Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4099

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201403998/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wilhelminastraat e.o" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2014/5937
AB 2015/10 met annotatie van W.J. Bosma
JOM 2014/1184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403998/1/R6.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Buiten Gezond in Vianen en omstreken, gevestigd te Vianen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Vianen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Wilhelminastraat e.o" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de stichting beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de stichting Stichting Volksbelang Lekstede (hierna: Lekstede) een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De stichting en de raad hebben nadere stukken overgelegd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door [voorzitter] van de stichting, bijgestaan door mr. C.C. de Brauw, advocaat te Haarlem, en de raad, vertegenwoordigd door J. Ariaans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Lekstede, vertegenwoordigd door [projectleider], projectleider bij Lekstede, bijgestaan door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem, als partij gehoord.

Overwegingen

Intrekking beroepsgrond

1. Ter zitting heeft de stichting haar beroepsgrond ten aanzien van de huismussen ingetrokken.

Het plan

2. Het plan voorziet in 70 woningen ten noorden van de A2, waarvan 50 vervangende woningen betreffen.

Ontvankelijkheid

3. De raad en Lekstede betogen dat de stichting niet als belanghebbende kan worden aangemerkt, zodat haar beroep niet-ontvankelijk is. Hiertoe voeren zij aan dat de stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) behalve het in rechte opkomen tegen besluiten en werkzaamheden die daarmee samenhangen.

3.1. Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstellingen en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt.

3.2. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten van de stichting heeft de stichting ten doel om binnen de gemeente Vianen een duurzame ontwikkeling te bevorderen en wel in het bijzonder de actieve bescherming en verbetering van onder andere het milieu, de leefomgeving, gezondheid, welzijn en welbevinden van mens en dier, de natuur inclusief flora, fauna en alle ecologische aspecten en het landschap.

Blijkens het tweede lid tracht de stichting haar doel te verwezenlijken door onder meer:

- zich in te spannen om gezondheidsbedreigende en milieuschadelijke situaties te voorkomen, of indien aanwezig, te doen verdwijnen;

- het deskundig en kritisch toetsen van overheids- en bedrijfsactiviteiten waarbij het milieu in het geding is en het geven van advies over mogelijke alternatieven;

- het samenwerken met soortgelijke organisaties en instellingen;

- het informeren van de burgerij omtrent (de effecten van) plannen die van invloed zijn op de (kwaliteit van) de leefomgeving;

- het ageren tegen plannen die op gespannen voet staan met de doelstellingen van de stichting;

- het gebruik maken van wettige middelen […] tegen rechtshandelingen die in strijd zijn met de doelstellingen van de stichting.

Blijkens het derde lid omvat het werkgebied van de stichting de gemeente Vianen en aangrenzende gemeenten.

3.3. De Afdeling stelt vast dat het bestreden besluit betrekking heeft op een activiteit die plaatsvindt binnen het in de statuten omschreven werkgebied. Voorts valt het bestreden besluit binnen de reikwijdte van de statutaire doelstelling van de stichting. Verder heeft de stichting toegelicht dat haar feitelijke werkzaamheden voornamelijk bestaan uit het informeren van burgers via haar website, het samenwerken met andere belangenorganisaties, het voeren van overleg met het gemeentebestuur alsmede het geven van commentaar op ruimtelijke plannen. Dit zijn werkzaamheden die niet louter samenhangen met het in rechte opkomen tegen besluiten. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de stichting krachtens haar statutaire doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Er bestaat derhalve geen aanleiding om het beroep van de stichting niet-ontvankelijk te verklaren. Het betoog van de raad en Lekstede faalt.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Luchtkwaliteit

5. De stichting betoogt dat ten onrechte gevoelige bestemmingen als kinderdagverblijven en onderwijsinstellingen mogelijk worden gemaakt. De stichting voert hiertoe aan dat dit in strijd is met artikel 2, eerste lid, van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: het Besluit gevoelige bestemmingen). Volgens de stichting wordt voor een deel van het plangebied, waar kinderdagverblijven en onderwijsinstellingen mogelijk zijn, niet voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en dreigt voor een deel van het plangebied een overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide. Voorts is volgens haar het bouwen van extra woningen niet in overeenstemming met de vastgestelde grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Verder is volgens de stichting onvoldoende onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit ter plaatse. Uit de gegevens die in de plantoelichting staan volgen alleen de jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide en fijn stof, maar niet de (24) - uurgemiddelden. Voorts zijn de gegevens in de plantoelichting volgens haar onvoldoende nauwkeurig en had nader onderzoek moeten plaatsvinden op grond van de goede ruimtelijke ordening. Berekeningen aan de hand van een model schieten volgens haar tekort, omdat modellen gebruik maken van oude gegevens.

