Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201402578/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:691, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6419
M en R 2015/3
JOM 2014/1187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402578/1/A4.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te Oldenzaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 februari 2014 in zaak nr. 13/2124 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen.

Bij besluit van 6 augustus 2013 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door H.A.M. Vaneker en R.P.M. Munsterhuis, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van 2 juli 2012 heeft de rechtbank Almelo een aan [appellante] opgelegde last onder dwangsom geherformuleerd. Deze uitspraak is onherroepelijk. De last luidt als volgt:

‘wij leggen u een last onder dwangsom op van € 400,- voor elke keer dat u artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit overtreedt, voor zover daarbij het maximale geluidniveau Lamax van 70 dB(A) op de gevel van gevoelige gebouwen wordt overschreden, met een maximum van € 8.000,-.’

Ter controle op de naleving van de last onder dwangsom is in opdracht van het college op 9 maart 2013 door Munsterhuis van Munsterhuis Geluidsadvies B.V. een geluidmeting uitgevoerd. Tijdens deze geluidmeting is tweemaal een overschrijding van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) gemeten. Het college heeft naar aanleiding hiervan geconcludeerd dat [appellante] tweemaal een dwangsom van € 400,00 heeft verbeurd. Bij besluit van 4 april 2013 heeft het college besloten tot invordering van € 800,00.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet duidelijk is welke activiteit tot overschrijding van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) heeft geleid. Volgens haar volgt uit het aan het besluit van 4 april 2013 ten grondslag liggende rapport van Munsterhuis van 11 maart 2013, kenmerk B08.12.127-RM, en de brief met aanvullende onderbouwing van dit rapport van 28 juni 2013, kenmerk B00.12.127-RM, dat Munsterhuis niet visueel heeft waargenomen welke activiteit de twee geluidpieken heeft veroorzaakt, nu in het rapport is vermeld dat ‘mogelijk’ tweemaal metaal ongelukkig is gevallen vanuit de kraan. [appellante] stelt zich verder op het standpunt dat de twee geluidpieken zijn veroorzaakt tijdens het lossen van metaal vanuit een container, zodat de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) ingevolge artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet op de twee geluidpieken van toepassing is. Zij stelt voorts dat de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2003 in zaak nr. 200205008/1, waarnaar de rechtbank verwijst, op een andere situatie dan onderhavige ziet, omdat het in die zaak ging om het op- en overslaan van goederen in een container binnen de inrichting, alvorens deze container per vrachtwagen werd afgevoerd. Zij stelt dat het in dit geval daarentegen gaat om het direct lossen van een aangevoerde container, waarbij het metaal met de kraan uit de container wordt gehaald en op het terrein wordt gebracht.

2.1. In bijlage 2 bij het rapport van 11 maart 2013, met de titel ‘Meetverslag 7e meetdag (9 maart 2013)’, is vermeld dat om 11.25 uur een vrachtwagen achteruit is gereden en dat de vrachtwagen vervolgens een container heeft gelost. In dit verslag is verder vermeld dat daarna om 11.37 uur en 11.39 uur de overschrijdingen van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) plaatsvonden als gevolg van het vallen van metaal respectievelijk het verplaatsen van metaal met behulp van een kraan. Naar aanleiding hiervan is in het rapport van 11 maart 2013 geconcludeerd dat de twee overschrijdingen van de grenswaarde van 70 dB(A) het gevolg zijn van het sorteren en vallen van metaal. Verder is het volgende vermeld: ‘Mogelijk is twee keer metaal ongelukkig gevallen vanuit de kraan omdat verder tijdens de meetsessie beheerst gewerkt werd met de kraan’. Piekgeluiden als gevolg van het laden en lossen zijn volgens dit rapport buiten beschouwing gelaten. In de brief van Munsterhuis van 28 juni 2013, waarin een onderbouwing wordt gegeven van de op 9 maart 2013 verrichte geluidmeting, is vermeld dat de analyse van de activiteiten die op het terrein van de inrichting plaatsvonden is gemaakt door over de schutting en door de kieren in de schutting te kijken. Voorts is vermeld dat tijdens alle meetsessies tevens geluidopnamen zijn gemaakt en visueel waarneming is gedaan, zodat de desbetreffende activiteiten één op één kunnen worden geverifieerd met de meetresultaten.

2.2. Ter zitting heeft Munsterhuis toegelicht dat hij visueel heeft kunnen waarnemen welke activiteiten op het perceel plaatsvinden en dat hij met ‘mogelijk’ heeft bedoeld ‘mogelijk ongelukkig’, niet ‘mogelijk vallen’ als zodanig. Gelet op die toelichting en de inhoud van het rapport van Munsterhuis van 11 maart 2013 en de aanvulling hierop bij brief van 28 juni 2013 bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat Munsterhuis niet visueel heeft waargenomen welke activiteiten de overschrijdingen van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) hebben veroorzaakt. De door Munsterhuis ter zitting getoonde foto’s, die zijn gemaakt door de kieren in de schutting, bevestigen dit oordeel. De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat op basis van het rapport van Munsterhuis en de aanvulling daarop niet duidelijk is door welke activiteiten de grenswaarden voor het maximale geluidniveau zijn overschreden.

Ten aanzien van het betoog dat die activiteiten als laad- en losactiviteiten moeten worden gekenmerkt, overweegt de Afdeling als volgt. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder b, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is het maximale geluidniveau van 70 dB(A) niet van toepassing op laad- en losactiviteiten. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is niet gedefinieerd welke activiteiten onder laad- en losactiviteiten vallen. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling worden onder laad- en losactiviteiten tevens aanverwante activiteiten verstaan zoals het slaan van autoportieren en het starten, aanrijden, manoeuvreren en wegrijden van de voertuigen (nota van toelichting, blz. 203; Stb. 2007 415). De Afdeling heeft in de uitspraak van 7 mei 2003 overwogen dat onder laden- en lossen niet valt het op- en overslaan van goederen in een container binnen de inrichting voordat de in een container gestorte goederen per vrachtwagen worden afgevoerd. Hoewel deze uitspraak betrekking had op laad- en losactiviteiten als bedoeld in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, kan, anders dan [appellante] betoogt, uit het voorgaande worden afgeleid dat het overhevelen van metaal vanuit een reeds geloste container naar een andere plaats binnen de inrichting dan wel het op andere wijze verplaatsen van metaal binnen de inrichting evenmin kan worden aangemerkt als een laad- of losactiviteit als bedoeld in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de twee overschrijdingen van de grenswaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) niet zijn veroorzaakt door activiteiten die moeten worden aangemerkt als laad- en losactiviteiten.

Het betoog faalt.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last bij een meting om 11.37 uur en 11.39 uur niet meer dan eenmaal kan worden overtreden. Zij stelt dat een redelijke uitleg van de in de last genoemde tijdseenheid ‘elke keer’ inhoudt dat tussen de overschrijdingen van het maximale geluidniveau van 70 dB(A) meer tijd moet zitten dan twee minuten. Zolang de werkzaamheden ononderbroken voortduren kan het volgens haar slechts om één overtreding gaan.

3.1. De last houdt in dat elke keer dat het maximale geluidniveau van 70 dB(A) wordt overschreden een dwangsom wordt verbeurd. Tijdens het verplaatsen van metaal hebben zich twee te onderscheiden piekgeluiden voorgedaan. Anders dan [appellante] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat deze twee te onderscheiden piekgeluiden twee overtredingen van de last zijn. De omstandigheid dat deze overtredingen in een tijdspanne van twee minuten plaatsvonden, doet niet af aan het oordeel dat het om twee afzonderlijke overtredingen gaat.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

457-684.