Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201310798/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 september 2013, kenmerk Z-6183-WS/1170, heeft de raad het bestemmingsplan "4e gedeeltelijke herziening Landelijk gebied 2004" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201310798/1/R3.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

de raad van de gemeente Wassenaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 september 2013, kenmerk Z-6183-WS/1170, heeft de raad het bestemmingsplan "4e gedeeltelijke herziening Landelijk gebied 2004" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland, advocaat te Den Haag, [appellant sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door E.H.J. Blanker, J.J. Offringa en W.M. Stok, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het Rijksvastgoedbedrijf, vertegenwoordigd door B.B. Kool, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 1]

2. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" voor de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177. [appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte een agrarische bedrijfsbestemming aan deze plandelen heeft toegekend, omdat deze bestemming niet strookt met het feitelijke gebruik van de gronden. Naar zijn mening dient op deze gronden het weiden en trainen van paarden te worden toegestaan. Daarnaast voert hij aan dat artikel 16, zevende lid, van de planregels rechtsonzeker is. Niet duidelijk is onder welke voorwaarden gebruik zal worden gemaakt van de in deze bepaling opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de wijziging van de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" in "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik".

Voorts is het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" voor de gronden achter het perceel Deijlerweg 175. [appellant sub 1] betoogt dat de regeling voor deze bestemming rechtsonzeker is. Hij vreest dat het gebruik voor het houden en trainen van paarden op deze gronden niet is toegestaan. Verder is het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen dit plandeel voor zover bestaande bijgebouwen op zijn percelen niet als zodanig zijn bestemd.

2.1. De raad stelt dat het gebruik van de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177 voor zover het betreft het houden van paarden uitsluitend een hobbymatig karakter heeft en dat hij dit gebruik als zodanig heeft willen bestemmen. De raad stelt zich op het standpunt dat dit gebruik binnen de plandelen met de bestemmingen "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" en "Woondoeleinden I" is toegestaan.

2.2. In haar uitspraak van 14 september 2012, in zaak nr. 200907629/1/R1, heeft de Afdeling het besluit van 6 juli 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "3e gedeeltelijke herziening Landelijk gebied 2004" vernietigd, voor zover het onder meer betreft het plandeel gelegen aan de Deijlerweg 175 en 177 en de percelen kadastraal bekend als Gemeente Wassenaar, sectie B, 10928, 10929, 10930, 10931, 10932, 10938 en 11376 alsmede de percelen nabij het Ammonslaantje 31, kadastraal bekend als Gemeente Wassenaar, sectie B, 11373 en 11374 met de bestemming "Stalgebouw (stg)". Met het plan beoogt de raad onder meer het vernietigde plandeel te herstellen.

2.3. Aan de plandelen die betrekking hebben op de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177 is de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" toegekend.

Aan het plandeel dat betrekking heeft op de gronden achter het perceel Deijlerweg 175 waarop een paardenstal en een rijhal staan, is de bestemming "Woondoeleinden I" toegekend. Aan het plandeel waarop een buitenbak staat, is geen bestemming toegekend, maar wel de aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan".

Ingevolge artikel 2 van de planregels wordt in deze regels verstaan onder paardenbak: een al dan niet met een hek of afrastering afgezette ruimte voor het trainen van paarden.

Voor de definitie van paddock wordt verwezen naar paardenbak.

Ingevolge artikel 16, lid 1.1, zijn de op de kaart als "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" aangegeven gronden bestemd voor:

a. de ontwikkeling van duurzame landbouw;

b. de bedrijfsvoering van grondgebonden agrarische bedrijven;

c. en de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering op bestaande, op de kaart aangegeven agrarische bouwpercelen en/of agrarische bouwsteden;

alsmede

d. het behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden bestaande uit onder meer weidevogels, graslandvegetaties en vegetatie van slootoevers;

e. de openheid en het verkavelings-/slotenpatroon;

f. het behoud van de graslandvegetaties en de daarmee samenhangende vogelkundige en cultuurhistorische waarden van het gebied;

en

g. kleinschalige landschapselementen;

h. extensief recreatief medegebruik;

voor zover deze laatste doelen zijn afgestemd op eerstgenoemde doelen a. tot en met f., met daarbij behorende bouwwerken een en ander met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 1 (hoofdlijnen van beleid, van toepassing op het gehele plangebied) met betrekking tot de in artikel 16, eerste lid, bedoelde bestemming de in dit lid onder 2.1 en 2.2, vermelde hoofdlijnen van beleid.