5.1. Volgens de raad blijkt uit gegevens van de Omgevingsdienst regio Utrecht dat de grenswaarden voor jaargemiddelde concentraties voor stikstofdepositie en fijn stof ter plaatse niet worden overschreden. Ook worden de grenswaarden voor de (24) - uurgemiddelden volgens de raad niet overschreden. Er bestaat volgens de raad ook geen dreigende overschrijding van deze grenswaarden, omdat uit deze gegevens blijkt dat in 2014 en 2015 de luchtkwaliteit ter plaatse zal verbeteren. Tot slot stelt de raad zich op het standpunt dat bij de vaststelling van het plan op grond van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) (hierna: Besluit niet in betekenende mate) geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit behoefde plaats te vinden. Krachtens dat besluit zijn woningbouwlocaties waarbij minder dan 1.500 woningen worden gerealiseerd aangemerkt als projecten die niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). De raad verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 9 november 2011 in zaak nr. 201011624/1/R4.

5.2. Aan de betrokken gronden zijn de bestemmingen "Wonen" en "Wonen - Gestapeld" toegekend. De voorziene woningen liggen binnen een afstand van ongeveer 130 m van de rijksweg A2.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, onder a, zijn de voor "Wonen - Gestapeld" aangewezen gronden bestemd voor wonen in de vorm van gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met een beroep of bedrijf aan huis.

Ingevolge artikel 6, lid 6.4.1, onder d, en artikel 7, lid 7.3.1, onder d, mag een woning worden gebruikt voor de uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis, mits dit beroeps- of bedrijfsactiviteiten betreffen genoemd in de bij deze regels behorende 'Staat van beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis'.

In de ‘Staat van beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis’ zijn ‘kinderdagverblijven’ en ‘onderwijs, niet in te delen naar specificatie, mits zonder werkplaats of laboratorium’, vermeld.

5.3. Ingevolge artikel 5.16a van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat de uitoefening van een bevoegdheid of de toepassing van een wettelijk voorschrift, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, in daarbij aangewezen categorieën van gevallen waarin een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde op of na het tijdstip van ingang wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, en waarin de betreffende uitoefening of toepassing betrekking heeft op een bestaand of nieuw te bouwen bouwwerk in de zin van de Woningwet, op een zodanige wijze plaatsvindt dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen met een verhoogde gevoeligheid voor de concentraties in de buitenlucht van een stof waar de betreffende grenswaarde betrekking op heeft.

Ingevolge voorschrift 2.1 van bijlage 2 van de Wm gelden voor stikstofdioxide de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 200 microgram per m3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal achttien maal per kalenderjaar mag worden overschreden, en

b. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie, uiterlijk op 1 januari 2010.

Ingevolge voorschrift 4.1, van bijlage 2, gelden voor zwevende deeltjes (PM10) (hierna: fijn stof) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als 24-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 35 maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit gevoelige bestemmingen vindt, indien de uitoefening van een bevoegdheid of toepassing van een wettelijk voorschrift betrekking heeft op een geval dat behoort tot een bij artikel 3 aangewezen categorie waarvan de locatie geheel of gedeeltelijk is of zal zijn gelegen op een afstand van:

a. minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg, of;

b. minder dan 50 m vanaf de rand van een provinciale weg;

en op die locatie sprake is van een overschrijding of dreigende overschrijding op of na het daarbij behorende tijdstip van een in voorschrift 2.1 of 4.1 van bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarde, de uitoefening van die bevoegdheid of toepassing van het wettelijk voorschrift op een zodanige wijze plaats dat deze niet leidt tot een toename van het aantal ter plaatse verblijvende personen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a en b, worden als categorieën van gevallen, bedoeld in artikel 2, aangewezen gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van onderwijs aan minderjarigen en ten behoeve van kinderopvang.

Ingevolge artikel 71, eerste lid, van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 vindt het door middel van berekening vaststellen van concentraties van verontreinigende stoffen in de buitenlucht bij wegen plaats overeenkomstig de in bijlage 1 opgenomen standaardrekenmethode 1, dan wel volgens de in bijlage 2 opgenomen standaardrekenmethode 2, al naar gelang en voor zover de desbetreffende situatie valt binnen het toepassingsgebied van de ene dan wel de andere methode.

