Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201304235/2/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:2484, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank in de volgende zeven zaken uitspraak gedaan. Hierna is per zaak de nummering vermeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201304235/2/A3.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2013 in zaken nrs. 09/4143, 10/895, 09/2616, 10/4269, 09/4120, 09/3230 en 12/5660 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar.

Procesverloop

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank in de volgende zeven zaken uitspraak gedaan. Hierna is per zaak de nummering vermeld.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 09/4143 (hierna: 09/4143)

Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] van 6 januari 2009 om openbaarmaking van een aantal stukken gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 26 februari 2009 heeft het college een gelijkluidend besluit genomen ten aanzien van het verzoek van [appellant] van 29 januari 2009.

Bij besluit van 4 september 2009 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en de stukken verstrekt en voor het overige ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 10/895 (hierna: 10/895) op 14 augustus 2009 heeft het college het verzoek van [appellant] om aan hem het besluitadvies Z08.2379 te doen toekomen afgewezen.

Bij besluit van 28 januari 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 09/2616 (hierna: 09/2616)

Bij besluit van 15 januari 2009 heeft het college de verzoeken van [appellant] van 17 en 21 november 2008 om openbaarmaking van een aantal stukken afgewezen.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn verzoek van 17 november gegrond verklaard en dat verzoek onder wijziging van de motivering opnieuw afgewezen en het bezwaar tegen de afwijzing van het andere verzoek ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep voor zover het de onderdelen 1 en 2 (lees: onderdeel 2) betreft gegrond verklaard en voor zover het onderdeel 3 (lees: onderdelen 1 en 3) betreft ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 10/4269 (hierna: 10/4269)

Op 11 januari 2010 heeft het college het verzoek van [appellant] om een onderzoek in te stellen naar door hem gestelde onregelmatigheden en aan hem het digitale personeelsdossier te doen toekomen afgewezen.

Bij besluit van 15 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar wat betreft het onderzoek niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep voor zover dit betrekking heeft op de email van de bedrijfsarts gegrond verklaard (lees: het beroep voor zover dit betrekking heeft op de email van de bedrijfsarts gegrond verklaard en het besluit op bezwaar van 15 oktober 2010 in zoverre vernietigd) en voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en de f-map ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 09/4120 (hierna: 09/4120)

Bij besluit van 1 september 2009 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het college op zijn verzoek van 20 februari 2009, gegrond verklaard.

Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het college het verzoek om openbaarmaking van het besluitadvies Z06.2437 en onderliggende stukken afgewezen.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven (lees: het besluit van 3 februari 2010 wordt vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven).

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 09/3230 (hierna: 09/3230)

Bij besluit van 15 januari 2009 heeft het college [appellant] meegedeeld dat hij op afspraak zijn personeelsdossier in kan zien.

Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit door het college op zijn verzoek van 18 november 2009 voor zover het een door hem verzocht overzicht betreft, gegrond verklaard en het besluit van 15 januari 2009 herroepen.

Bij besluit van 30 juni 2009 heeft het college met toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) aan [appellant] kopieën van documenten met hem betreffende persoonsgegevens uit de personeels- en salarisadministratie verstrekt.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat de rechtsgevolgen in stand blijven (lees: het besluit van 30 juni 2009 wordt vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven).

Uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland in zaak nr. 12/5660 (hierna: 12/5660)

Bij besluit van 5 januari 2011 heeft het college het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van de openbare en niet-openbare besluitenlijsten van het college, alsmede de agenda’s en de verslagen van de collegevergaderingen, afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep voor zover dit ziet op de besluitenlijsten, de agenda’s en de verslagen ongegrond verklaard en voor het overige niet-ontvankelijk.

De uitspraak van de rechtbank is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2014, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente en bijgestaan door mr. L.S. van Loon, advocaat te ’s-Hertogenbosch, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 16 juli 2014 in zaak nr. 201304235/1/A3; hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling het college opgedragen binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in de overwegingen 5.7., 7.2. en 8.1. is overwogen nieuwe besluiten te nemen.

Bij beschikking van 11 september 2014 heeft de Afdeling deze termijn op verzoek van het college verlengd tot 24 september 2014.

Bij besluiten van 23 september 2014 heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak opnieuw op de bezwaren van [appellant] beslist.

