig is om in de bermen te parkeren, zodat een verkeersbesluit om het bermparkeren te verbieden vooralsnog niet aan de orde is. In hetgeen De Nijvere Pier heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat het parkeerterrein geen zelfstandige verkeersaantrekkende werking heeft en dat het parkeerterrein kan bijdragen aan de verkeersveiligheid. De raad heeft dan ook in redelijkheid aan het terrein de functieaanduiding ‘parkeerterrein’ kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

4.4. Gelet op het voorgaande is het beroep van De Nijvere Pier ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte en anders dan in het voorheen geldende bestemmingsplan is afgezien van bodemsanering op het perceel [locatie 1] te Utrecht.

Hij betoogt voorts dat het perceel [locatie 1] in het plan ten onrechte niet voor horeca is bestemd. Een eerder verzoek daartoe is afgewezen, omdat een intensivering van functies in het open en groene gebied niet wenselijk werd geacht, terwijl in het plan aan het perceel Mereveldseweg 9 wel een horecabestemming is toegekend.

[appellant sub 2] betoogt tevens dat aan de gronden rondom zijn bedrijfsgebouw aan de [locatie 1] ten onrechte geen bedrijfsbestemming is toegekend. Hij voert daartoe aan dat hij deze gronden al geruime tijd voor zijn bedrijf gebruikt en dat de gemeente, die de gronden in eigendom heeft, daar nooit een probleem van heeft gemaakt. Daarnaast beroept [appellant sub 2] zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat intensivering van het gebruik van het horecabedrijf Boerderij Mereveld aan de Mereveldseweg 9 wel is toegestaan.

5.1. De raad stelt dat bodemsanering voor het perceel [locatie 1] niet noodzakelijk is. Voorts wenst de raad geen horecabestemming aan het perceel toe te kennen, omdat dat in strijd is met het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2012. Aan de omliggende gronden wenst de raad geen bedrijfsbestemming toe te kennen, omdat de gronden in eigendom van de gemeente zijn en de raad hecht aan een recreatieve bestemming van deze gronden.

5.2. De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Het betoog kan derhalve niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

5.3. Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het horecabedrijf aan de Mereveldseweg 9 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat aan het perceel Mereveldseweg 9 in het voorheen geldende bestemmingsplan wel en aan het perceel [locatie 1] niet een horecabestemming was toegekend. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 2] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

5.4. De raad heeft zich bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] tegen het ontwerpplan reeds op het standpunt gesteld dat het toekennen van een horecabestemming aan het perceel [locatie 1] in strijd zou zijn met zijn beleid, dat is neergelegd in het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2012. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het toekennen van een horecabestemming aan het perceel [locatie 1].

Het betoog faalt.

5.5. Ten aanzien van het betoog dat aan de gronden rondom het bedrijfsgebouw van [appellant sub 2] ten onrechte geen bedrijfsbestemming is toegekend, overweegt de Afdeling als volgt. De raad wenst dat de gronden, overeenkomstig de bestemming in het voorheen geldende plan, zullen worden gebruikt voor recreatie. De raad acht bedrijfsactiviteiten ter plaatse dan ook onwenselijk. Gelet op het voorgaande en de ruimtelijke bestemming van de omgeving ten behoeve van recreatie heeft de raad in redelijkheid van het wijzigen van de bestemming naar een bedrijfsbestemming kunnen afzien. Daarbij betrekt de Afdeling dat aan [appellant sub 2] geen toezegging is gedaan dat de bestemming zou worden gewijzigd.

Het betoog faalt.

5.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3] en anderen

6. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder b, van de planregels. Zij betogen dat voornoemde planregel ten onrechte in de directe nabijheid van hun woningen maatschappelijke voorzieningen toestaat op de sportvelden met de bestemming "Sport" aan de Mytylweg te Utrecht. Daartoe voeren zij aan dat maatschappelijke voorzieningen op deze gronden onder het voorheen geldende plan niet waren toegestaan en dat niet reeds voor het vaststellen van het plan is onderzocht of voor het toestaan van maatschappelijke voorzieningen op deze gronden belemmeringen zijn op het gebied van luchtkwaliteit, externe veiligheid en akoestiek. Daarnaast is volgens [appellant sub 3] en anderen niet onderzocht of het mogelijk maken van maatschappelijke voorzieningen leidt tot verkeers- en parkeeroverlast. Voorts worden door de begripsomschrijving in artikel 1, lid 1.65, van de planregels op de gronden meer maatschappelijke functies mogelijk gemaakt dan de raad blijkens het vaststellingsbesluit heeft beoogd, aldus [appellant sub 3] en anderen. Ook heeft de raad volgens hen geen ruimtelijke afweging gemaakt over het op de gronden toestaan van maatschappelijke voorzieningen.