5.4. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat op grond van het Besluit niet in betekenende mate geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit behoefde plaats te vinden, overweegt de Afdeling dat het Besluit niet in betekenende mate betrekking heeft op de vraag of de gevolgen van een plan voor de luchtkwaliteit dienen te worden onderzocht. In dit geval en anders dan in de voormelde uitspraak van de Afdeling gaat het evenwel niet om de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit, maar om de vraag of het mogelijk maken van nieuwe gevoelige bestemmingen en woningen aanvaardbaar is, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen dient de luchtkwaliteit ter plaatse van nieuwe gevoelige bestemmingen die gelegen zijn op een afstand van minder dan 300 m vanaf de rand van een rijksweg te worden beoordeeld. Het plan maakt twintig woningen meer mogelijk dan het vorige plan en alle woningen zijn binnen een afstand van ongeveer 130 m van de rijksweg A2 voorzien. Met deze toename is het aantal woningen waar onderwijs aan minderjarigen en kinderdagverblijven wordt toegestaan vergroot. Onderwijs aan minderjarigen en kinderdagverblijven zijn gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Er dient derhalve te worden beoordeeld of het mogelijk maken van deze functies in overeenstemming is met het Besluit gevoelige bestemmingen. Tevens dient te worden beoordeeld of het mogelijk maken van nieuwe woningen, gelet op de bestaande luchtkwaliteit ter plaatse, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Besluit gevoelige bestemmingen (Stb. 2009,14, blz. 6) volgt dat dit besluit een aanvulling vormt op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening en dat dit beginsel het hoofdkader blijft waarin wordt beoordeeld of blootstelling aan luchtverontreiniging aanvaardbaar is.

5.5. In de plantoelichting staat dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening nader inzicht is gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. Daarbij is gebruik gemaakt van de door de Milieudienst Zuidoost-Utrecht (thans: Omgevingsdienst regio Utrecht) opgestelde luchtkwaliteitskaarten. Volgens de plantoelichting blijkt uit de waarden voor stikstofdioxide en fijn stof dat de concentraties van beide stoffen in het plangebied beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarden liggen. De raad heeft dit nader onderbouwd door uitsneden van de kaarten van de Omgevingsdienst regio Utrecht te overleggen waarop de luchtkwaliteit nauwkeuriger staat aangegeven dan op de afbeelding in de plantoelichting. Uit deze kaarten volgt dat in 2013 ter plaatse van een klein gedeelte van het plangebied de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie 38 tot 40 microgram per m3 bedroeg. Voor de rest van het plangebied lag de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie in 2013 lager. Voorts volgt uit deze kaarten dat de verwachting bestaat dat in 2014 en 2015 de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie lager zal zijn. De verwachting is dat in 2015 de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie in het plangebied ten hoogste 36 tot 38 microgram per m3 zal bedragen. De hoogste jaargemiddelde concentratie fijn stof binnen het plangebied bedroeg in 2013 27 microgram per m3.

5.6. De Afdeling ziet in hetgeen de stichting heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat aan de kaarten van de Omgevingsdienst regio Utrecht zodanige gebreken kleven of zodanige leemten in kennis bevatten dat de raad deze gegevens niet ten grondslag heeft kunnen leggen aan het plan. Voor zover de stichting aanvoert dat modelmatige berekeningen tekortschieten, overweegt de Afdeling dat, zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juli 2011 in zaak nr. 201009980/1/M2), modellen noodzakelijkerwijs een abstractie van de te verwachten werkelijkheid weergeven. De validiteit van een model wordt pas aangetast wanneer de uitkomsten te zeer afwijken van de redelijkerwijs te verwachten werkelijkheid. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Voor zover de stichting aanvoert dat ten onrechte niet de (24) - uurgemiddelden zijn berekend, overweegt de Afdeling als volgt. In de standaardrekenmethoden 1 en 2 wordt het aantal dagen waarop de grenswaarde voor het 24-uurs gemiddelde aan fijn stof wordt overschreden berekend aan de hand van de jaargemiddelde concentratie fijn stof, zodat daartussen een statistische relatie bestaat. Indien de jaargemiddelde concentratie fijn stof minder dan ongeveer 31 microgram per m3 is, zoals in dit geval, bedraagt het aantal overschrijdingsdagen minder dan 35 per kalenderjaar. Het aantal keren waarop de grenswaarde voor het uurgemiddelde aan stikstofdioxide wordt overschreden, wordt in de standaardrekenmethoden 1 en 2 ook aan de hand van de jaargemiddelde concentratie berekend. In het geval de grenswaarde voor de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie niet wordt overschreden, zoals in dit geval, wordt ook voldaan aan de norm dat de grenswaarde voor het uurgemiddelde aan stikstofdioxide niet meer dan achttien keer per kalenderjaar wordt overschreden. Uit de berekende jaargemiddelde concentraties voor stikstofdioxide en fijn stof volgt dus reeds dat aan de normen voor de (24) - uurgemiddelden aan stikstofdioxide en fijn stof wordt voldaan. Gelet hierop behoefde de raad deze (24) - uurgemiddelden niet te berekenen.

