Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
201308856/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de staatssecretaris op grond van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190; hierna: de EVOA) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van ESA om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk DE1350/162802 van Duitsland naar Nederland over te brengen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1201
JAF 2014/494 met annotatie van mr. M.A. Toepoel
JM 2015/1 met annotatie van Y. Flietstra
M en R 2015/25

Uitspraak

201308856/1/A4.

Datum uitspraak:19 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V., handelend onder de naam North Refinery, gevestigd te Farmsum, gemeente Delfzijl, en de rechtspersoon naar Duits recht ESA Entsorgungsservice Ackermann GmbH & Co. KG (hierna: ESA), gevestigd te Nattheim (Duitsland),

appellanten,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de staatssecretaris op grond van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190; hierna: de EVOA) bezwaar gemaakt tegen het voornemen van ESA om afvalstoffen als beschreven in de kennisgeving met kenmerk DE1350/162802 van Duitsland naar Nederland over te brengen.

Bij besluit van 12 augustus 2013 heeft de staatssecretaris het door North Refinery en ESA hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben North Refinery en ESA beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

North Refinery en ESA en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201207389/2/A4 ter zitting behandeld op 30 oktober 2013, waar North Refinery en ESA, vertegenwoordigd door H.J. Bos, ir. H.P. Yntema, K.D. Siebert en ing. R.A.J.M. Tankink, bijgestaan door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, mr. J.J. Teeninga, A.M. Witte, mr. J.A. Koreman, drs. F.J.M. Bakker, ir. G.G.C. Verstappen en mr. A.M. Ziel, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Groningen, vertegenwoordigd door R.E. van ’t Hof en J. Simons, beiden werkzaam bij de provincie, gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Zij heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) benoemd tot deskundige voor het instellen van een onderzoek.

De StAB heeft bij brief van 19 maart 2014 een deskundigenbericht uitgebracht. De staatssecretaris heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht.

De staatsecretaris en North Refinery en ESA hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201207389/2/A4 ter zitting nader behandeld op 6 oktober 2014, waar North Refinery en ESA, vertegenwoordigd door ir. H.P. Yntema, K.D. Siebert en M. Jansen Schoonhoven Msc, bijgestaan door mr. J.C. Ozinga, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer, mr. J.J. Teeninga, mr. J.A. Koreman, ir. G.G.C. Verstappen en drs. F.J.M. Bakker, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college van gedeputeerde staten van Groningen, vertegenwoordigd door M.L.G. Modderman en R.E. van ’t Hof, beiden werkzaam bij de provincie, gehoord. Na deze zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. De kennisgeving heeft betrekking op het voornemen van ESA tot overbrenging van bij haar ontwaterde boor-, snij-, slijp- en walsolie. Deze stof (hierna: bssw-olie) bestaat volgens de kennisgeving uit 40-100% olie, 0-50% water en 0-5% sediment en wordt bij North Refinery door middel van vacuümdestillatie verwerkt tot zogenoemde fluxolie, die wordt ingezet in de staalindustrie.

Onjuiste invulling kennisgevingsformulier

2. De staatssecretaris heeft tegen de overbrenging bezwaar gemaakt omdat volgens hem de bewerking van de bssw-olie bij North Refinery op het kennisgevingsformulier ten onrechte is aangeduid als een handeling als bedoeld onder R9 (herraffinage van olie en ander hergebruik van olie) in bijlage II van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008 L 312; hierna: de Kaderrichtlijn). Volgens de staatssecretaris gaat het om een uitwisseling van afvalstoffen als bedoeld onder R12 (uitwisseling van afvalstoffen voor een van de onder R1 tot en met R11 genoemde handelingen). Daartoe stelt hij dat de bij North Refinery geproduceerde fluxolie als een afvalstof moet worden aangemerkt, omdat zich daarin nog steeds verontreinigingen bevinden.

3. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 7, van de EVOA is een handeling als bedoeld onder R12 in bijlage II van de Kaderrichtlijn een handeling van voorlopige nuttige toepassing. Het standpunt van de staatssecretaris komt erop neer dat ten onrechte geen kennisgeving is gedaan voor een voorlopige nuttige toepassing. Ingevolge artikel 15 van de EVOA gelden voor een dergelijke kennisgeving aanvullende eisen. Zo moeten op de kennisgeving, naast de oorspronkelijke nuttige toepassingshandeling (in dit geval: de bewerking bij North Refinery die volgens de staatssecretaris moet worden aangemerkt als een handeling als bedoeld onder R12), onder meer alle inrichtingen worden vermeld waar vervolgens handelingen tot voorlopige of definitieve nuttige toepassing of verwijdering zijn gepland. Verder zijn in artikel 15 aanvullende eisen en procedurele voorwaarden gesteld met betrekking tot de overbrenging en de daarbij betrokken partijen.

4. North Refinery en ESA bestrijden dat het al dan niet onjuist vermelden van de verwerkingshandeling op het kennisgevingsformulier een grond is om tegen een overbrenging bezwaar te maken, nu dit niet als bezwaargrond in artikel 12, eerste lid, van de EVOA is genoemd.

4.1. In zijn arrest van 27 februari 2002, C-6/00, Abfall Service AG, ECLI:EU:C:2002:121, met name punten 35 tot en met 47, heeft het Hof van Justitie onder de werking van de EVOA zoals deze destijds gold, geoordeeld dat de noodzaak om in een kennisgeving een juiste opgave te doen van het doel van de voorgenomen overbrenging voortvloeit uit de systematiek van de EVOA, die verschillende procedures bevat al naar gelang de soort afvalstoffen en de bestemming ervan. De verplichting voor lidstaten om deze opgave vervolgens te controleren vloeit volgens het Hof in het bijzonder voort uit de verplichting voor lidstaten om sluikhandel te verbieden en te bestraffen en de verplichting om maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de overbrengingen van afvalstoffen plaatsvinden volgens de bepalingen van de EVOA.

Op grond hiervan heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat ook zonder een uitdrukkelijk in de EVOA gegeven grondslag bezwaar tegen een overbrenging moet worden gemaakt, wanneer een kennisgeving niet een juiste opgave van het doel van de voorgenomen overbrenging bevat doordat daarin een onjuiste indeling van de verwerkingshandeling wordt vermeld.

4.2. Weliswaar is de EVOA na het arrest van 27 februari 2002 gewijzigd, maar de door het Hof daarin gegeven redenen voor het aannemen van de verplichting om bezwaar te maken wanneer de kennisgeving een onjuiste opgave bevat, hebben daarmee niet aan betekenis verloren. Ook onder de EVOA zoals deze thans luidt, zijn afhankelijk van de soort afvalstoffen en het doel van de overbrenging verschillende procedures van toepassing. Ook geldt nog steeds de verplichting voor lidstaten om op te treden tegen sluikhandel en overbrengingen in strijd met de bepalingen van de EVOA.

Gelet hierop was de staatssecretaris, anders dan North Refinery en ESA betogen, ook zonder een uitdrukkelijke grondslag in de EVOA bevoegd bezwaar tegen de overbrenging te maken wanneer de bewerking van de bssw-olie op het kennisgevingsformulier ten onrechte als een handeling als bedoeld onder R9 in plaats van een handeling als bedoeld onder R12 in bijlage II van de Kaderrichtlijn zou zijn aangemerkt.

Het betoog faalt.

5. North Refinery en ESA betogen dat de verwerking van de door North Refinery ingevoerde afvalstoffen - de bssw-olie - resulteert in een product: fluxolie. Omdat de fluxolie aldus geen afvalstof is, kan een voorlopige nuttige toepassingshandeling volgens hen niet aan de orde zijn. North Refinery en ESA wijzen er in dit verband op dat North Refinery de fluxolie bewust en volgens specificaties van de afnemers produceert. Verder is de fluxolie volgens hen geschikt om als reductiemiddel in de staalindustrie te worden ingezet ter vervanging van cokes en zet North Refinery de fluxolie ook daadwerkelijk als zodanig aan derden af. De staatssecretaris heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de fluxolie een afvalstof is, en dat om die reden een kennisgeving voor een voorlopige nuttige toepassingshandeling had moeten worden gedaan, aldus North Refinery en ESA.