Bij brief van 21 oktober 2014 heeft [appellant] een zienswijze ingediend over de besluiten van 23 september 2014.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb, heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:113, tweede lid, van de Awb kan de uitspraak van de hogerberoepsrechter, indien deze ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vierde lid verzoekt het bestuursorgaan, indien het verzoek te algemeen is geformuleerd, de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wbp wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. persoonsgegeven: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon;

b. verwerking van persoonsgegevens: elke handeling of elk geheel van handelingen met betrekking tot persoonsgegevens, waaronder in ieder geval het verzamelen, vastleggen, ordenen, bewaren, bijwerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiding of enige andere vorm van terbeschikkingstelling, samenbrengen, met elkaar in verband brengen, alsmede het afschermen, uitwissen of vernietigen van gegevens.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 35, tweede lid, bevat, indien zodanige gegevens worden verwerkt, de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, kan de verantwoordelijke de toepassing van artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen.

Het hoger beroep

2. Gelet op hetgeen in overweging 2.2. van de tussenuitspraak is overwogen, slaagt het betoog niet voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/4143 en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij rust.

3. Gelet op hetgeen in overweging 4.2. van de tussenuitspraak is overwogen, slaagt het betoog niet voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/2616 en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden bevestigd.

4. Gelet op hetgeen in overweging 6.2. van de tussenuitspraak is overwogen, slaagt het betoog niet voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/4120 en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden bevestigd.

5. Gelet op hetgeen in overweging 7.3. van de tussenuitspraak is overwogen, slaagt het betoog niet voor zover dat is gericht tegen de aangevallen uitspraak in zaak nr. 09/3230 en

betrekking heeft op de niet-geautomatiseerde persoonsgegevens en dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden bevestigd.

6. Gelet op hetgeen in overweging 3.2., 5.7., 7.2. en 8.1. van de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond.

De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank het beroep in zaak nr. 10/895 ongegrond heeft verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 januari 2010 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 1:3, eerste lid van de Awb. De Afdeling zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 augustus 2009 alsnog niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De aangevallen uitspraak dient in zaak nr. 09/3230 te worden vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit 30 juni 2009, voor zover het de geautomatiseerd verwerkte persoonsgegevens betreft, in stand heeft gelaten.

De aangevallen uitspraak dient in de zaken nrs. 10/4269 en 12/5660, voor zover aangevallen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van [appellant] in de zaken nrs. 10/4269 en 12/5660 in zoverre gegrond verklaren. Het besluit van 15 oktober 2010 dient wegens strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wbp in zoverre te worden vernietigd. Het besluit van 2 oktober 2012 dient wegens strijd met artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wob in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep tegen het besluit van 23 september 2014, zaak nr. 12/5660

7. Bij het nieuwe besluit op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in de besluitenlijsten in de periode 1 augustus 2005 tot en met 2 mei 2006 geen informatie is vermeld over [appellant] en/of op hem betrekking hebbende procedures. Voor zover die informatie in besluitenlijsten in de periode 1 januari 2010 tot en met 7 september 2010 wel is vermeld, heeft het college die alsnog openbaar gemaakt en aan [appellant] verstrekt.

7.1. [appellant] heeft hiertegen ingebracht dat het college met de verstrekking van de passages uit de besluitenlijsten niet aan zijn verzoek heeft voldaan. Omdat hij volgens de brief van het college van 10 april 2008 de naam van de opsteller, de datum van het advies, het registratienummer en het onderwerp moest noemen en hij bij gebreke van de besluiten deze gegevens niet heeft, wordt het recht op toegang tot bestuurlijke documenten in feite onmogelijk gemaakt, aldus [appellant].

7.2. Dit betoog slaagt niet.

Het college kon in redelijkheid het verzoek aldus opvatten dat het zag op de besluitenlijsten in de twee genoemde periodes voor zover daarin informatie over [appellant] of de door hem tegen de gemeente gevoerde procedures is vermeld. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, heeft het college voor het bepalen van de inhoud en omvang van het verzoek niet langer verlangd dat [appellant] de in de brief van 10 april 2008 genoemde gegevens zou overleggen. Nu [appellant] niet heeft gesteld dat in meer besluitenlijsten dan die openbaar zijn gemaakt de gevraagde informatie voorkomt en het college alle besluitenlijsten waarin de gevraagde informatie is vermeld, openbaar heeft gemaakt, heeft het college het verzoek van [appellant] volledig ingewilligd.