6.1. De raad stelt dat hij op de betreffende gronden onder meer naschoolse opvang mogelijk wil maken. Degene die de gronden voor deze voorzieningen wil gebruiken dient volgens de raad aan te tonen dat er voor dat gebruik geen belemmerende milieuaspecten zijn, waarna het college van burgemeester en wethouders bij de beoordeling van een aanvraag zal nagaan of belemmeringen ten aanzien van luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering en akoestiek aan het verlenen van een vergunning in de weg staan.

6.2. Ingevolge artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge lid 23.2, mogen binnen de bestemming "Sport" uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

[…]

23.2.3 Specifieke gebruiksregels

Maatschappelijke voorzieningen zijn slechts toegestaan, als is aangetoond dat er voor de realisatie geen milieutechnische belemmeringen zijn vanuit de milieuaspecten luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering en akoestiek.

Ingevolge artikel 1, lid 1.65, wordt onder maatschappelijke voorzieningen verstaan voorzieningen inzake welzijn, zorg, volksgezondheid, religie, onderwijs, kinderopvang, buitenschoolse opvang, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.

6.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2011 in zaak nrs. 201110800/1/R1 en 201110800/2/R1) is het opnemen van een nader afwegingsmoment wat betreft de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden in beginsel niet aanvaardbaar. De ruimtelijke gevolgen van de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden moeten bij de planvaststelling zijn beoordeeld.

Uit artikel 23, lid 23.2, aanhef en onder 23.2.3, van de planregels blijkt dat in de gevallen waarin ingevolge lid 23.1, aanhef en onder b, maatschappelijke voorzieningen zijn toegestaan, een nadere afweging door het college van burgemeester en wethouders is vereist bij het verlenen van een omgevingsvergunning. Ten onrechte heeft de raad een ruimtelijke beoordeling van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van de verscheidene vormen van maatschappelijke voorzieningen achterwege gelaten. Hieruit volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat het plan op dit punt onvoldoende zekerheid biedt omtrent de vraag of voor een bouwinitiatief een omgevingsvergunning kan worden verkregen.

Het betoog slaagt.

6.4. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel 23, lid 23.1, onder b, en lid 23.2, onder 23.2.3, van de planregels is genomen in strijd met de rechtszekerheid en artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

7. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" aan de Blauwe Vogelweg te Utrecht. Zij betogen dat de raad ten onrechte de gevolgen van het verplaatsen en het verkleinen van het bouwvlak ter plaatse van de school aan de Blauwe Vogelweg niet heeft onderzocht. Zij stellen daartoe dat wanneer de school de bouwmogelijkheden optimaal wenst te benutten, de parkeer- en speelvoorzieningen deels aan de zijde van de Blauwe Vogelweg moeten worden geplaatst. Deze voorzieningen komen volgens [appellant sub 3] en anderen dan tegenover hun woningen te liggen, waardoor zij daarvan hinder ondervinden. Voorts stellen zij dat de te bebouwen oppervlakte voor de daar aanwezige school ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan is vergroot, doordat voor het kleinere bouwvlak een hoger maximaal bebouwingspercentage geldt. Zij betogen dat de gevolgen hiervan voor de toename van het verkeer ten onrechte niet zijn onderzocht en dat onvoldoende is verzekerd dat het plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

[appellant sub 3] en anderen betogen voorts dat aan het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" aan de Blauwe Vogelweg, voor zover daaraan in het plan geen bouwvlak is toegekend, de bestemming "Natuur" of "Groen" had moeten worden toegekend. Zij voeren daartoe aan dat op deze gronden op korte afstand van hun woningen gebouwen van ondergeschikte aard zijn toegestaan. Een natuurbestemming sluit volgens hen beter aan bij de omgeving.