Ingevolge het zevende lid is het college van burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen waarbij de in lid 1.1 genoemde bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" mag worden gewijzigd in de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" als bedoeld in artikel 15, gericht op de ontwikkeling van natuurwaarden, waarbij een eventueel agrarisch medegebruik uitsluitend gericht is op het behoud, de versterking en/of het herstel van natuurwaarden. Uitvoering van dit beleid zal plaatsvinden in overleg met belanghebbenden. Daarbij kunnen beheerovereenkomsten worden gesloten over de ontwikkeling van natuurwaarden en een daarop gericht beheer. Indien het college van burgemeester en wethouders toepassing wenst te geven aan deze bepaling dient de procedure te worden gevolgd als omschreven in artikel 6, lid 2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, zijn de op de kaart als "Woondoeleinden I" aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden met de daarbij behorende bouwwerken, erven en tuinen, een en ander met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid, alsmede voor bedrijfserven ter plaatse van de aanduiding "bedrijfserf", paddocks uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan" alsmede ter bescherming van natuurwaarden, landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden.

Ingevolge het tweede lid gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 1 met betrekking tot de in artikel 20, eerste lid, bedoelde bestemming de in dit lid onder 2.1 tot en met 2.4 vermelde hoofdlijnen van beleid.

2.4. De raad heeft het hobbymatig houden van paarden op de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177 als zodanig willen bestemmen door aan het plandeel voor deze gronden de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" toe te kennen. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat dit gebruik is toegestaan, omdat ingevolge artikel 16, lid 1.1, onder h, van de planregels extensief recreatief medegebruik is toegestaan, overweegt de Afdeling dat het hobbymatig houden van paarden niet aangemerkt kan worden als extensief recreatief medegebruik, nu de gronden achter het perceel niet voor de in artikel 16, lid 1.1, van de planregels genoemde agrarische bedrijfsdoeleinden worden gebruikt. Anders dan de raad veronderstelt, is het hobbymatig houden van paarden derhalve niet ingevolge artikel 16, lid 1.1, onder h, van de planregels toegestaan. Ook is het hobbymatig houden van paarden niet toegestaan ingevolge artikel 16, tweede lid, van de planregels, reeds omdat deze bepaling de hoofdlijnen van het beleid voor deze bestemming bevat en geen gebruik bij recht toestaat. Nu de raad het hobbymatig houden van paarden mogelijk heeft willen maken op de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177, maar daarvoor geen adequate regeling in het plan heeft opgenomen, is het bestreden besluit in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden tegen de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" voor de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177 geen bespreking.

2.5. Voorts heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat binnen de bestemming "Woondoeleinden I" het hobbymatig houden van paarden is toegestaan. Daarbij is van belang dat dit gebruik niet binnen de doeleindenomschrijving van deze bestemming van artikel 20 van de planregels valt. Voor zover de raad stelt dat dit gebruik is toegestaan ingevolge artikel 20, lid 2.1, van de planregels, overweegt de Afdeling dat de in deze bepaling opgenomen hoofdlijnen van beleid geen gebruik bij recht toestaan. Nu [appellant sub 1] zijn betoog dat de bestaande bijgebouwen binnen de bestemming "Woondoeleinden I" niet als zodanig zijn bestemd ter zitting heeft toegespitst op het ten onrechte ontbreken van de mogelijkheid voor het hobbymatig houden van paarden in aaneengebouwde bijgebouwen, slaagt ook dit betoog. Overigens ziet het beleid in artikel 20, lid 2.1, van de planregels volgens de raad op het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor het hobbymatig houden van paarden en heeft de raad de stelling van [appellant sub 1] niet bestreden dat de bijgebouwen binnen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" niet vrij staan.