Het betoog faalt.

5.7. De Afdeling stelt vast dat het plan niet in strijd is met het Besluit gevoelige bestemmingen. Er is geen overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof en naar het oordeel van de Afdeling bestaat er ook geen dreigende overschrijding van deze grenswaarden. Weliswaar lag de jaargemiddelde concentratie aan stikstofdioxide in 2013 in een gedeelte van het plan niet veel lager dan de grenswaarde, maar uit de onder 4.4 vermelde totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit gevoelige bestemmingen volgt dat pas sprake is van een dreigende overschrijding als het in de lijn der verwachtingen ligt dat als gevolg van bepaalde ontwikkelingen of autonome groei alsnog een overschrijding kan ontstaan. Uit de kaarten van de Omgevingsdienst regio Utrecht volgt dat de verwachting bestaat dat in 2014 en 2015 de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie lager zal zijn. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het desondanks in de lijn der verwachting ligt dat de grenswaarde voor de jaargemiddelde stikstofdioxideconcentratie zal worden overschreden.

De raad heeft voorts in redelijkheid ervan kunnen uitgaan dat het mogelijk maken van twintig nieuwe woningen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, nu er geen sprake is van een overschrijding of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof.

Het betoog faalt.

6. De stichting betoogt voorts dat het plan is vastgesteld in strijd met het beleid zoals opgenomen in de Luchtnota die op 27 september 2011 door de raad is vastgesteld, omdat daarin staat dat binnen 100 m van een rijksweg geen woningen mogen worden gerealiseerd.

6.1. Volgens de raad dateert het plan voor het woningbouwproject van voor de vaststelling van de Luchtnota en is met de Luchtnota niet beoogd dit woningbouwproject te belemmeren. Dit blijkt ook uit de na de Luchtnota vastgestelde Structuurvisie Vianen (hierna: de structuurvisie), waarin het woningbouwproject als wenselijke ontwikkeling is aangewezen.

6.2. In de Luchtnota staat dat luchtvervuiling als gevolg van verkeer schadelijk is voor de gezondheid en dat Vianen daarom bij ruimtelijke plannen binnen 300 m van de rijkswegen aandacht aan de luchtkwaliteit besteedt en binnen 100 m van de rijkswegen geen gevoelige bestemmingen toestaat. Verder staat in de Luchtnota dat gebouwen waarin bepaalde groepen verblijven, zoals kinderen en ouderen, worden beschermd. Daaronder verstaat Vianen onder meer woningen in zijn algemeenheid.

6.3. De structuurvisie is op 4 december 2012 door de raad vastgesteld. In de structuurvisie staat dat de gemeente een belangrijk deel van de woningbouwopgave binnenstedelijk wil realiseren. De gemeente heeft daarom een aantal locaties aangewezen waar woningbouw in de vorm van inbreiding of herstructurering/transformatie met nieuwbouw van (extra) woningen wordt gerealiseerd. Het plangebied is aangewezen als één van die locaties.

6.4. De Afdeling stelt vast dat uit de structuurvisie volgt dat binnen het plangebied nieuwe woningen kunnen worden toegestaan. Uit de Luchtnota volgt evenwel dat het niet mogelijk is om nieuwe woningen binnen het plangebied te realiseren. De structuurvisie en de Luchtnota zijn derhalve tegenstrijdig met elkaar, zodat de vraag voorligt of de structuurvisie dan wel de Luchtnota voorrang heeft. De Afdeling is van oordeel dat de structuurvisie voorrang heeft op de Luchtnota, gelet op de omstandigheid dat de structuurvisie van recenter datum is. Er komt in dit geval dus geen betekenis toe aan de Luchtnota.

Het betoog faalt.

