Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201400912/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6029, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400912/1/A2.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 december 2013 in zaak nr. 13/2799 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep doorgezonden naar de Raad van State.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. K. Achefai, beiden werkzaam bij het centraal kantoor van de raad te Utrecht, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand niet verleend indien het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft, de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft, tenzij:

1º. voortzetting van het beroep of bedrijf voor zover het niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gevoerd, afhankelijk is van het resultaat van de aangevraagde rechtsbijstand, of

2º. het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd, de aanvrager in eerste aanleg als verweerder bij de procedure is betrokken of betrokken is geweest en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed.

2. Tussen [appellant], zijn ex-echtgenote en zijn zoon bestond een maatschap die tot doel had de uitoefening van een landbouw- en veeteeltbedrijf. Deze maatschapsverhouding is bij notariële akte van 24 maart 1993 vastgelegd. Op 1 maart 2010 is door de maten een intentieverklaring ondertekend, waarin onder meer is neergelegd dat de maatschap per 1 januari 2010 zal worden ontbonden en dat het agrarisch bedrijf vanaf die datum wordt voortgezet door de zoon van [appellant]. Tussen [appellant] en zijn zoon is nadien een geschil ontstaan over de ontbinding van de maatschap. Bij vonnis van de rechtbank Almelo van 23 mei 2012 is geoordeeld dat [appellant] gehouden is zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de tussen partijen gesloten intentieverklaring. De rechtbank heeft in het vonnis evenwel een aantal andere vorderingen van de zoon van [appellant] afgewezen. Dit vormde voor de zoon aanleiding om tegen het vonnis hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem in te stellen.

De rechtsbijstand waarvoor de toevoeging is verzocht, heeft betrekking op het voeren van verweer in hoger beroep en het instellen van incidenteel hoger beroep.

3. De raad heeft de toevoeging geweigerd, omdat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft voortvloeit uit de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb en de in die bepaling vermelde uitzonderingen niet van toepassing zijn.

De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat het rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft voortvloeit uit de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf. Verder heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, ten tweede, van de Wrb bedoelde uitzondering op de in die aanhef en onder e vermelde hoofdregel, dat in een dergelijke situatie geen rechtsbijstand wordt verleend, zich ten tijde van de aanvraag om toevoeging voordeed.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door aldus te overwegen, heeft miskend dat in zijn geval is voldaan aan de voorwaarde van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, ten tweede, van de Wrb, dat het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd. Hij voert daartoe aan dat, gelet op de intentieverklaring, de maatschap per 1 januari 2010 is ontbonden. De afspraken van de intentieverklaring zijn uiteindelijk in rechte komen vast te staan, aldus [appellant].

4.1. Het geschil tussen [appellant] en zijn zoon heeft betrekking op de tussen hen gesloten maatschapsovereenkomst. Dit rechtsbelang betreft de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, zodat de hoofdregel van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb zich tegen de verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand verzet.

Voorts gaat het geschil tussen [appellant] en zijn zoon over de rechtsvorm van het landbouw- en veeteeltbedrijf. Anders dan waar [appellant] met zijn betoog vanuit gaat, is het bedrijf niet beëindigd. Het is immers voortgezet door zijn zoon. Evenmin leidt de door hem betwiste ontbinding van de maatschapsovereenkomst tot een beëindiging van het bedrijf. Reeds om die reden doet de uitzondering van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, ten tweede, van de Wrb zich in dit geval niet voor. De Afdeling komt daarom, anders dan de rechtbank, niet toe aan een verdere bespreking van het betoog van [appellant] over deze uitzonderingssituatie.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de raad de gevraagde toevoeging terecht heeft geweigerd. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

5. Het betoog van [appellant] dat toepassing van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wrb in zijn geval ertoe leidt dat het recht op toegang tot de rechter, zoals neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, wordt aangetast, is niet in beroep bij de rechtbank aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak en er in dit geval geen reden is waarom dit betoog niet reeds voor de rechtbank had kunnen worden aangevoerd, dient dit betoog buiten beschouwing te blijven.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

710.