5.1. De staatssecretaris heeft in zijn nadere stuk de Afdeling verzocht op dit punt prejudiciële vragen te stellen. Daartoe heeft hij een aan de Europese Commissie gerichte brief van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd bedrijf van 4 november 2013 overgelegd, waarin het bedrijf zich op het standpunt stelt dat in de staalindustrie in te zetten oliestromen onder omstandigheden afvalstoffen kunnen zijn.

5.2. Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn wordt onder afvalstof verstaan: elke stof of voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, zijn sommige specifieke afvalstoffen niet langer afvalstoffen, wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing hebben ondergaan en aan specifieke, op communautair niveau op te stellen, criteria voldoen. In het artikellid zijn de voorwaarden opgesomd waaronder deze criteria moeten worden opgesteld.

Ingevolge het vierde lid kunnen lidstaten, indien geen op communautair niveau opgestelde criteria bestaan, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is.

5.3. Vast staat dat er geen overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Kaderrichtlijn op communautair niveau opgestelde criteria bestaan die op de bij North Refinery geproduceerde fluxolie van toepassing zijn. In het arrest van 7 maart 2013, C-358/11, ECLI:EU:C:2013:142, punten 55 en 56, heeft het Hof van Justitie bevestigd dat lidstaten in dat geval krachtens artikel 6, vierde lid, van de Kaderrichtlijn, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval dienen te beslissen of bepaalde afvalstoffen niet langer afvalstoffen zijn.

5.4. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (arrest van 15 juni 2000, C-418/97 en C-419/97, Arco Chemie Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2000:318, en het arrest van 18 april 2002, C-9/00, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232).

Bij beantwoording van deze vraag is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant (arrest van 18 december 2007, C-263/05, Commissie/Italië, ECLI:EU:C:2007:808, punt 32, en het arrest van 24 juni 2008, C-188/07, Commune de Mesquer, ECLI:EU:C:2008:359, punt 53). Het gedrag van de houder is relevant, omdat daaruit kan worden afgeleid of de houder zich ontdoet, of voornemens is zich te ontdoen, van een stof als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn.

In dit verband verdient volgens het Hof bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen. Als dit laatste het geval is, bestaat een risico dat de houder zich van de stof ontdoet op een manier die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, bijvoorbeeld door de stof onbeheerd achter te laten of ongecontroleerd te lozen of te verwijderen. Dergelijke voorwerpen of stoffen vallen onder het begrip afvalstof en zijn daarom onderworpen aan de bepalingen van de Kaderrichtlijn (arrest van 12 december 2013, C-241/12 en C-242/12, Shell Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2013:821, punt 42).

Verder heeft het Hof in het in overweging 5.3 genoemde arrest van 7 maart 2013 bevestigd dat het Unierecht niet uitsluit dat een als gevaarlijk aangemerkte afvalstof niet langer een afvalstof is, wanneer zij door middel van een behandeling voor nuttige toepassing bruikbaar kan worden gemaakt zonder dat dit gevaar oplevert voor de menselijke gezondheid en zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor het milieu, en voorts niet wordt geconstateerd dat de houder van de stof zich ervan ontdoet dan wel voornemens of verplicht is zich daarvan te ontdoen. Het is aan de nationale rechter om aan de hand van alle omstandigheden van het geval na te gaan of de stof door middel van een behandeling voor nuttige toepassing tot een bruikbaar product kan worden omgevormd (punten 59 en 60 van het genoemde arrest).

5.5. Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat de door bewerking bij North Refinery ontstane fluxolie in de staalindustrie kan worden ingezet ter vervanging van cokes. De resterende verontreinigingen die zich in de fluxolie bevinden hebben, zo blijkt uit het deskundigenbericht, geen invloed op de samenstelling van het geproduceerde hoogovenslak, ruwijzer en hoogovengas, en spelen bij de inzet van de fluxolie dan ook een te verwaarlozen rol. De effecten van toepassing van de fluxolie zijn vergelijkbaar met die van andere producten zoals poederkool en zware stookolie die bij de staalproductie worden ingezet ter vervanging van cokes.

De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze in het deskundigenbericht beschreven bevindingen te twijfelen.

