Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201403324/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2014 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een tijdelijk huisverbod opgelegd. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 20 maart 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403324/1/A3.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Weert,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 6 maart 2014 in zaken nrs. C/04/188322 en C/04/188323 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Weert,

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2014 heeft de burgemeester aan [wederpartij] een tijdelijk huisverbod opgelegd. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd tot 20 maart 2014.

Bij mondelinge uitspraak van 6 maart 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2014 vernietigd. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2014, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. de Corti, M.M.H.F. Rosbergen en P.F.J. van der Heul, allen werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. M.F.A.M. Collart, advocaat te Eindhoven, zijn verschenen.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de wet) kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, betrekt de rechter bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

Ingevolge het tweede lid heeft het beroep of hoger beroep tegen het huisverbod mede betrekking op een beschikking tot verlenging van het huisverbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod betrekt de burgemeester bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden.

Ingevolge het tweede lid hebben de in het eerste lid bedoelde feiten en omstandigheden betrekking op:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden van de persoon, bedoeld onder a, en degenen die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Ingevolge het derde lid worden onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a, mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging, bedoeld in het eerste lid.

2. Uit het besluit van 20 februari 2014 volgt dat de oplegging van het huisverbod is gebaseerd op het Risicotaxatie instrument Huiselijk Geweld (hierna: het RiHG). Aan de oplegging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [echtgenote] van [wederpartij], heeft aangevoerd dat ze door hem is mishandeld, dat hij haar heeft geschopt en dat ze de afgelopen drie jaren twintig maal is mishandeld. Voorts heeft [wederpartij] vaak woorden met [echtgenote], hetgeen vaak eindigt in fysiek geweld en dreigementen. [echtgenote] heeft sinds kort geen werk meer. [wederpartij] heeft evenmin werk. Hierdoor zijn er behoorlijk wat spanningen. [wederpartij] controleert de contacten van [echtgenote]; zij dient zich steeds te verantwoorden. Uit politiegegevens blijkt voorts dat [echtgenote] tweemaal eerder melding heeft gedaan van huiselijk geweld. In geen van deze gevallen en evenmin in dit geval is letsel bij haar vastgesteld. Volgens de burgemeester bestaat gelet op deze feiten en omstandigheden ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van [echtgenote], dan wel een ernstig vermoeden van dit gevaar. Het belang van [wederpartij] bij ongestoord woongenot en contact met de achterblijvers weegt niet op tegen het belang van de veiligheid van die achterblijvers.

Aan het besluit van 28 februari 2014 tot verlenging van het huisverbod heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat [wederpartij] te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan het zogenaamde traject van het tijdelijk huisverbod van het Algemeen Maatschappelijk Werk Midden-Limburg, hij het huiselijk geweld nog steeds ontkent, zijn houding op dit punt onveranderd is en de veiligheid van [echtgenote] en de dochter niet is gewaarborgd.

3. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat zich ten tijde van het opleggen van het huisverbod geen omstandigheden als bedoeld in artikel 2 van de wet voordeden. De burgemeester heeft zich uitsluitend gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen van de hulpofficier van justitie van 20 februari 2014, alsmede de gegevens zoals opgenomen in het RiHG, welke beide uitsluitend zijn opgemaakt aan de hand van de verklaring van [echtgenote]. Op grond van de verklaring van [wederpartij] is weliswaar aannemelijk dat tussen hen hevige ruzies hebben plaatsgevonden, doch over de frequentie en het verloop van die ruzies zijn geen objectieve gegevens, zoals getuigenverklaringen, politieregistraties of vaststellingen van letsel, beschikbaar gesteld. Er bestaat dan ook geen enkele zekerheid of zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de in de woning aanwezige personen dan wel een vermoeden daarvan heeft voorgedaan. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2012 in zaak nr. 201102246/1/A3.

4. De burgemeester bestrijdt deze overweging van de voorzieningenrechter. Hij betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van 8 februari 2012, nu, anders dan in die zaak, [wederpartij] op correcte wijze is gehoord en zijn mening voldoende naar voren heeft kunnen brengen bij zowel het opleggen als het verlengen van het huisverbod. Voorts heeft de voorzieningenrechter miskend dat aan de oplegging van het huisverbod feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, die in geobjectiveerde vorm in het RiHG en het proces-verbaal van bevindingen zijn vastgelegd. Gelet op de ter plaatse aangetroffen situatie en de inschatting hiervan door de politie regio Limburg-Noord, de reactie van zowel [wederpartij] als [echtgenote], het feit dat eerder tegen [wederpartij] een melding van huiselijk geweld is gedaan en de uitkomst van het ingevulde RiHG heeft de politie terecht de inschatting gemaakt dat zich een acute dreiging voor [echtgenote] voordeed. De voorzieningenrechter heeft hem ten onrechte tegengeworpen dat geen dan wel onvoldoende rekening is gehouden met de verklaring van [wederpartij]. Voorts heeft de voorzieningenrechter miskend dat verschil bestaat in bewijslast tussen het strafrecht en het bestuursrecht en ten onrechte overwogen dat de burgemeester bewijs had moeten vergaren, zoals getuigenverklaringen. Ook is de voorzieningenrechter geheel voorbijgegaan aan de maatschappelijk gevoelde noodzaak om zoveel mogelijk een einde te maken aan huiselijk geweld. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter, nu ten tijde van de uitspraak de verlenging van het huisverbod nog gold, bij de beoordeling van de oplegging van dat huisverbod niet dan wel onvoldoende de feiten en omstandigheden betrokken die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de wet, aldus de burgemeester.