7.1. De raad stelt dat het bouwvlak ter plaatse van de school aan de Blauwe Vogelweg ten opzichte van het voorheen geldende plan is verkleind, omdat dit leidt tot clustering van de binnen de groene hoofdstructuur gelegen bebouwing. Het maximale bebouwingspercentage is ten opzichte van het voorheen geldende plan van 50% naar 80% vergroot. De verkleining van het bouwvlak en de toename van het maximale bebouwingspercentage hebben volgens de raad tot gevolg dat het te bebouwen oppervlak in het plan 1.041 m2 kleiner is dan in het voorheen geldende plan. Daardoor veranderen de verkeerskundige situatie en de parkeersituatie niet, aldus de raad.

De raad stelt dat het toekennen van een natuurbestemming overeenkomstig het betoog van [appellant sub 3] en anderen, zou leiden tot een onevenredige beperking van de gebruiksmogelijkheden voor de school.

7.2. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Ter zitting is naar voren gekomen dat inmiddels is gebleken dat de uitbreidingsplannen van de school aan de Blauwe Vogelweg niet binnen het plan mogelijk zijn en dat daarmee beter dan in het plan wordt aangesloten bij de wensen van [appellant sub 3] en anderen. De raad heeft ter zitting aangegeven dat de bebouwing voor de school waarschijnlijk zal worden gerealiseerd buiten het bouwvlak zoals dat voor het schoolgebouw in het plan is opgenomen, zodat een nadere aanpassing van het plan zal zijn vereist. Daaruit blijkt dat de raad geen ruimtelijke bezwaren heeft tegen een andere plaats van het bouwvlak dan de plaats waar in het plan thans een bouwvlak is opgenomen. Nu is gebleken dat de raad ook een andere plaats van het bouwvlak aanvaardbaar acht waarbij meer tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van [appellant sub 3] en anderen, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

7.3. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond dat aan een deel van het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" de bestemming "Natuur" of "Groen" had moeten worden toegekend, geen bespreking meer.

7.4. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" aan de Blauwe Vogelweg te Utrecht is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 4]

De spoorlijn op het tracé Utrecht Centraal - Houten

8. [appellant sub 4] betoogt dat de gemeente de binnen de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" beoogde verbreding van de spoorlijn op het tracé Utrecht Centraal - Houten achter zijn woning aan de [locatie 2] te Utrecht ten onrechte in het plan heeft verwerkt. Tegenover de stelling van de raad dat hij daarmee voldoet aan de verplichting het tracébesluit "Sporen in Utrecht 2012 deeltracé Utrecht Centraal - Houten" (hierna: het Tracébesluit 2012) van de minister van Infrastructuur en Milieu van 31 augustus 2012 in het plan te verwerken, stelt [appellant sub 4] dat deze verplichting slechts bestaat voor zover het besluit onherroepelijk is geworden. Het Tracébesluit 2012, dat bij uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201209786/1/R4 is vernietigd, was ten tijde van de vaststelling van het plan echter nog niet onherroepelijk, aldus [appellant sub 4].

[appellant sub 4] betoogt voorts dat onvoldoende is gemotiveerd dat de geluidbelasting op zijn woning aan de [locatie 2] aanvaardbaar is. Daarbij had de raad de geluideffecten van het spoor en de voorziene trambaan ter hoogte van zijn woning moeten betrekken, aldus [appellant sub 4].

8.1. De raad stelt dat het tracé van de spoorverdubbeling niet ter discussie staat en dat ter voorkoming van aanvullende kosten het Tracébesluit 2012 reeds in het plan is betrokken. Nu het plan op de gronden met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" niets anders mogelijk maakt dan het Tracébesluit 2012, kon volgens de raad bij de vaststelling van het plan worden verwezen naar het akoestisch onderzoek dat ten behoeve van het Tracébesluit 2012 is verricht en de daarbij vastgestelde hogere waarden.

8.2. Ingevolge artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet stelt de raad binnen een jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) overeenkomstig het tracébesluit vast.

