Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4097

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201403593/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de burgemeester twee toezichthouders van de gemeente Waalre een machtiging verleend om zonder toestemming van de bewoners binnen te treden in de woonwagen op de standplaats [locatie 1] te Waalre.

Wetsverwijzingen
Algemene wet op het binnentreden
Algemene wet op het binnentreden 2
Algemene wet op het binnentreden 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2015/4 met annotatie van ing. W. Vos
BA 2014/267
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6529
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6530
AB 2015/113

Uitspraak

201403593/1/A3.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Waalre,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2014 in zaak nr. 14/67 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Waalre.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2013 heeft de burgemeester twee toezichthouders van de gemeente Waalre een machtiging verleend om zonder toestemming van de bewoners binnen te treden in de woonwagen op de standplaats [locatie 1] te Waalre.

Bij besluit van 28 november 2013 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en de burgemeester, vertegenwoordigd door T. Sayilgan en H.M.M.A. Claassen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Algemene wet op het binnentreden (hierna: Awbi) is voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, is, voor zover de wet niet anders bepaalt, de burgemeester bevoegd tot het geven van een machtiging tot binnentreden in een woning, gelegen binnen zijn gemeente, voor andere doeleinden dan strafvordering.

Ingevolge het derde lid gaat degene die bevoegd is een machtiging te geven daartoe slechts over, indien het doel, waartoe wordt binnengetreden, het binnentreden zonder toestemming van de bewoner redelijkerwijs vereist.

2. Aan het besluit van 28 november 2013 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat het binnentreden in de woonwagen noodzakelijk was wegens het vermoeden van een brandgevaarlijke situatie en het vermoeden dat de woonwagen is gebouwd en/of uitgebreid in afwijking van de verleende bouwvergunning. Deze vermoedens van overtredingen van de Woningwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) zijn gebaseerd op signalen die de gemeente ontving over het woonwagencentrum aan de Broekweg en geconstateerde verschillen tussen de van buitenaf waarneembare situatie en de bij de verleende bouwvergunning behorende tekeningen en luchtfoto’s.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet te verwachten was dat hij de toezichthouders vrijwillig toestemming zou geven om zijn woonwagen te inspecteren. Voorts heeft de rechtbank miskend dat hem is toegezegd dat zijn woonwagen niet zou worden gecontroleerd en de burgemeester overleg met hem had moeten plegen alvorens een machtiging tot binnentreden te verlenen, aldus [appellant]. De burgemeester heeft in strijd gehandeld met artikel 3, derde lid, van de Awbi en het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht op privacy. Dit is door de rechtbank miskend, aldus [appellant]. Voorts heeft zij miskend dat de burgemeester misbruik heeft gemaakt van zijn macht door de toezichthouders een machtiging te verlenen. Hiertoe voert [appellant] aan dat de burgemeester de bewoners van het woonwagencentrum verdenkt van de brand in het gemeentehuis van Waalre en de burgemeester derhalve hard is gaan optreden tegen de bewoners van het woonwagencentrum. Hiervan getuigt de aanwezigheid van de politie tijdens de controle en de omstandigheid dat de burgemeester voor alle bewoners van het woonwagencentrum dezelfde machtiging heeft verleend, terwijl de burgemeester er niet van uit mocht gaan dat er in alle gevallen grond was om binnen te treden, aldus [appellant].

3.1. Op 19 februari 2013 heeft een omvangrijke controle op het woonwagencentrum plaatsgevonden. Uit het controlerapport dat is opgemaakt naar aanleiding van de op die dag uitgevoerde controle van de woonwagen van de zoon van [appellant] aan de [locatie 2], blijkt dat [appellant] dreigende taal heeft uitgeslagen en een toezichthouder heeft geduwd. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet te verwachten was dat [appellant] vrijwillig toestemming zou geven voor de controle van zijn woonwagen. Dat, zoals door [appellant] gesteld, hem op 19 februari 2013 is toegezegd dat wordt afgezien van binnentreden in zijn woonwagen, betekent niet dat deze gestelde toezegging ook geldt voor een latere controle. Hierbij is van belang dat de burgemeester ter zitting heeft toegelicht dat de controle van het woonwagencentrum op advies van de politie in verband met de grootte van de controle is opgedeeld in twee dagen. Nu [appellant] voorts in hoger beroep niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de vermoedens van overtredingen van de Woningwet en de Wabo doelen zijn die het binnentreden zonder voorafgaande toestemming van een bewoner redelijkerwijs vereisen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien te oordelen dat de burgemeester in strijd met artikel 3, derde lid, van de Awbi heeft gehandeld.

3.2. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de burgemeester in strijd heeft gehandeld met artikel 8 van het EVRM. Het binnentreden van de woonwagen van [appellant] betekent weliswaar een inmenging van de overheid als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, maar die bepaling voorziet in de mogelijkheid van beperking van het huisrecht als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit hier het geval is. De bevoegdheid tot binnentreden zonder toestemming van de bewoner is in de Awbi voorzien en voldoet, gelet op hetgeen is overwogen in 3.1, aan de eisen van dringende maatschappelijke noodzaak en evenredigheid.

3.3. Wat betreft het betoog van [appellant] dat de burgemeester zijn macht heeft misbruikt, overweegt de Afdeling het volgende. De machtiging die de burgemeester heeft verleend aan twee toezichthouders ziet specifiek op de woonwagen van [appellant] op de standplaats [locatie 1]. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gegeven dat eenzelfde machtiging ook voor andere woonwagens is verleend, niet wegneemt dat de in geding zijnde machtiging is verleend voor het binnentreden van een individuele woning. De enkele aanwezigheid van de politie bij het binnentreden getuigt niet van machtsmisbruik nu het de toezichthouders krachtens artikel 5:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is toegestaan zich bij het binnentreden te laten bijstaan door de politie. Voorts berust het betoog van [appellant] dat de burgemeester zijn macht misbruikt omdat hij de bewoners van het woonwagencentrum verdenkt van de brand in het gemeentehuis, uitsluitend op speculaties. Het betoog van [appellant] faalt derhalve. De rechtbank is terecht tot een zelfde conclusie gekomen.

4. Ten slotte betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de toezichthouders bij het binnentreden buitensporig hebben opgetreden en zij in het verslag van binnentreden een onbetrouwbaar beeld hebben geschetst.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in deze procedure ter toetsing staat of de burgemeester op grond van de op dat moment bekende informatie bevoegd was tot het verlenen van de machtiging tot het binnentreden van de woonwagen van [appellant]. Gelet op dit toetsingskader heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de verslaglegging van het binnentreden en de feitelijke gang van zaken bij het binnentreden niet ter beoordeling staan.

De betogen falen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, griffier.

w.g. Verheij w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

434-816.