4.1. Anders dan waarvan de burgemeester lijkt uit te gaan, is de Afdeling in de uitspraak van 8 februari 2012 niet tot het oordeel gekomen dat de uithuisgeplaatste niet of onvoldoende in de gelegenheid was gesteld te worden gehoord. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte naar die uitspraak heeft verwezen.

Zoals in die uitspraak is overwogen, is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin er voldoende grond is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet.

4.2. Zoals hiervoor onder 2 is overwogen, volgt uit het besluit van 20 februari 2014 dat dat is gebaseerd op het RiHG. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat, anders dan de burgemeester aanvoert, de overwegingen die de oplegging van het huisverbod dragen uitsluitend zijn gebaseerd op de verklaring van [echtgenote]. De verklaring van [wederpartij] is daarbij niet betrokken. Uit een intakeformulier, dat is ingevuld door de zogenoemde casemanager bij het huisbezoek naar aanleiding van de melding, volgt dat [wederpartij] heeft verklaard dat geen geweld heeft plaatsgevonden en dat [echtgenote] probeerde hem te laten struikelen door een been voor zijn voeten te zetten terwijl hij langs liep, waarbij hij onopzettelijk op haar scheenbeen is gaan staan. Voorts heeft hij verklaard dat er vaak ruzie is en dat [echtgenote] hem wil benadelen door leugens te vertellen, vooral over het geweld. Hetzelfde geldt voor twee eerdere meldingen die zij jegens hem heeft gedaan. Ten tijde van de vorige melding was hij door [echtgenote] buitengesloten en kon hij derhalve, anders dan zij destijds de politie heeft verteld, geen geweld hebben gebruikt. Dit geldt evenzo voor de andere melding, aangezien hij ten tijde van die melding niet in Nederland verbleef, aldus de verklaring van [wederpartij].

De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat de verklaring van [echtgenote] ten dele tegenstrijdig is aan die van [wederpartij]. Op grond van de verklaringen van [echtgenote] en [wederpartij] is weliswaar aannemelijk dat er vaak ruzie is en een incident tussen hen heeft plaatsgevonden, maar beiden hebben over het verloop van het incident uiteenlopende verklaringen afgelegd. Verder is, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, niet naar voren gekomen dat [echtgenote] letsel heeft overgehouden aan hetgeen heeft plaatsgevonden en zijn er geen andere objectieve gegevens beschikbaar, bijvoorbeeld in de vorm van getuigenissen van derden, die de verklaring van [echtgenote] bevestigen. Voorts is bij de eerdere meldingen evenmin letsel bij [echtgenote] vastgesteld en weerspreekt [wederpartij] dat hij destijds geweld heeft gebruikt. Daarbij komt dat de burgemeester ter zitting heeft erkend dat hij de verklaringen van [echtgenote] over de vorige meldingen niet heeft nagetrokken. Dat, zoals de burgemeester aanvoert, in het bestuursrecht een andere bewijslast geldt dan in het strafrecht, neemt niet weg dat de burgemeester voormelde omstandigheden in de besluitvorming had moeten betrekken. Dat, naar de burgemeester ter zitting heeft gesteld, hulpverlening dringend gewenst was, laat onverlet dat, zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, de bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod slechts kan worden aangewend indien er voldoende feitelijke grondslag is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen voordoet. De burgemeester heeft zich ten onrechte uitsluitend op grond van de verklaring van [echtgenote] en de omstandigheid dat zij reeds eerder meldingen van huiselijk geweld heeft gedaan op het standpunt gesteld dat een dergelijke situatie zich voordeed. Het maatschappelijk belang bij het weren van huiselijk geweld laat onverlet dat de aanwending van ingrijpende bevoegdheden beperkt moet blijven tot de gevallen waarin is voldaan aan de rechtens aan die aanwending te stellen eisen.

4.3. De voorzieningenrechter heeft daarom terecht overwogen dat zich ten tijde van het opleggen van het huisverbod geen feiten of omstandigheden voordeden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet. De burgemeester was derhalve niet bevoegd het huisverbod op te leggen. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 20 februari 2014 dan ook terecht vernietigd.

5. Gelet hierop is aan het besluit van 28 februari 2014 tot verlenging van het huisverbod de grondslag komen te ontvallen. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte nagelaten dit besluit eveneens te vernietigen. Hetgeen de burgemeester over dit besluit heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de voorzieningenrechter daarbij heeft nagelaten het besluit van 28 februari 2014 te vernietigen. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling dat besluit alsnog vernietigen. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. De burgemeester dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg van 6 maart 2014 in zaken nrs. C/04/188322 en C/04/188323, voor zover de voorzieningenrechter daarbij heeft nagelaten het besluit van de burgemeester van Weert van 28 februari 2014, zonder kenmerk, te vernietigen;

III. vernietigt dat besluit;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. veroordeelt de burgemeester van Weert tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Vlasblom w.g. Neuwahl

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

280-741.