Geluid

7. De stichting betoogt voorts dat in het plan ten onrechte niet voor alle woningen aan de Wilhelminastraat is bepaald dat deze met een dove gevel dienen te worden uitgevoerd. Volgens haar is de raad ten onrechte ervan uitgegaan dat een deel van deze woningen als vervangende nieuwbouw kan worden aangemerkt waarvoor geen maatregelen tegen geluidbelasting behoeven te worden getroffen. Zij stelt dat alle woningen aan de Wilhelminastraat als nieuwe woningen dienen te worden aangemerkt, omdat het merendeel van de woningen op een andere locatie zal worden gebouwd. Het onderscheid tussen nieuwe en bestaande woningen is volgens haar niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening.

7.1. Ingevolge artikel 76, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) worden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden, behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 ter zake van de geluidsbelasting, vanwege de weg waarlangs die zone ligt, van de gevel van woningen, van andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen binnen die zone de waarden in acht genomen, die ingevolge artikel 82 en 100 als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt.

Ingevolge 82, eerste lid is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB, behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde.

Ingevolge artikel 83, eerste lid, kan voor de ter plaatse ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting als bedoeld in artikel 82, eerste lid, een hogere dan de in dat artikel genoemde waarde worden vastgesteld, met dien verstande dat deze waarde, buiten de in de volgende leden bedoelde gevallen, voor woningen in buitenstedelijk gebied 53 dB en voor woningen in stedelijk gebied 58 dB niet te boven mag gaan.

Ingevolge het vijfde lid kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot in het stedelijk gebied nog te bouwen woningen die nog niet zijn geprojecteerd en die dienen ter vervanging van bestaande woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, voor de te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste 68 dB worden vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:

a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige functie of structuur;

b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen;

Ingevolge het zesde lid kan bij toepassing van het eerste lid met betrekking tot binnen de bebouwde kom nog te bouwen woningen binnen de zone langs een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, die nog niet zijn geprojecteerd en die dienen ter vervanging van bestaande woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen, voor de te verwachten geluidsbelasting vanwege een aanwezige weg een waarde van ten hoogste 63 dB worden vastgesteld, met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot:

a. een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige functie of structuur;

b. een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogste 100 woningen.

7.2. De Afdeling overweegt dat het college van burgemeester en wethouders hogere waarden heeft vastgesteld voor de voorziene woningen aan de Wilhelminastraat. Het betoog van de stichting dat alle woningen aan de Wilhelminastraat als nieuwe woningen moet worden aangemerkt omdat het merendeel van de woningen op een andere locatie zal worden gebouwd kon in een procedure over dat besluit worden aangevoerd. Dat betoog ziet namelijk op de vraag of voldaan is aan de voorwaarde voor het vaststellen van hogere waarden voor vervangende nieuwbouw, te weten dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedebouwkundige functie of structuur als bedoeld in artikel 83, vijfde en zesde lid, van de Wgh. De stichting heeft haar beroep tegen dat besluit evenwel ingetrokken en de vastgestelde waarden zijn derhalve in rechte onaantastbaar geworden. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 22 oktober 2014 in zaak nr. 201401347/1/R6 overweegt de Afdeling dat daarom in deze procedure moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de vastgestelde hogere waarden. Ter beoordeling staat slechts of de raad bij de vaststelling van het plan de vastgestelde hogere waarden in acht heeft genomen. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek Wegverkeerslawaai 70 woningen aan de Wilhelminastraat te Vianen" van 19 april 2013 van het bureau Voortman Ingenieurs volgt dat bij de vervangende nieuwbouw geen dove gevel behoeft te worden toegepast om te kunnen voldoen aan de vastgestelde waarden. De stichting heeft het rapport op dit punt niet bestreden. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op dit punt is vastgesteld in strijd met de bepalingen uit de Wgh.

Het betoog faalt.

Flora- en faunawet

8. De stichting voert voorts aan dat als gevolg van het kappen van een aantal bomen een gedeelte van de vliegroute van de vleermuizen zal verdwijnen. Volgens de stichting is daarom niet verzekerd dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) wordt overtreden.

8.1. De Afdeling overweegt dat de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde komen in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2. De Afdeling overweegt dat in het rapport "Aanvullend onderzoek beschermde soorten Wilhelminastraat e.o." van 17 juli 2013 van het bureau Zoon Ecologie wordt geconcludeerd dat de vliegroute langs de Wilhelminastraat onaangetast blijft, omdat bijna alle bomen worden gespaard. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze conclusie onjuist is. De enkele stelling dat een aantal bomen zal worden gekapt is daarvoor onvoldoende. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog faalt.

Conclusie

9. Gelet op het voorgaande is het beroep van de stichting ongegrond. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad en Lekstede dat artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan vernietiging niet te worden besproken.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Driel Kluit

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

703.