Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4091

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201403198/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de burgemeester [appellant] gelast de [belwinkel], gevestigd aan [locatie] te Leeuwarden, voor het publiek te sluiten van 14 februari 2013 om 09:00 uur tot en met 14 augustus 2013 om 09:00 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403198/1/A3.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leeuwarden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 3 maart 2014 in zaak nr. 13/2388 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Leeuwarden.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft de burgemeester [appellant] gelast de [belwinkel], gevestigd aan [locatie] te Leeuwarden, voor het publiek te sluiten van 14 februari 2013 om 09:00 uur tot en met 14 augustus 2013 om 09:00 uur.

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. van Kammen, advocaat te Leeuwarden, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. R.T. Offringa, werkzaam bij de gemeente Leeuwarden, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Bij de uitoefening van deze bevoegdheid hanteert de burgemeester de beleidsregels zoals neergelegd in de Nota "Handhavingsarrangement bijzondere wetten horeca, coffeeshops, prostitutie en kansspelen", die in werking is getreden op 30 december 2010 (hierna: het beleid). Volgens onderdeel G wordt bij een eerste overtreding van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven, niet zijnde coffeeshops, indien het gaat om de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, de locatie zonder waarschuwing voor de duur van zes maanden gesloten. In de toelichting is vermeld dat onder een handelshoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid hard- of softdrugs die de gebruikershoeveelheid overschrijdt en bestemd is voor handel en verkoop. Onder een gebruikershoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die doorgaans wordt aangeboden voor eigen gebruik. Dit is voor harddrugs één bolletje, één pil of 0,5 gram.

2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 februari 2013 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd, een mutatierapport van 20 december 2012 en een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 7 januari 2013 van de politie Fryslân. Uit deze stukken volgt dat bij onderzoek op 20 december 2012 door de Kansspelautoriteit, waarbij ondersteuning werd geboden door de politie, in de belwinkel is waargenomen dat één van de aanwezigen een plastic zakje met daarin enige substantie weggooide. Vastgesteld is dat het ging om negentien gram harddrugs, bestaande uit zeventien bolletjes en één brokje cocaïne en dertien bolletjes en twee brokjes heroïne. Gelet op het gewicht, de hoeveelheid bolletjes en de aangetroffen brokken heroïne en cocaïne gaat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid om een handelshoeveelheid drugs. De desbetreffende persoon is eerder aangehouden wegens het bezit van een handelshoeveelheid cocaïne en heroïne.

Voorts volgt uit het proces-verbaal dat het Woning Inbraken Team van de politie de belwinkel in de periode rond maart 2012 gedurende twee maanden heeft geobserveerd in het kader van een onderzoek naar heling van gestolen goederen. Daarbij werd waargenomen dat bij de politie bekende drugsgebruikers het pand veelvuldig bezochten. De waargenomen handelingen duidden op de handel van verdovende middelen. Volgens de politie gingen de drugsgebruikers naar binnen, vond een handeling met een overdracht plaats, en kwamen zij binnen een minuut weer buiten, waarbij niet werd gezien dat goederen van enige omvang werden meegenomen. Ook uit informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid en waarnemingen van opsporingsambtenaren volgt dat de belwinkel veelvuldig wordt bezocht door drugsgebruikers. Verder heeft een getuige in een verhoor op 3 januari 2013 verklaard dat de zoon van de eigenaar die in de belwinkel werkt, vanuit de belwinkel cocaïne verkoopt en zijn meldingen gedaan van vermoedens van illegale activiteiten waaronder heling en drugshandel in en rond het pand. Gedurende langere tijd bestaat de verdenking dat vanuit het pand [locatie] te Leeuwarden strafbare feiten worden gepleegd, aldus het proces-verbaal.

3. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich gezien het proces-verbaal op het standpunt heeft mogen stellen dat er aanwijzingen zijn op grond waarvan het aannemelijk is dat in of vanuit de belwinkel wordt gehandeld in drugs. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet is vereist dat daadwerkelijk harddrugs zijn verhandeld. De burgemeester was bevoegd handhavend op te treden.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het door de burgemeester bij de aanwending van de bevoegdheid gevoerde beleid niet onredelijk is, dat hij zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een sluiting van zes maanden noodzakelijk is en dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die noopten tot afwijking van het beleid. De burgemeester heeft in redelijkheid de onmiddellijke sluiting van de belwinkel voor de duur van zes maanden kunnen gelasten, aldus de rechtbank.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft meegewogen dat hij in zijn belwinkel voornamelijk klanten heeft die verslaafd zijn dan wel anderszins met drugshandel te maken hebben. Juist een groot deel van die klanten heeft geen telefoonabonnement en evenmin een computer. Voorts is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op het door hem ter zitting bij de rechtbank gestelde dat de handel in telefoonkaarten, gezien de snelheid van de transactie, door de politie kan zijn aangezien als handel in drugs.

Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet als een bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt dat de aanwezigheid van harddrugs in de belwinkel hem niet kan worden aangerekend en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afdoende maatregelen heeft getroffen om drugshandel te voorkomen. Zijn winkel is van achter de balie geheel overzichtelijk en er hangt een camera. Indien verdachte handelingen zouden plaatsvinden, zou dat door hem worden opgemerkt. Voorts heeft de burgemeester gehandeld in strijd met het verbod op willekeur, nu, anders dan bij de belwinkel, bij McDonald’s vlakbij de Weaze te Leeuwarden geen onderzoek is verricht, terwijl in die omgeving ook veel drugshandel plaatsvindt en in het pand van McDonald’s vaak veel drugshandelaren aanwezig zijn. Het ophangen van een beveiligingscamera is daar kennelijk wel een afdoende maatregel, aldus [appellant].

4.1. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 december 2013 in zaak nr. 201300425/1/A3 overweegt de Afdeling dat de hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs kan indiceren dat deze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en derhalve dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is, waarbij in redelijkheid kan worden aangesloten bij de door het openbaar ministerie toegepaste criteria. Volgens die criteria, die ook als zodanig in het beleid zijn verwerkt, wordt een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik aangemerkt. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs in een pand brengt met zich dat aan artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de bevoegdheid tot sluiting van dat pand kan worden ontleend.

4.2. Niet in geschil is dat op 20 december 2012 in de belwinkel negentien gram cocaïne en heroïne, en derhalve een handelshoeveelheid, aanwezig was. Cocaïne en heroïne worden vermeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, betreffende harddrugs. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd was te gelasten de belwinkel te sluiten. Hetgeen door [appellant] is betoogd over de handel in telefoonkaarten die kan zijn aangezien als handel in drugs kan daaraan niet afdoen. Derhalve heeft de rechtbank geen aanleiding behoeven te zien dit in haar oordeel te betrekken. Dit geldt evenzo voor het door [appellant] gestelde dat in de belwinkel voornamelijk klanten zijn die verslaafd zijn of anderszins met drugshandel te maken hebben en die geen telefoonabonnement of computer hebben.

4.3. Ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht kan de burgemeester afwijken van het beleid indien handelen overeenkomstig het beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen bijzondere omstandigheden geconstateerd die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van het beleid af te wijken. De stelling van [appellant] dat de aanwezigheid van harddrugs in de belwinkel hem niet kan worden aangerekend, is niet een zodanige omstandigheid. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 maart 2014 in zaak nr. 201305782/1/A3), speelt de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de beoordeling of zich een situatie voordoet die tot sluiting noopt. [appellant] is als exploitant verantwoordelijk voor de gang van zaken in de belwinkel en dient afdoende maatregelen te treffen om feiten als hier in geding te voorkomen. Nu een handelshoeveelheid harddrugs in de belwinkel is aangetroffen, heeft hij klaarblijkelijk niet afdoende maatregelen getroffen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 april 2012 in zaak nr. 201105936/1/A3), mag een bestuursorgaan, evenals de rechter, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat in dit geval niet van de juistheid van voormeld proces-verbaal mag worden uitgegaan.

Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de burgemeester heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur door in de belwinkel wel, maar bij McDonald’s geen onderzoek te verrichten. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van 7 januari 2013 volgt dat de belwinkel in de periode rond maart 2012 is geobserveerd door het Woning Inbraken Team van de politie in het kader van een onderzoek naar heling in gestolen goederen en dat de Kansspelautoriteit, daarbij ondersteund door de politie, op 20 december 2012 onderzoek in de belwinkel heeft verricht. De onderzoeken in de belwinkel zijn primair dus niet door de burgemeester ingesteld wegens vermeende drugshandel. Voorts zijn er, naar de burgemeester heeft aangevoerd, geen aanwijzingen dat er in of vanuit de desbetreffende McDonald’s in drugs wordt gehandeld.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

280-741.