Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4110

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201406243/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201406243/1/V1.

Datum uitspraak: 3 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juli 2014 in zaak nr. 14/5606 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 februari 2014 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 juli 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij bij de in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) te maken belangenafweging aan het niet rechtmatige verblijf van de vreemdeling niet, althans niet zonder een nadere motivering, een doorslaggevende rol heeft kunnen toekennen en dat het besluit van 12 februari 2014 daarom is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat hij een uitgebreide op de zaak van de vreemdeling toegespitste belangenafweging heeft verricht, dat hij na afweging van alle relevante feiten en omstandigheden heeft geconcludeerd dat de weigering om aan de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan geen schending van artikel 8 van het EVRM inhoudt en dat de rechtbank die afweging ten onrechte niet terughoudend heeft getoetst.

2.1. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van privéleven en familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

2.2. In het besluit van 12 februari 2014 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor vrijstelling krachtens artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 van het vereiste dat hij over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) beschikt, omdat zijn uitzetting niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hieraan heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat de vreemdeling Nederland is ingereisd zonder te beschikken over een mvv en nimmer in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning en dat hij het gestelde familie- of gezinsleven heeft uitgeoefend terwijl hij hier te lande illegaal verbleef. De situatie waarin de vreemdeling zich bevindt is dan ook grotendeels te wijten aan door de vreemdeling in het verleden gemaakte keuzes, waarvoor de verantwoordelijkheid bij hem en niet bij de Nederlandse staat ligt. Voorts is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familie- of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Evenmin is gebleken van dusdanig bijzondere feiten of omstandigheden dat uit het recht op respect voor het familie- of gezinsleven de verplichting voortvloeit de vreemdeling hier te lande verblijf toe te staan, aldus de staatssecretaris. Wat betreft het recht op eerbiediging van het privéleven heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de hier te lande aangegane sociale banden niet een dermate substantieel gewicht hebben dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris alle elementen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken, doch dat zij enigszins terughoudend toetsend van oordeel is dat de staatssecretaris niet, althans niet zonder enige nadere motivering, tot de conclusie heeft kunnen komen dat in dit geval aan het algemeen belang een zwaarder gewicht toekomt dan aan het belang van de vreemdeling. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de vreemdeling al meer dan 25 jaar in Nederland verblijft en dat de vreemdeling ook al zeer langdurig een relatie heeft met zijn Nederlandse partner. De duur van het verblijf van de vreemdeling hier te lande en de duur van de relatie met zijn partner zijn door de staatssecretaris niet bestreden. De staatssecretaris heeft evenmin bestreden dat de vreemdeling hier te lande sociale contacten heeft. Deze contacten zijn bovendien met stukken onderbouwd. De staatssecretaris mocht bij de belangenafweging van belang achten dat de vreemdeling nimmer rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad, maar in het licht van de hierboven genoemde omstandigheden heeft de staatssecretaris aan het niet rechtmatige verblijf niet een doorslaggevende rol mogen toekennen, aldus de rechtbank.

2.4. In rechtsoverweging 39 van het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: het EHRM), Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, van 31 januari 2006, nr. 50435/99 - waarnaar het EHRM verwijst in zijn arrest Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, nr. 12738/10 (beide arresten: www.echr.coe.int) - is het volgende overwogen:

"Another important consideration will also be whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host State would from the outset be precarious. The Court has previously held that where this is the case it is likely only to be in the most exceptional circumstances that the removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8 (…)."

Uit rechtsoverweging 79 van het arrest van het EHRM, Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int) volgt dat de hiervoor aangehaalde rechtsoverweging ook van toepassing is op het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven.

2.5. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris zich, gezien hetgeen onder 2.2 is weergegeven, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een zeer uitzonderlijke situatie als bedoeld in voormelde rechtsoverweging 39 zich in dit geval niet voordoet, zodat uitzetting van de vreemdeling niet in strijd is met het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor zijn privéleven en familie- en gezinsleven. Het arrest van het EHRM, Udeh tegen Zwitserland, van 16 april 2013, nr. 12020/09, (www.echr.coe.int) waarnaar de vreemdeling heeft verwezen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in die zaak tegen de desbetreffende vreemdeling een inreisverbod was uitgevaardigd waardoor hij langdurig geen omgang zou kunnen hebben met zijn twee jongste kinderen, terwijl in het voorliggende geval geen belangen van minderjarige kinderen in het spel zijn en evenmin een inreisverbod tegen de vreemdeling is uitgevaardigd.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 februari 2014 overweegt de Afdeling dat, voor zover met het vorenoverwogene niet op de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden is beslist, aan deze gronden niet wordt toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juli 2014 in zaak nr. 14/5606;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2014

210.