Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201311245/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Regionaal bedrijventerrein Twente (RBT) Tranche 3a" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet milieubeheer
Besluit luchtkwaliteit
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2014-0271
JOM 2014/1199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311245/1/R1.

Datum uitspraak: 19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats], gemeente Almelo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Regionaal bedrijventerrein Twente (RBT) Tranche 3a" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam Regionaal Bedrijventerrein Twente (hierna: het openbaar lichaam RBT) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J. Paalman, advocaat te Almelo, en H. Leferink, en het college, vertegenwoordigd door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede, en M.T Hendriks en E.R. Jasper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord het algemeen bestuur van het openbaar lichaam RBT, vertegenwoordigd door mr. B.S. ten Kate, advocaat te Arnhem, en A. van Gellicum.

Overwegingen

1. Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Regionaal Bedrijventerrein Twente (RBT)" (hierna: het bestemmingsplan), dat door de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2008 (in zaak nr. 200701994/1) in rechte onaantastbaar is geworden.

2. Bij de beoordeling van een uitwerkingsplan staat voorop dat aan een uitwerkingsplicht in een bestemmingsplan gevolg dient te worden gegeven en dat daarbij de uitwerkingsregels dienen te worden toegepast. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat aan deze verplichting kan worden voorbijgegaan. Het voorgaande brengt met zich dat door het onherroepelijk worden van een bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming in het kader van een uitwerkingsplan in beginsel als een gegeven moet worden beschouwd. Aldus kan slechts ter beoordeling staan of de gekozen inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming is met de uitwerkingsregels en een goede ruimtelijke ordening.

3. [appellant] betoogt dat het college de economische en financiële uitvoerbaarheid van het uitwerkingsplan onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college heeft wat betreft de economische uitvoerbaarheid niet mogen volstaan met een verwijzing naar het bestemmingsplan, nu tussen de vaststelling van het bestemmingsplan en de vaststelling van het uitwerkingsplan meer dan zeven jaar zijn verstreken en in deze periode sprake was van een economische crisis. Voorts wijst [appellant] erop dat de gronduitgifte trager verloopt dan gepland. De verwezenlijking van het uitwerkingsplan zou volgens [appellant] leiden tot meer braakliggende gronden en leegstaande gebouwen, terwijl er nog een substantiële grondvoorraad is.

Wat betreft de financiële uitvoerbaarheid voert [appellant] aan dat de financiële positie van het openbaar lichaam RBT zorgelijk is. In dit verband verwijst [appellant] naar de jaarstukken van het openbaar lichaam RBT over 2013 en een motie aangenomen door de Provinciale Staten van Overijssel op 28 mei 2014 (hierna: de motie).

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het aan [appellant] was om zijn stelling dat het uitwerkingsplan niet uitvoerbaar is, te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan. De enkele verwijzing naar het tijdsverloop en de economische crisis is in dit verband onvoldoende. Voorts verwijst het college naar het rapport "Marktstudie XL Businesspark Twente" van 21 november 2012 van ECORYS Nederland B.V, het rapport "Herijking bedrijventerreinenvisie Netwerkstad Twente 2013" van 8 november 2013 en het rapport "Herijking bedrijventerreinenvisie Netwerkstad Twente, Actualisering ruimtebehoefte en programmering bedrijventerreinen" van 9 juli 2013. Uit deze rapporten blijkt volgens het college dat de behoefte aan het bedrijventerrein nog steeds actueel is.

De financiële uitvoerbaarheid is volgens het college gewaarborgd. Het verwijst naar de grondexploitatie per 1 januari 2013, zoals vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam RBT. Het actuele tekort per 1 januari 2013 bedroeg € 11,3 miljoen. Dit tekort wordt gedekt door de deelnemers aan het openbaar lichaam RBT. Ook het tekort per 1 januari 2014 wordt gedekt door de deelnemers aan het openbaar lichaam RBT, aldus het college.

3.2. Wat betreft de economisch uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat zich na de vaststelling van het bestemmingsplan zodanige veranderingen hebben voorgedaan, dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan niet meer kon worden uitgegaan van het bestemmingsplan. De enkele verwijzing van [appellant] naar de economische crisis en zijn stelling dat de gronduitgifte trager loopt dan verhoopt, is onvoldoende om niet meer uit te gaan van het bestemmingsplan. Daarbij heeft het college met de door hem overgelegde rapporten inzichtelijk gemaakt dat deze behoefte aan het bedrijventerrein nog steeds actueel is, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bedrijventerrein niet exploitabel zal zijn.

Het betoog faalt.