8.3. Ingevolge artikel 29, lid 29.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Railverkeer" aangewezen gronden bestemd voor railverkeer.

In paragraaf 3.4 van de plantoelichting staat dat het spoor tussen Utrecht Centraal en Houten zal worden uitgebreid en dat daarvoor een tracébesluit is genomen. Voorts is vermeld dat een tracébesluit moet worden vertaald in een bestemmingsplan en dat een deel van het tracé is overgenomen in de verbeelding van het plan.

In paragraaf 4.3.1 van de plantoelichting, onder ‘Spoorweglawaai’, staat dat voor de spoorverdubbeling van het tracé Utrecht Centraal - Houten in juni 2009 een tracébesluit is genomen. Er worden geluidsschermen aangebracht, maar ondanks deze geluidsschermen zijn er toch, in het kader van het tracébesluit, hogere grenswaarden vastgesteld, zo staat in de plantoelichting.

8.4. Het Tracébesluit 2012 is bij uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2013 in zaak nr. 201209786/1/R4 vernietigd. Derhalve was het Tracébesluit 2012 ten tijde van de vaststelling van het plan op 26 september 2013 niet onherroepelijk. De raad was dientengevolge niet ingevolge artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet verplicht het plan overeenkomstig het Tracébesluit 2012 vast te stellen.

Het voorgaande laat onverlet dat de raad wel bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig het nog niet onherroepelijke Tracébesluit 2012 ingeval het plan volgens de raad strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Uit de plantoelichting, het raadsvoorstel behorende bij het vaststellingsbesluit, de reactie op de zienswijze van [appellant sub 4] tegen het ontwerpplan en het verweerschrift blijkt echter dat de raad geen eigen afweging heeft gemaakt over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het onverplicht vaststellen van het plan overeenkomstig het Tracébesluit 2012. De raad heeft derhalve in het bestreden besluit niet gemotiveerd dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt.

8.5. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond van [appellant sub 4] ten aanzien van de geluidbelasting van de woning aan de [locatie 2] geen bespreking.

8.6. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

8.7. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover dat ziet op de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft op 1 april 2014 het "Tracébesluit Sporen in Utrecht 2014 deeltracé Utrecht Centraal - Houten" (hierna: het Tracébesluit 2014) vastgesteld ter vervanging van het Tracébesluit 2012. De Afdeling stelt vast dat tegen het Tracébesluit 2014 beroep was ingesteld, dat dit beroep inmiddels is ingetrokken en dat het Tracébesluit 2014 derhalve onherroepelijk is geworden, zodat de raad ingevolge artikel 13, tiende lid, van de Tracéwet verplicht is een bestemmingsplan overeenkomstig het Tracébesluit 2014 vast te stellen. Het Tracébesluit 2014 is ten aanzien van de gronden met de bestemming "Verkeer - Railverkeer" gelijkluidend aan het Tracébesluit 2012. Nu de raad aan deze plandelen in het plan reeds een bestemming heeft toegekend overeenkomstig het Tracébesluit 2012, komt deze bestemming overeen met de bestemming die de raad overeenkomstig het Tracébesluit 2014 zou moeten toekennen.

Het perceel Rijndijk 23

9. [appellant sub 4] richt zich tegen het als zodanig bestemmen van de loods en de paardenbak op het perceel Rijndijk 23 te Utrecht. Hij betoogt dat het daarmee legaliseren van de bestaande illegale situatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hij voert daartoe aan dat de raad ter onderbouwing van de legalisatie niet naar de verleende omgevingsvergunningen kan verwijzen, omdat deze vergunningen bij uitspraak van 17 juli 2013 door de rechtbank Midden-Nederland zijn vernietigd.

9.1. De raad stelt dat op het perceel Rijndijk 23 door het treffen van een aantal maatregelen een betere ruimtelijke inpassing wordt bereikt, waarbij een groot deel van de bebouwing wordt gesloopt en door het afzomen met beplanting het zicht vanaf de openbare weg in belangrijke mate door die beplanting wordt bepaald. Omdat de maatregelen die op het perceel zijn getroffen hebben geleid tot een betere landschappelijke inpassing van de daar aanwezige bebouwing, zijn de paardenbak en de loods in het plan als zodanig bestemd, aldus de raad.