5.6. De fluxolie is geen last voor North Refinery waarvan zij voornemens is zich te ontdoen. North Refinery produceert deze stof juist welbewust om deze onder economisch gunstige omstandigheden te verhandelen. Het risico dat North Refinery zich van de fluxolie zal ontdoen door deze stof onbeheerd achter te laten, ongecontroleerd te lozen of te verwijderen, moet dan ook als verwaarloosbaar worden aangemerkt. Verder moet worden geconcludeerd dat de fluxolie zonder bijzondere handelingen als reductiemiddel in de staalindustrie kan worden ingezet en daar ook daadwerkelijk wordt ingezet, en dat deze inzet wat milieugevolgen betreft vergelijkbaar is met de inzet van andere als reductiemiddel gebruikte stoffen.

Met inachtneming van alle omstandigheden van dit geval, is de Afdeling van oordeel dat de fluxolie niet kan worden aangemerkt als een stof waarvan North Refinery zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 1, van de Kaderrichtlijn. De bij North Refinery geproduceerde fluxolie is daarom geen afvalstof. De staatssecretaris heeft zijn bezwaar ten onrechte gebaseerd op de opvatting dat deze fluxolie wel een afvalstof is.

Het betoog slaagt.

5.7. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 6 oktober 1982, 283/81, CILFIT, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, geoordeeld dat een hoogste nationale rechter niet verplicht is prejudiciële vragen te stellen wanneer de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van reeds bestaande rechtspraak. Nu de vraag of de bij North Refinery geproduceerde fluxolie een afvalstof is blijkens overweging 5.6 aan de hand van de in overweging 5.4 weergegeven rechtspraak van het Hof kan worden beantwoord, ziet de Afdeling geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

Strijd met de omgevingsvergunning van North Refinery

6. De staatssecretaris heeft tegen de overbrenging ook bezwaar gemaakt omdat de bssw-olie volgens hem bij North Refinery zal worden gemengd in strijd met voorschrift 2.3.4 van de voor de inrichting van North Refinery geldende omgevingsvergunning. Volgens de staatssecretaris kan de bij North Refinery geproduceerde fluxolie noch als een verhandelbare brandstof of grondstof, noch als een halffabricaat worden aangemerkt.

6.1. Voorschrift 2.3.4 verbiedt, voor zover hier van belang, het mengen van stoffen van verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, tenzij het mengen betrekking heeft op niet regenereerbare halogeenarme koolwaterstoffen met oliehoudende afvalstoffen, waarbij de gemengde stroom als verhandelbare brandstof, grondstof of halffabricaat wordt afgezet aan derden.

6.2. North Refinery en ESA betogen dat de productie van de fluxolie kan plaatsvinden zonder voorschrift 2.3.4 te overtreden.

6.3. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de EVOA kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming met redenen omklede bezwaren indienen op de grond dat de geplande overbrenging of de geplande nuttige toepassing, wat handelingen in het bezwaren makende land betreft, niet in overeenstemming is met nationale wetgeving inzake milieubescherming, openbare orde, openbare veiligheid of bescherming van de gezondheid.

Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 20 maart 2013 in zaak nr. 201109499/1/A4, is deze bezwaargrond van toepassing indien de bewerking van de over te brengen afvalstof in strijd is met de voor de ontvangende inrichting geldende vergunning.

6.4. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de bssw-olie een niet regenereerbare halogeenarme koolwaterstof is die binnen de inrichting van North Refinery technisch gezien tot fluxolie kan worden verwerkt zonder voorschrift 2.3.4 te overtreden. Dit kan door de bssw-olie als monostroom of gemengd met andere oliehoudende afvalstromen van dezelfde categorie te verwerken, of - aangenomen dat de fluxolie een grondstof is - door deze gemengd met oliehoudende afvalstoffen van een andere categorie te verwerken.