3.3. Wat betreft de financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben de provincie Overijssel en de gemeenten Almelo, Borne, Enschede en Hengelo de gemeenschappelijke regeling Regionaal Bedrijventerrein Twente vastgesteld. Eerder heeft de Afdeling overwogen dat gezien de in deze gemeenschappelijke regeling voorgeschreven borgstelling voor het gecalculeerde tekort en de gecalculeerde risico's en de bepalingen omtrent de financiële afwikkeling bij uittreding, de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling van het RBT op de locatie Almelo-Zuid is gewaarborgd (uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006 in zaak nr. 200505698/1). Deze uitspraak had betrekking op het beroep tegen het besluit van provinciale staten van Overijssel van 13 april 2005 tot vaststelling van de "Partiële herziening Regionaal Bedrijventerrein Twente van het Streekplan Overijssel 2000+"

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college dat het tekort van het openbaar lichaam wordt gedekt door de deelnemers aan het openbaar lichaam RBT achterhaald of anderszins onjuist is. Dit blijkt ook niet uit de jaarstukken en de motie waarnaar [appellant] heeft verwezen. Mede bezien in het licht van de uitspraak van 19 april 2006 bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan wat betreft de financiële uitvoerbaarheid niet meer kon worden uitgegaan van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat bij de vaststelling van het uitwerkingsplan onvoldoende rekening is gehouden met zijn financiële belangen en zijn bedrijfsbelangen. Anders dan het college heeft gesteld worden deze belangen niet gewaarborgd in een onteigenings- dan wel in een ontpachtingsprocedure, aldus [appellant]. Volgens [appellant] wordt zijn bedrijfsvoering onmogelijk gemaakt doordat bedoelde procedures niet gelijktijdig plaatsvinden en geen betrekking hebben op al zijn percelen. Hierdoor zal hij achter blijven met een deel van zijn bedrijf dat economisch niet levensvatbaar zal zijn, aldus [appellant]. Daarnaast heeft de situering van het plangebied tot gevolg dat een deel van zijn bedrijf onbereikbaar wordt.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan de belangen van [appellant] zijn afgewogen en dat daarbij een groter gewicht is toegekend aan het belang dat is gediend met de vestiging van het RBT. Het algemeen bestuur heeft volgens het college nog altijd de intentie tot verwerving van alle gronden en opstallen van [appellant]. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam RBT heeft zich daarbij bereid verklaard de gronden van [appellant] die niet in het plangebied liggen te verwerven op grond van de uitgangspunten van de onteigeningswet. Tussen het algemeen bestuur en [appellant] is echter nog steeds geen overstemming bereikt. Daarom heeft het algemeen bestuur een onteigeningsprocedure ingezet en een procedure bij de pachtkamer van de rechtbank Overijssel gestart om de pachtovereenkomsten te ontbinden. Volgens het college is aldus een passende schadeloosstelling gewaarborgd.

4.2. Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de belangen van [appellant] en het belang dat is gediend met de vestiging van het RBT reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan tegen elkaar zijn afgewogen. Dat er thans tussen [appellant] en het algemeen bestuur nog steeds geen overeenstemming is bereikt over een schadeloosstelling, leidt niet tot de conclusie dat de financiële belangen van [appellant] niet meer voldoende zijn gewaarborgd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het algemeen bestuur heeft toegezegd de gronden van [appellant] die niet in het plangebied liggen te verwerven op grond van de uitgangspunten van de onteigeningswet. Wat betreft de stelling van [appellant] dat de realisatie van het uitwerkingsplan tot gevolg heeft dat een deel van zijn bedrijf onbereikbaar wordt, neemt de Afdeling in aanmerking dat het college ter zitting heeft toegezegd dat de realisatie van het uitwerkingsplan niet tot gevolg zal hebben dat het bedrijf van [appellant] onbereikbaar wordt.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat bij de vaststelling van de geurverordening ten onrechte geen rekening is gehouden met het veebedrijf op de [locatie], waar zowel rundvee als varkens worden gehouden. Het college had daarom volgens [appellant] bij de vaststelling van het uitwerkingsplan de geurverordening buiten toepassing moeten laten.

5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de achtergrond geurbelasting van het veebedrijf aan de [locatie] wel bij de vaststelling van de geurverordening is betrokken. Volgens het college zal het veebedrijf worden opgekocht of onteigend.

5.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) betrekt het bevoegd gezag bij een beslissing inzake vergunningverlening voor het oprichten of veranderen van een veehouderij de geurhinder door de geurbelasting vanwege tot veehouderijen behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze als aangegeven bij of krachtens de artikelen 3 tot en met 9.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wgv dient een vergunning voor een veehouderij te worden geweigerd indien de geurbelasting voor een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied en binnen de bebouwde kom, meer dan 3 odour units per m³ lucht bedraagt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de waarde genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, met dien verstande dat deze andere waarde binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom niet minder bedraagt dan 0,1 odour units per m³ lucht en niet meer dan 14,0 odour units per m³ lucht.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wgv betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde of afstand, bedoeld in artikel 6, in elk geval:

a. de huidige en de te verwachten geursituatie vanwege de veehouderijen in het gebied;

b. het belang van een geïntegreerde aanpak van de verontreiniging, en

c. de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu.