9.2. Ter zitting is vast komen te staan dat de te slopen bebouwing inmiddels is verwijderd. De raad heeft toegelicht dat na de sloop en de landschappelijke inpassing de loods en de paardenbak ruimtelijk aanvaardbaar zijn. [appellant sub 4] heeft dit standpunt van de raad niet gemotiveerd bestreden. Evenwel acht de raad de landschappelijke inpassing, in de vorm van onder meer een bomenrij, noodzakelijk voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid, terwijl ter zitting is komen vast te staan dat deze landschappelijke inpassing nog niet is uitgevoerd. De Afdeling stelt vast dat de aanleg en instandhouding daarvan niet in het plan is geregeld. De raad heeft, ook ter zitting desgevraagd, niet aangetoond dat de aanleg en instandhouding van de bedoelde landschappelijke inpassing anderszins publiekrechtelijk gewaarborgd zijn. Het had daarom op de weg van de raad gelegen een planregel op te nemen, inhoudende dat het gebruik van de gronden overeenkomstig de bestemming "Bedrijf - 1" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenbak’ alleen dan planologisch is toegestaan, indien de vereiste landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan ook in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt.

9.3. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en op de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenbak’ ter plaatse van Rijndijk 23 te Utrecht, voor zover daarbij niet is bepaald dat het gebruik alleen is toegestaan indien de vereiste landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden, is genomen in strijd met artikel 3.1 van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

9.4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenbak’ ter plaatse van Rijndijk 23 te Utrecht met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Het beroep van [appellant sub 5]

10. [appellant sub 5] betoogt dat het gebruik van de tuin op zijn perceel aan de [locatie 3] te Utrecht ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hij voert daartoe aan dat de gemeente zich in een met hem gesloten erfpachtovereenkomst heeft verplicht zich in te spannen om bij de herziening van het bestemmingsplan de bestemming van het perceel te wijzigen zodat het gebruik als tuin is toegestaan.

10.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 5] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 5] gestelde omstandigheid dat bij de vaststelling van het plan ten aanzien van andere plandelen wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerpplan, waarbij in vergelijkbare gevallen tuinen wel als zodanig zijn bestemd. Voor zover [appellant sub 5] stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat de gemeente de toezegging uit de erfpachtovereenkomst zou nakomen en dat hij derhalve het ontwerpplan niet heeft hoeven te raadplegen, is daarin evenmin een rechtvaardiging gelegen voor het niet naar voren brengen van een zienswijze.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

Slotoverwegingen

11. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

12. Ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van De Nijvere Pier, [appellant sub 2] en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de vereniging Ekologische Tuiniervereniging "De Nijvere Pier" en anderen, voor zover dat is ingediend door twaalf leden van die vereniging, en het beroep van [appellant sub 5] geheel niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrecht van 26 september 2013, kenmerk 13.037271,

a. voor zover dat ziet op artikel 23, lid 23.1, onder b, en lid 23.2, onder 23.2.3, van de planregels;

b. voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Maatschappelijk - Onderwijs" aan de Blauwe Vogelweg te Utrecht;

c. voor zover dat ziet op de plandelen met de bestemming "Verkeer - Railverkeer";

d. voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en op de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - paardenbak’ ter plaatse van Rijndijk 23 te Utrecht, voor zover daarbij niet is bepaald dat het gebruik alleen is toegestaan indien de vereiste landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het betreft de onder III.c genoemde plandelen;

V. draagt de raad van de gemeente Utrecht op:

a. om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van het onder III.d genoemde plandeel en planonderdeel en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

b. om binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III.a en III.b worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. verklaart het beroep van de vereniging Ekologische Tuiniervereniging "De Nijvere Pier" en anderen voor het overige en het beroep van [appellant sub 2] geheel ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Utrecht tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan [appellant sub 3] en anderen tot een bedrag van € 25,94 (zegge: vijfentwintig euro en vierennegentig cent), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. aan [appellant sub 4] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Utrecht vergoedt:

a. aan [appellant sub 3] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

b. aan [appellant sub 4] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

w.g. Polak w.g. Plambeck

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

159-803.