6.5. Voor zover de staatssecretaris in zijn reactie op het deskundigenbericht heeft betoogd dat het verwerken van bssw-olie met een waterpercentage van 50% bedrijfseconomisch niet haalbaar is, merkt de Afdeling op dat dit betoog eraan voorbijgaat dat voor het antwoord op de vraag of bezwaar kan worden gemaakt tegen een overbrenging van afvalstoffen niet bepalend is of de bewerking van de over te brengen afvalstof bedrijfseconomisch haalbaar is, maar of de overbrenging in strijd komt met nationale wetgeving inzake milieubescherming, in dit geval de mengverboden uit voorschrift 2.3.4 van de omgevingsvergunning voor de inrichting van North Refinery. Niet in geschil is dat, zoals in het deskundigenbericht wordt geconcludeerd, het technisch gezien mogelijk is om zonder verdere menging - en dus zonder overtreding van voorschrift 2.3.4 - een partij bssw-olie met een hoog waterpercentage tot fluxolie te verwerken.

Afgezien daarvan is het, zo blijkt uit het deskundigenbericht, ook niet noodzakelijk om bssw-olie met een hoog waterpercentage te bewerken. Het waterpercentage kan immers zo nodig naar beneden worden gebracht door partijen bssw-olie met een hoog waterpercentage te mengen met andere partijen bssw-olie of andere afvalstoffen van dezelfde categorie met een lager waterpercentage, hetgeen op grond van voorschrift 2.3.4 is toegestaan. Bovendien kan het waterpercentage naar beneden worden gebracht door menging met partijen oliehoudende afvalstoffen van een andere categorie. Ook dit laatste is toegestaan omdat het voorschrift het mengen van niet regenereerbare halogeenarme koolwaterstoffen zoals de bssw-olie met andere oliehoudende afvalstoffen toelaat, indien de gemengde stroom als verhandelbare brandstof, grondstof of halffabricaat wordt afgezet aan derden. Aan deze laatste voorwaarde wordt voldaan nu, zoals in overweging 5.6 is overwogen, de uit de gemengde stroom geproduceerde fluxolie niet als een afvalstof kan worden aangemerkt.

6.6. Gezien het voorgaande heeft de staatssecretaris ten onrechte geoordeeld dat de bssw-olie bij North Refinery in strijd met voorschrift 2.3.4 van de voor haar inrichting geldende omgevingsvergunning zal worden gemengd. Derhalve heeft hij ten onrechte op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de EVOA bezwaar gemaakt.

Het betoog slaagt.

Beste beschikbare technieken

7. De staatssecretaris heeft aan het bezwaar tevens ten grondslag gelegd dat de bssw-olie bij North Refinery en ESA niet wordt bewerkt in overeenstemming met de in paragraaf D.3.2 van het BREF-document Ferrometaalbewerking genoemde beste beschikbare technieken, met name omdat de bij North Refinery geproduceerde fluxolie verontreinigingen bevat.

7.1. North Refinery en ESA betogen dat het BREF-document niet van toepassing is op een inrichting als die van North Refinery. Afgezien daarvan voldoet volgens hen de bewerking van de bssw-olie wel degelijk aan de in het BREF-document beschreven scheidingsstappen.

7.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder i, van de EVOA kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming met redenen omklede bezwaren indienen op de grond dat de betrokken afvalstoffen worden behandeld in een inrichting die onder Richtlijn 96/61/EG valt, maar die niet de beste beschikbare technieken in de zin van artikel 9, vierde lid, van die richtlijn toepast, een en ander volgens de vergunning van de betrokken inrichting.

7.3. In paragraaf D.3.2 van het BREF-document wordt hergebruik van bssw-olie besproken. In deze paragraaf is uiteengezet dat emulsies van water en olie via diverse technieken kunnen worden gescheiden in een oliefractie en een waterfractie. Als mogelijke technieken worden onder meer genoemd thermische scheiding, flotatie, adsorptie en ultrafiltratie.

7.4. De Afdeling overweegt allereerst dat het BREF-document weliswaar primair van toepassing is op metaalbewerkende bedrijven, maar dat dit geen beletsel vormt om hetgeen daarin over de bewerking van bssw-olie van dergelijke bedrijven is vermeld mede te betrekken bij de beoordeling of de bssw-olie bij ESA en North Refinery wordt bewerkt in overeenstemming met de in aanmerking komende beste beschikbare technieken.

