Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201402552/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het CBR ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van drie jaar. Bij besluit van dezelfde datum heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid te registreren voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie C.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402552/1/A1.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 februari 2014 in zaak nr. 13/4286 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2012 heeft het CBR ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B voor een termijn van drie jaar. Bij besluit van dezelfde datum heeft het CBR geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geschiktheid te registreren voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie C.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het CBR het door [appellant] tegen deze besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Beverwijk, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, eerste volzin, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag, alsmede op de in dit hoofdstuk vastgestelde wijze, en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager.

Ingevolge artikel 103, eerste lid, eerste volzin, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid.

Ingevolge artikel 104, eerste lid, kan de aanvrager van een verklaring van geschiktheid, indien hij een mededeling heeft ontvangen dat geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt geregistreerd, binnen vier weken na ontvangst daarvan het CBR verzoeken een of meer artsen aan te wijzen voor een keuring of herkeuring op zijn eigen kosten.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling)wordt, voor zover hier van belang, in deze regeling onder groep 1 verstaan rijbewijzen van de categorie B.

Ingevolge aanhef en onder b, wordt, voor zover hier van belang, onder groep 2 verstaan rijbewijzen van de categorie C.

Ingevolge artikel 2 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In de bijlage is in hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" in paragraaf 8.2. "Psychosen" onder 8.2.1 "Schizofrenie en andere psychotische stoornissen" bepaald dat psychotische episoden de betrokkene ongeschikt maken voor elk rijbewijs. Als sprake is van een geslaagde behandeling (twee jaar recidiefvrij, een zekere mate van ziekte-inzicht) en de defecttoestand hooguit licht van aard is, hoeft er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te verklaren voor het rijbewijs. Wel is dan steeds een specialistisch rapport vereist. Bij een gunstig rapport bedraagt de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar; deze personen zullen alleen geschikt zijn voor rijbewijzen van groep 1.

2. Aan de bij het besluit van 27 mei 2013 gehandhaafde beperkte geldigheidstermijn van de verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B en de weigering om een verklaring van geschiktheid af te geven voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie C, heeft het CBR het rapport van een psychiater van 15 september 2012 (hierna: het rapport) ten grondslag gelegd. De psychiater heeft het CBR geadviseerd een verklaring van geschiktheid af te geven voor categorie 1 (lees: groep 1) met een termijnbeperking van drie jaar en geen verklaring af te geven voor categorie 2 (lees: groep 2).

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het CBR in redelijkheid in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B heeft kunnen registreren voor een termijn van drie jaar en terecht heeft geweigerd aan hem een verklaring van geschiktheid af te geven voor categorie C. Daartoe voert hij aan dat het CBR het besluit van 27 mei 2013 onvoldoende heeft gemotiveerd en het rapport niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat rapport is volgens hem onzorgvuldig en onjuist, nu niet de psychiater maar een andere arts het lichamelijk onderzoek heeft verricht. Bovendien heeft de psychiater zijn advies niet gemotiveerd. Voorts voert [appellant] daartoe aan dat geen rekening is gehouden met de paragrafen 8.1 en 8.10.1 en 8.10.2 van de bijlage.

3.1. Ingevolge paragraaf 8.2 van de bijlage hoeft, indien van een geslaagde behandeling sprake is en de defecttoestand hooguit licht van aard is, er geen reden te zijn om de keurling zonder meer ongeschikt te verklaren voor het rijbewijs. Paragraaf 8.2 stelt de eis dat een specialistisch rapport dient te worden opgesteld. Van een dergelijk rapport is geen sprake indien de betrokken specialist, de te onderzoeken persoon niet zelf heeft gezien en aldus niet zelf direct bij ten minste enig onderdeel van het onderzoek betrokken is geweest.

Het aan het besluit ten grondslag gelegde rapport is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een specialistisch rapport als hiervoor bedoeld. [appellant] is volgens dat rapport door de psychiater medisch onderzocht. Voor zover het persoonlijk contact met de psychiater zelf naar gesteld kort is geweest, is het niet aan de bestuursrechter om te toetsen, of dat contact toereikend is geweest voor de door deze gestelde diagnose. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het is toegestaan een deel van het medisch onderzoek, onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist, door een ander uit te laten voeren.

Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de psychiater in het rapport gemotiveerd waarom een termijnbeperking van drie jaar wordt geadviseerd. De psychiater heeft toegelicht dat [appellant] een psychose heeft gehad en, aangezien psychotische stoornissen neigen tot recidiveren, het verstandig en voor de verkeersveiligheid zorgvuldig is dat [appellant] na de gestelde termijn aan een hernieuwd onderzoek wordt onderworpen. Dat de psychiater dit niet met stukken heeft gestaafd, maakt niet dat de gegeven motivering onvoldoende is. [appellant] heeft, hoewel hij daar de mogelijkheid toe had, niet om een tweede keuring verzocht dan wel een andersluidend psychiatrisch rapport overgelegd, waaruit zou blijken dat het advies van de psychiater onjuist of onvolledig is.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanig gebreken vertoont, dat het CBR het niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het CBR het rapport niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

3.2. De psychiater heeft het CBR in het rapport geadviseerd een verklaring van geschiktheid af te geven voor groep 1 met een termijnbeperking van drie jaar en geen verklaring af te geven voor groep 2. Nu het rapport een specialistisch rapport is als bedoeld in paragraaf 8.2 van de bijlage en het CBR dit aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het CBR in redelijkheid in het rijbewijzenregister een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B heeft kunnen registreren voor een termijn van drie jaar en terecht heeft geweigerd aan [appellant] een verklaring van geschiktheid af te geven voor categorie C. Gelet op paragraaf 8.2 van de bijlage kan slechts een verklaring van geschiktheid worden afgegeven voor rijbewijzen van groep 1. Het is derhalve uitgesloten een dergelijke verklaring af te geven voor groep 2.

In de verwijzing van [appellant] naar de paragrafen 8.10.1 en 8.10.2 van de bijlage heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Deze paragrafen zijn van toepassing op het ziektebeeld ADHD terwijl [appellant], hetgeen niet in geschil is, een psychose heeft gehad. Op hem is paragraaf 8.2 van toepassing. In de verwijzing van [appellant] naar paragraaf 8.1 heeft de rechtbank eveneens terecht geen grond gezien voor dat oordeel. Aan paragraaf 8.1 van de bijlage van de Regeling komt slechts zelfstandige betekenis toe in die gevallen, waarin geen sprake is van een nadere uitwerking van het ziektebeeld.

Aan de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2010 in zaak nr. 200907363/1/H3 waarnaar [appellant] verwijst kan niet de betekenis worden toegekend die hij daaraan gehecht wilt zien. In die uitspraak was, anders dan in dit geval, een ziektebeeld aan de orde dat niet in de paragrafen 8.2 tot en met 8.9 is genoemd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

357-712.