Binnen het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" is het trainen van paarden toegestaan, voor zover aan dit plandeel de aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan" is toegekend. Nu aan het plandeel waarop de buitenbak staat de bestemming "Woondoeleinden I" niet is toegekend en de regels voor deze bestemming derhalve voor dit plandeel niet van toepassing zijn, is het trainen van paarden ter plaatse van de buitenbak evenmin toegestaan. De raad heeft dit niet onderkend.

Nu de raad het hobbymatig houden van paarden mogelijk heeft willen maken ter plaatse van de paardenstal, rijhal en buitenbak, maar daarvoor geen adequate regeling in het plan heeft opgenomen, is het bestreden besluit in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

3. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" voor de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177, het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" voor de gronden achter het perceel Deijlerweg 175 en het plandeel met de aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan" voor de gronden achter het perceel Deijlerweg 175, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" voor het perceel kadastraal bekend gemeente Wassenaar sectie E, nummer 2092, ter hoogte van de Leidsestraatweg. [appellant sub 2] betoogt dat de raad het gebruik van het perceel voor de hoveniersdoeleinden mogelijk had moeten maken, omdat dit perceel op kleine schaal als zodanig in gebruik is. Hij stelt dat de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel nog steeds voortduurt, hoewel over de beëindiging van de pachtovereenkomst door de eigenaar van het perceel een civiele procedure aanhangig is.

4.1. De raad stelt dat de toekenning van de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" aan het plandeel voor het perceel verband houdt met de bouw van de ambassade van de Verenigde Staten van Amerika op een locatie in de nabijheid van het perceel. Voorts stelt de raad dat het Rijk als eigenaar van het perceel de pachtovereenkomst met betrekking tot het perceel heeft opgezegd.

4.2. Aan het plandeel dat betrekking heeft op het perceel ter hoogte van de Leidsestraatweg is de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" toegekend.

De Afdeling begrijpt de plansystematiek aldus dat in artikel 15 van de planregels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" de regeling is opgenomen voor deze bestemming.

Ingevolge artikel 15 van de planregels van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden primair bestemd voor:

a. behoud, versterking en/of ontwikkeling van de aan de gronden eigen zijnde natuurwaarde;

b. behoud, versterking en/of herstel van de aan de gronden eigen zijnde landschapswaarde, bestaande uit openheid en het kavel-/slotenpatroon en de hoogteligging;

en secundair voor:

c. de ontwikkeling van duurzame landbouw en de uitoefening van de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering (rundveehouderij) op de op de kaart aangegeven agrarische bouwpercelen of agrarische bouwsteden;

d. extensieve recreatieve natuurbeleving;

met daarbij behorende bouwwerken een en ander met inachtneming van het bepaalde in lid 2.

4.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

De keuze van de raad om op het perceel de ontwikkeling van natuur mogelijk te maken als compensatie voor de bouw van de ambassade Verenigde Staten van Amerika is niet onredelijk. Voorts is aannemelijk dat het kleinschalige gebruik van het perceel voor hoveniersdoeleinden binnen de planperiode zal eindigen, omdat het Rijk de pachtovereenkomst met betrekking tot dit perceel heeft opgezegd. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid aan het plandeel voor het perceel de bestemming "Gebied met natuur- en landschapswaarden en agrarisch medegebruik" kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

5. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Slotoverwegingen

6. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Bij het stellen van de termijn betrekt de Afdeling dat een nieuw bestemmingsplan voor het landelijk gebied van Wassenaar in voorbereiding is waarin de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177 zijn opgenomen.

7. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Wassenaar van 23 september 2013, kenmerk Z-6183-WS/1170, voor zover het betreft:

a. de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, gebied met landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden" voor de gronden achter de percelen Deijlerweg 175 en 177; en

b. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden I" voor de gronden achter het perceel Deijlerweg 175;

c. het plandeel met de aanduiding "paddock of buitenbak toegestaan" voor de gronden achter de percelen Deijlerweg 175;

III. draagt de raad van de gemeente Wassenaar op om binnen 40 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen genoemd onder III, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Wassenaar tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Wassenaar aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro).

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

w.g. Michiels w.g. Man

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

629.