Ingevolge het tweede lid van artikel 8, betrekt de gemeenteraad bij het bepalen van de andere waarde of afstand tevens de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied of de afwijkende relatie tussen geurbelasting en geurhinder.

5.3. Op 9 september 2008 heeft de raad van de gemeente Almelo een gemeentelijke verordening krachtens artikel 6, eerste lid, van de Wgv vastgesteld (hierna: de geurverordening).

Ingevolge artikel 3 van de geurverordening bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij, voor zover de geur gevoelige objecten zich bevinden in het gebied van het uitwerkingsplan, ten hoogste 14 odour units per m³ lucht.

5.4. Aan een algemeen verbindend voorschrift, als neergelegd in de geurverordening, kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel.

5.5. Aan de geurverordening is ten grondslag gelegd de "Gebiedsvisie geur ten behoeve van een verordening geurhinder en veehouderij voor de realisatie van het XL-park te Almelo" (hierna: de gebiedsvisie) van 28 februari 2012. Ten behoeve van de gebiedsvisie zijn gegevens over de geurbelasting van veehouderijen in kaart gebracht. In de gebiedsvisie wordt vermeld dat hierbij in beschouwing is genomen wat de berekende invloed van veehouderijen, waaronder het veebedrijf op de [locatie], op de achtergrondconcentratie is op basis van de vergunde situatie.

5.6. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd niet betwist dat, zoals wordt vermeld in de gebiedsvisie, bij het vaststellen van de gebiedsvisie het veebedrijf op de [locatie] in beschouwing is genomen. Het aangevoerde biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat de geurverordening in strijd is met artikel 8 van de Wgv. Gelet hierop kon het college deze verordening aan de vaststelling van het uitwerkingsplan ten grondslag leggen.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat artikel 4 van de planregels in strijd met de geurverordening binnen 50 meter van de bedrijfsgebouwen op de [locatie a] de exploitatie van een horecabedrijf mogelijk maakt. Zo lang ter plaatse sprake is van agrarische exploitatie, is dit volgens [appellant] niet toegestaan.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat zodra de ontpachting gerealiseerd is, [locatie a] geen belemmering zal vormen om het uitwerkingsplan te realiseren.

6.2. Ingevolge artikel 4 van de geurverordening bedraagt binnen het gebied van het uitwerkingsplan de afstand tussen een "veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld" en een binnen het uitwerkingsplan gelegen geurgevoelig object ten minste 50 meter. De afstand dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling geurhinder en veehouderij te worden gemeten.

6.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1. van de planregels zijn de voor "Bedrijf-3" aangewezen gronden bestemd voor:

a. een horecabedrijf, zoals vermeld in de bij deze regels behorende Staat van Horeca-activiteiten;

b. een servicestation;

c. het uitoefenen van bedrijven/bedrijvigheid die voorkomen/voorkomt in de milieucategorieën 1 tot en met 3, zoals vermeld in de bij deze regels behorende, Staat van Bedrijfsactiviteiten, met inachtneming van de milieuzonering zoals aangegeven op de plankaarten B en C behorende bij het bestemmingsplan en de op basis hiervan voorgeschreven afstanden bij de onderscheiden milieuaspecten zoals genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede voor bedrijven die beoordeeld naar de concrete bedrijfsactiviteit en invloed op de omgeving van het bedrijventerrein gelijk te stellen zijn met genoemde bedrijven;

d. bedrijfsgebonden kantoren met dien verstande dat de bruto-vloeroppervlakte van bedrijfsgebonden kantoren maximaal 1.500 m² per bouwperceel mag bedragen;

e. handhaving van cultuurhistorische elementen zoals erfbeplanting en bestaande bebouwing;

f. nutsvoorzieningen;

g. met de bij a t/m f behorende gebouwen en andere bouwwerken.

6.4. Aan de gronden van de [locatie a] is in het uitwerkingsplan de bestemming "Bedrijf - 3" toegekend. Artikel 4, lid 4.1.1. van de planregels staat derhalve in de weg aan de agrarische exploitatie van deze gronden. Dat deze gronden thans feitelijk nog agrarisch geëxploiteerd worden is in zoverre niet van belang.

Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat het uitwerkingsplan niet aan de uitwerkingsvoorschriften van het bestemmingsplan voldoet voor zover het de luchtkwaliteit betreft. Ingevolge artikel 4, onder G, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de grenswaarden van de luchtkwaliteit zoals gesteld in het Besluit luchtkwaliteit niet worden overschreden. Gelet hierop stelt het college zich ten onrechte op het standpunt dat de afweging omtrent de luchtkwaliteit reeds heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van het bestemmingsplan en niet opnieuw hoeft te worden aangetoond, aldus [appellant].

7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan de effecten op de luchtkwaliteit zijn meegewogen. Het wijst er in dit verband op dat ingevolge artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, een uitwerkingsplan is uitgezonderd van het onderzoek naar de luchtkwaliteit. Daarnaast verwijst het naar artikel V van de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen).

Voorts stelt het college zich op het standpunt dat wordt voldaan aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: het Blk 2005). In paragraaf 4.4.3 van de toelichting op het uitwerkingsplan wordt vermeld dat recente berekeningen aantonen dat de verkeersaantrekkende werking en de bedrijven op het bedrijventerrein XL Business Park geen dusdanige invloed op de luchtkwaliteit hebben dat de normen worden overschreden. Het college verwijst naar een memo van SAB van 26 februari 2014 "bedrijventerrein XL Businesspark Twente tranche 3a" (hierna: het memo) waarin wordt geconcludeerd dat voor zowel fijnstof als voor stikstofdioxide wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Blk 2005.

7.2. Ingevolge artikel 4, onder G, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, werkt het college van burgemeesters en wethouders de in artikel 4 lid A omschreven bestemming uit overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waarbij wordt aangetoond dat de grenswaarden van de luchtkwaliteit zoals gesteld in het Blk 2005 niet worden overschreden.

7.3. Ingevolge artikel V van de Wet van 11 oktober 2007 zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer, bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit of ontwerpbesluit, noch op ter uitvoering daarvan strekkende besluiten, overige rechtshandelingen en feitelijke handelingen. In een rechterlijke procedure ten aanzien van een besluit of een ter uitvoering daarvan strekkend besluit, overige rechtshandeling of feitelijke handeling als bedoeld in de eerste volzin kunnen uitsluitend gevolgen voor de luchtkwaliteit worden aangevoerd voor zover deze redelijkerwijs niet in een eerdere rechterlijke procedure aan de orde zijn of hadden kunnen worden gesteld.

7.4. Het uitwerkingsplan is een besluit genomen ter uitwerking van het bestemmingsplan. Dat, zoals het college op zich terecht aanvoert, een uitwerkingsplan thans ingevolge artikel 5.16, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer, is uitgezonderd van het onderzoek naar de luchtkwaliteit, laat onverlet dat het bestemmingsplan is vastgesteld vóór 15 november 2007, de datum van inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2007. Uit artikel V van deze wet volgt dat op een uitwerkingsplan dat is gebaseerd op een bestemmingsplan dat is vastgesteld voor de inwerkingtreding van deze wet het Blk 2005 van toepassing blijft. Derhalve is ingevolge artikel V van de Wet van 11 oktober 2007 op het uitwerkingsplan het Blk 2005 van toepassing. Daarbij komt dat ook ingevolge artikel 4, onder G, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de grenswaarden van de luchtkwaliteit zoals gesteld in het Blk 2005 niet worden overschreden.

In paragraaf 4.4.3 van de toelichting op het uitwerkingsplan wordt verwezen naar luchtkwaliteitsonderzoeken uit 2005 en 2006. Deze onderzoeken zijn echter verricht vóór de vaststelling van het bestemmingsplan. De stelling in de toelichting dat recente berekeningen aantonen dat de verkeersaantrekkende werking en de bedrijven op het bedrijventerrein XL Business Park geen dusdanige invloed op de luchtkwaliteit hebben dat de normen worden overschreden, wordt in de toelichting verder niet toegelicht. [appellant] betoogt derhalve terecht dat het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan heeft nagelaten aan te tonen dat de grenswaarden zoals gesteld in het Blk 2005 niet worden overschreden.

Het betoog slaagt.

7.5. Het beroep is gegrond. Het besluit van 29 oktober 2013 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Regionaal bedrijventerrein Twente (RBT) Tranche 3a" dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

7.6. De Afdeling ziet aanleiding om te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Het college heeft bij zijn verweerschrift het memo overgelegd. Hierin wordt geconcludeerd dat voor zowel fijnstof als voor stikstofdioxide wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Blk 2005. [appellant] heeft deze conclusie niet betwist. De Afdeling ziet dan ook aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almelo van 29 oktober 2013 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Regionaal bedrijventerrein Twente (RBT) Tranche 3a";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Almelo tot vergoeding van bij [appellanten], in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,74 (zegge: duizendvierentwintig euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Almelo aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, griffier.

w.g. Polak w.g. Idema

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

512.