Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201402837/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:1242, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van vier reclame-uitingen aan vier zijden van de gevels van het bedrijfsgebouw van Automotions aan de Pearyweg 19 te Goes en het plaatsen van vijf groepen van drie vlaggenmasten op het omliggende terrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402837/1/A4.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Automotions Holding B.V. (hierna: Automotions), gevestigd te Goes,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 februari 2014 in zaak nr. 13/1366 in het geding tussen:

Automotions

en

het college van burgemeester en wethouders van Goes.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanbrengen van vier reclame-uitingen aan vier zijden van de gevels van het bedrijfsgebouw van Automotions aan de Pearyweg 19 te Goes en het plaatsen van vijf groepen van drie vlaggenmasten op het omliggende terrein.

Bij besluit van 16 januari 2013 heeft het college het door Automotions daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2014 heeft de rechtbank het door Automotions daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Automotions hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 oktober 2014, waar Automotions, vertegenwoordigd door mr. J.A. de Waard, advocaat te Goes, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. Daniëlse, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft Automotions stukken ingediend. Deze stukken hebben de Afdeling aanleiding gegeven om het onderzoek te heropenen. Er zijn nog stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan Automotions toegezonden. Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt een aanvraag die betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, hier aan de orde, geweigerd indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

2. Het college heeft de vergunning, voor zover hier van belang, geweigerd omdat de bouwwerken in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Het heeft zich hierbij gebaseerd op het advies van de welstandscommissie van de gemeente Goes van 12 juli 2012 (hierna: het welstandsadvies).

3. Automotions betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het welstandadvies aan zijn weigering ten grondslag heeft mogen leggen. Hiertoe voert zij aan dat het college de in het welstandsadvies gehanteerde criteria uit de welstandnota Goes van 1 juli 2004 (hierna: Welstandsnota 2004) in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft toegepast. Het college zou veelvuldig in strijd met het welstandsbeleid vergunningen hebben verleend. Zij wijst hierbij in het bijzonder op reclame-uitingen op de bedrijfsgebouwen van Imtech en Tramper Technology, alsmede die op de bedrijfsgebouwen van het terrein De Etalage, zoals op het bedrijfsgebouw van Zwartepoorte.

3.1. Niet in geschil is dat de door Automotions aangevraagde reclame-uitingen en de vlaggenmasten niet voldoen aan de criteria van de, ten tijde van belang geldende, Welstandsnota 2004 en overigens ook niet aan de nadien verschenen welstandsnota (hierna: Welstandsnota 2013). In zoverre is in het welstandadvies dan ook terecht geconcludeerd dat de aanvraag in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

3.2. Ter beoordeling staat of het college ondanks dit advies aanleiding had moeten zien af te zien van weigering van de gevraagde vergunning op de door Automotions gestelde grond dat het dat ook in rechtens vergelijkbare gevallen heeft gedaan. Daarbij is onder meer van belang of het college eerder vergunning voor bouwen heeft verleend terwijl niet werd voldaan aan de criteria uit de Welstandsnota 2004.

3.3. Voor zover Automotions wijst op reclame-uitingen op de bedrijfsgebouwen van het terrein De Etalage, is ter zitting onweersproken gesteld dat deze uitingen zijn aangebracht voordat de Welstandsnota 2004 het geldende welstandsbeleid werd. Er gold in die tijd ook geen ander welstandsbeleid voor dit terrein. Reeds hierom is in zoverre geen gelijk geval aan de orde.

Wat betreft de reclame-uitingen van Tramper Technology, heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat de bouw ervan is vergund op het moment dat de Welstandsnota 2013 van toepassing was en dat deze uitingen daar ook niet mee in strijd zijn. Ook in zoverre is geen gelijk geval aan de orde.

Wat het bedrijfsgebouw van Imtech betreft, is komen vast te staan dat daarvoor vergunning is verleend terwijl niet geheel werd voldaan aan de destijds van toepassing zijnde Welstandsnota 2004. Het gaat om een in strijd met die welstandsnota op het dak van het gebouw geplaatste vlaggenmast - het standpunt van het college dat moet worden aangenomen dat deze mast is aangevraagd en vergund als een antennemast volgt de Afdeling niet - en om meer reclame-uitingen aan de gevel dan volgens de welstandsnota zijn toegestaan. Deze afwijking is slechts ten dele vergelijkbaar met de door Automotions gewenste afwijking. Bij Imtech gaat het om één solitaire vlaggenmast, bij Automotions om een aantal clusters van vlaggenmasten. Verder gaat het wat de reclame-uitingen aan de gevels betreft bij Imtech, anders dan bij Automotions, niet om reclame-uitingen die boven de dakrand uitsteken. De reclame-uitingen van Imtech voldoen overigens, anders dan die van Automotions, wel aan de inmiddels van toepassing zijnde Welstandsnota 2013.

3.4. Gezien het voorgaande is niet gebleken van het, zoals Automotions betoogt, veelvuldig in gelijke gevallen vergunnen van bouwwerken in strijd met de Welstandsnota 2004, maar slechts van één ten dele gelijk geval. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen onder deze omstandigheden geen situatie aan de orde is waarin het college, ondanks de strijdigheid met de redelijke eisen van welstand, vanwege het gelijkheidsbeginsel vergunning had behoren te verlenen voor de reclame-uitingen van Automotions.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

262-769.