7.5. In het deskundigenbericht staat dat de in het BREF-document genoemde bewerking van bssw-olie is gericht op een effectieve scheiding tussen een oliehoudende fractie en een waterfractie. Verder is in het deskundigenbericht vermeld dat de in het BREF-document genoemde technieken niet bedoeld noch geschikt zijn om verontreinigingen uit de oliehoudende fractie te verwijderen, maar juist om een zo schoon mogelijke waterfractie te verkrijgen. Dat de oliehoudende fractie na de bewerking verontreinigingen bevat, is volgens het deskundigenbericht dan ook op zichzelf niet in strijd met toepassing van de beste beschikbare technieken. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de bewerking van de bssw-olie bij ESA en vervolgens North Refinery resulteert in een goede scheiding tussen olie en water, die kan worden aangemerkt als toepassing van de beste beschikbare technieken in lijn met het BREF-document.

7.6. De Afdeling ziet geen aanleiding deze door de staatssecretaris niet langer bestreden conclusies onjuist te achten. De staatssecretaris heeft zich gelet hierop ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bewerking van de bssw-olie bij ESA en North Refinery niet overeenkomt met toepassing van de beste beschikbare technieken, en, in het verlengde daarvan, ten onrechte op die grond bezwaar gemaakt.

Het betoog slaagt.

Strijd met het afvalbeheerplan

8. De staatssecretaris heeft tot slot bezwaar gemaakt omdat de bewerking van de bssw-olie bij North Refinery volgens hem niet overeenkomt met de minimumstandaard van sectorplan 61 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2, nu bij North Refinery geen membraamfiltratie, ultrafiltratie of flocculatie wordt toegepast.

8.1. North Refinery en ESA betogen dat de bewerking van de bssw-olie wel aan de minimumstandaard van sectorplan 61 voldoet.

8.2. Ingevolge artikel 12, eerste lid, aanhef en onder k, van de EVOA kunnen de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming met redenen omklede bezwaren indienen op de grond dat de betrokken afvalstoffen niet worden behandeld in overeenstemming met afvalbeheerplannen die zijn opgesteld krachtens artikel 7 van Richtlijn 2006/12/EG teneinde de in de communautaire wetgeving opgenomen juridisch bindende verplichtingen inzake nuttige toepassing of hergebruik na te komen.

8.3. Het Landelijk Afvalbeheerplan 2 is een afvalbeheerplan als bedoeld in artikel 12, eerste lid, aanhef en onder k, van de EVOA. De minimumstandaard van het daarvan deel uitmakende sectorplan 61 voor de bewerking en verwerking van bssw-olie is het scheiden van de olie- en de waterfractie door membraanfiltratie, ultrafiltratie of flocculatie.

8.4. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat de in het sectorplan genoemde scheiding is gericht op het scheiden van de olie en de waterfase. De in het sectorplan genoemde technieken zijn erop gericht bij die scheiding een zo schoon mogelijke waterstroom te verkrijgen. De bewerking van de bssw-olie bij ESA en vervolgens bij North Refinery voldoet volgens het deskundigenbericht aan de in het sectorplan gestelde minimumstandaard.

8.5. De Afdeling ziet geen aanleiding deze door de staatssecretaris niet langer bestreden conclusie onjuist te achten. De staatssecretaris heeft zich gelet hierop ten onrechte op het standpunt gesteld dat de bewerking bij ESA en North Refinery niet voldoet aan de minimumstandaard van sectorplan 61, en, in het verlengde daarvan, ten onrechte op die grond bezwaar gemaakt.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Nu geen van de door de staatssecretaris ingeroepen gronden om bezwaar te maken tegen de overbrenging zich voordoet, zal de Afdeling, zelf in de zaak voorziend, het primaire besluit van 23 mei 2013 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

10. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 12 augustus 2013, kenmerk B-3-13-0131.001;

III. herroept het besluit van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 23 mei 2013, kenmerk DE 1350/162802;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V. en de rechtspersoon naar Duits recht ESA Entsorgungsservice Ackermann GmbH & Co. KG in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.704,50 (zegge: zeventienhonderdvier euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de naamloze vennootschap Refining & Trading Holland N.V. en de rechtspersoon naar Duits recht ESA Entsorgungsservice Ackermann GmbH & Co. KG het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. F.C.M.A. Michiels , leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014

262-732.