Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201404776/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Gantel de Baak" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201404776/1/R4.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellante], handelend onder de naam [ Scheepswerf], gevestigd te [plaats], gemeente Westland, en anderen (hierna: [appellanten]),

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Gantel de Baak" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2014, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door G.J. Schreurs, en de raad, vertegenwoordigd door M.A. van Driel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het plan voorziet in de realisatie van woningbouw in de deelgebieden "De Haven", "De Eilanden" en "Oost".

3. Bij de vaststelling van een plan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. De raad stelt dat [appellanten] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard wat betreft hun betoog dat de (langzaam verkeer)ontsluiting van de in het plan opgenomen woningen op een goede manier dient te worden ingericht, omdat zij dit betoog in hun zienswijze niet naar voren hebben gebracht.

4.1. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

De zienswijze van [appellanten] richt zich tegen de in het plan opgenomen fietsverbinding die door middel van een brug binnen de bestemming "Water - Waterweg" vanuit het plangebied naar het scheepswerfterrein van [appellanten] loopt. Nu zij hiermee het plandeel dat de (langzaam verkeer)ontsluiting mogelijk maakt hebben bestreden, kunnen [appellanten] tegen dit plandeel ook beroepsgronden aanvoeren die niet in de zienswijze naar voren zijn gebracht. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is.

5. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het plan voor zover daarin door middel van een brug wordt voorzien in een fietsverbinding vanuit het plangebied, namelijk het deelgebied "De Haven", naar hun (privé)terrein van de scheepswerf. Door de aantakking van deze brug op het openbare wegennet is de verkeersintensiteit volgens [appellanten] sterk toegenomen en leidt dit tot verkeersonveilige situaties. Zij betogen dat de fietsverbinding ten onrechte over privégronden is geprojecteerd en zij hierdoor de thans aanwezige bedrijfsbebouwing op hun terrein niet kunnen uitbreiden, ondanks dat het daar vigerende bestemmingsplan "Glastuinbouw" hiertoe mogelijkheden biedt.

5.1. De raad stelt dat geen sprake is van een nieuwe fietsverbinding, maar van een bestaande, vrij toegankelijke verbinding en dat deze nu als zodanig in het plan is opgenomen. De fietsverbinding werd volgens de raad al gebruikt voordat woningbouw binnen het deelgebied "De Haven" werd gerealiseerd.

5.2. De desbetreffende brug is gelegen binnen de bestemming "Water-Waterweg". De exacte locatie van de brug is niet in het plan opgenomen.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder 7.1.1, van de planregels zijn de voor "Water-Waterweg" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de waterhuishouding (waterberging, wateraan- en -afvoer);

b. het verkeer en vervoer te water;

c. kruisend verkeer;

met de daarbij behorende andere bouwwerken, zoals bruggen en duikers.

Ingevolge lid 7.2 mogen op de in lid 7.1, onder 7.1.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in lid 7.1 bedoelde bestemming worden gebouwd, waaronder begrepen bruggen ten behoeve van kruisend verkeer, niet zijnde steigers en vlonders.

5.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt het volgende naar voren. De desbetreffende brug werd in het verleden gebruikt door enkele tuinders. Met het realiseren van woningen in het deelgebied "De Haven", waarvoor een vrijstellingsprocedure is doorlopen, wordt deze brug thans ook gebruikt door de bewoners hiervan. De brug is in 2008/2009 verstevigd, hetgeen mogelijk was op basis van het vorige bestemmingsplan.

Ten tijde van de vaststelling van het plan heeft de raad geen onderzoek verricht naar de intensiteit van het fietsverkeer dat gebruik maakt van de desbetreffende brug en de verkeersveiligheid ter plaatse. De raad heeft ter zitting toegelicht dat na de vaststelling van het plan alsnog aan de hand van verkeerstellingen de verkeersintensiteit in beeld is gebracht en gebleken is dat deze omhoog is gegaan. De raad heeft voorts toegelicht dat momenteel de verkeersveiligheid ter plaatse wordt onderzocht en dat uit dit onderzoek moet blijken of het noodzakelijk is om maatregelen te nemen om de verkeersveiligheid te verbeteren dan wel de brug te verleggen. De raad heeft ter zitting erkend dat in voornoemd onderzoek dient te worden betrokken in hoeverre sprake is van een openbare weg als bedoeld in de Wegenwet. Voor de raad is thans niet inzichtelijk of op de onderhavige plek dan wel een andere locatie binnen het plangebied een verkeersveilige fietsverbinding door middel van een brug tot stand kan komen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt welke afweging hij ten tijde van de vaststelling van het plan heeft gemaakt omtrent de verkeersveiligheid ter plaatse en de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het opnemen van de fietsverbinding door middel van een brug binnen de bestemming "Water - Waterweg" vanuit het plangebied naar het scheepswerfterrein van [appellanten] en hoe de belangen van [appellanten] hierbij zijn betrokken. Dit klemt te meer daar het gezien het realiseren van woningen in deelgebied "De Haven" op de weg van de raad had gelegen ten tijde van de vaststelling van het plan te bezien of een verkeersveilige fietsverbinding op de desbetreffende locatie mogelijk is. Het bestreden besluit is in zoverre niet met de ingevolge artikel 3:2 van de Awb vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

6. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van rechtsoverweging 5.3 inzichtelijk te maken dat de verkeersveiligheid ter plaatse kan worden gegarandeerd en het opnemen van de fietsverbinding door middel van een brug binnen de bestemming "Water - Waterweg" vanuit het plangebied naar het scheepswerfterrein van [appellanten] ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel om een andere planregeling vast te stellen.

De raad dient de Afdeling de uitkomst van voormelde opdracht mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Proceskosten

7. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Westland op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van rechtsoverwegingen 5.3 en 6 het daar omschreven gebrek te herstellen; en

- de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, griffier.

w.g. Michiels w.g. Verhoeven

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

690.