7.3. Het beroep is ongegrond.

Het beroep tegen het besluit van 23 september 2014, zaak nrs. 10/4269 en 09/3230

8. Bij het besluit van 23 september 2014 heeft het college de besluiten op bezwaar gehandhaafd en de bezwaren ongegrond verklaard. Het college heeft het verzoek om een overzicht van verwerkte persoonsgegevens van [appellant] in een aantal digitale mappen afgewezen met een beroep op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. Volgens het college staan de vrijheden van het bestuur en ondersteunende ambtenaren in de bedrijfsvoering en dagelijkse werkzaamheden daaraan in de weg.

8.1. [appellant] heeft aangevoerd dat het belang van het college en het belang van ongestoord intern beraad niet als gewichtige redenen als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van deWbp kunnen worden aangemerkt. Voorts hoeft volgens hem het doel van zijn verzoek niet gelijk te zijn aan het in de Wbp neergelegde doel om de verantwoordelijke te verzoeken onjuiste persoonsgegevens te rectificeren, uit te wissen of af te schermen.

8.2. Dit betoog slaagt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 februari 2011 in zaak nr. 201005110/1) gaat het bij een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp om gewichtige belangen op grond waarvan het noodzakelijk is een uitzondering te maken op het recht van de betrokkene op kennisneming en behoort het belang van de ongestoorde gedachtewisseling tussen ambtenaren daar niet toe.

Het belang van het college om zich vertrouwelijk te laten adviseren en het belang van de ambtenaren om onbelemmerd te adviseren, corresponderen en documenten voor te bereiden, kunnen niet worden aangemerkt als een recht of vrijheid van een ander dan de verzoeker als bedoeld in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. Het college heeft derhalve ten onrechte met een beroep op dit artikel de verzoeken afgewezen. Dat het doel van het verzoek van [appellant], zoals het college heeft gesteld, niet overeenkomt met het doel van de Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995 L 281; hierna: de Privacyrichtlijn), doet daar - wat daar ook van zij - niet aan af. Immers ingevolge die richtlijn en ingevolge de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt en de verantwoordelijke te verzoeken een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verstrekken los van het doel dat betrokkene met het verzoek voor ogen heeft. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in het arrest van 17 juli 2014, in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, Y.S., M. en S., ECLI:EU:C:2014:2081 onder meer heeft geoordeeld, heeft iedere betrokkene een recht op inzage, heeft het recht op inzage alleen betrekking op de opgenomen persoonsgegevens en volstaat het dat aan de betrokkene een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van al deze gegevens wordt verstrekt (punten 51-59). Voor het standpunt van het college dat volgens het Hof het doel van het verzoek overeen moet komen met het doel van de Privacyrichtlijn biedt het arrest geen aanknopingspunten.

8.3. Het beroep is gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2013 in zaken nrs. 09/4143, 10/895, 09/2616, 10/4269, 09/4120, 09/3230 en 12/5660, voor zover de rechtbank:

- het beroep in zaak nr. 10/895 ongegrond heeft verklaard,

- in zaak nr. 09/3230 de rechtsgevolgen van het besluit van 30 juni 2009, voor zover het de geautomatiseerd verwerkte persoonsgegevens betreft, in stand heeft gelaten,

- de beroepen in de zaken nrs. 10/4269 en 12/5660 ongegrond heeft verklaard;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevallen;

IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond:

- in de zaken nrs. 10/895 en 10/4269, voor zover het betrekking heeft op het digitale personeelsdossier,

- in zaak nr. 12/5660, voor zover dit ziet op de openbare en niet-openbare besluitenlijsten met betrekking tot het ontslag en beweerdelijke schade, de vertrouwelijke besluitenlijsten en de agenda’s en verslagen van het college;

V. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 28 januari 2010, kenmerk U10.368, van 15 oktober 2010, kenmerk U10.3462 en van 2 oktober 2012, kenmerk U12.4811 in zoverre;

VI. verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 augustus 2009 alsnog niet-ontvankelijk;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 28 januari 2010;

VIII. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2014 in zaak nr. 12/5660 ongegrond;

IX. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2014 in zaken nrs. 09/3230 en 10/4269 gegrond;

X. vernietigt het besluit van 23 september 2014, kenmerk U14.005445;

XI. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit in de zaken nrs. 09/3230 en 10/4269 slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

XII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 47,40 (zegge: zevenenveertig euro en veertig cent);

XIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 689,00 (zegge: zeshonderdnegenentachtig euro) voor de behandeling van het beroep in zaak nrs. 10/895, 10/4269 en 12/5660 en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Tuyll van Serooskerken

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

290.