Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4075

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201402534/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:869, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012 heeft het college [appellant], naar aanleiding van een verzoek van [belanghebbende], gelast om binnen acht weken na verzending van dit besluit: 1. het op het perceel [locatie] te Hoogerheide geplaatste tuinhuis te slopen dan wel te verwijderen; 2. de op het perceel geplaatste behendigheidstoestellen te slopen dan wel te verwijderen; 3. de op het perceel geplaatste lichtmasten te verwijderen; 4. het op het perceel geplaatste hekwerk en de toegangspoort grenzend aan de Scheidreef te verwijderen en; 5. het gebruik van het perceel voor het trainen van honden te staken, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1181

Uitspraak

201402534/1/A1.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 februari 2014 in zaken nrs. 13/6751 en 13/6753 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Woensdrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft het college [appellant], naar aanleiding van een verzoek van [belanghebbende], gelast om binnen acht weken na verzending van dit besluit: 1. het op het perceel [locatie] te Hoogerheide geplaatste tuinhuis te slopen dan wel te verwijderen; 2. de op het perceel geplaatste behendigheidstoestellen te slopen dan wel te verwijderen; 3. de op het perceel geplaatste lichtmasten te verwijderen; 4. het op het perceel geplaatste hekwerk en de toegangspoort grenzend aan de Scheidreef te verwijderen en; 5. het gebruik van het perceel voor het trainen van honden te staken, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, met een maximum van € 25.000,00.

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2014 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 oktober 2013 vernietigd voor zover het betrekking heeft op last 4 en last 5, het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2012 gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op last 4 en dit besluit in zoverre herroepen, bepaald dat aan last 5 wordt toegevoegd: "om de overtreding ongedaan te maken, dient het gebruik van het perceel voor het bedrijfsmatig trainen van honden gestaakt te worden. Dit is een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo", bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, en het college, vertegenwoordigd door S.V. Donkersloot en mr. R.A.M. op ‘t Hoog, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord

[belanghebbende], vergezeld door H.J. Pijnen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is, in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën van gevallen in artikel 2 in samenhang met artikel 5 en artikel 8 van bijlage II.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van die bijlage wordt onder achtererfgebied verstaan een erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw.

Ingevolge het bepaalde in dat lid wordt onder erf verstaan een al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Ingevolge het bepaalde in dat lid wordt onder hoofdgebouw verstaan een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge artikel 2 van die bijlage is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…]

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied,

[…]

21. een ander bouwwerk in voor- of achtererfgebied.

Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" de bestemming "Bos".

Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Bos" aangewezen gronden bestemd voor:

a. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van het bos met de daarop afgestemde bosbouw;

b. instandhouding van de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden;

c. paalkamperen;

d. water en waterhuiskundige voorzieningen; (..)

f. ter plaatse van de aanduiding ‘attentiegebieden ehs’, tevens voor bescherming en instandhouding van de attentiegebieden van de ehs. De regeling opgenomen in artikel 50.1.1 dient in acht te worden genomen;

[…]

m. instandhouding van in het bos aanwezige onverharde wegen;

n. extensief dagrecreatief medegebruik.

Ingevolge lid 10.2, gelden ten aanzien van het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde de volgende regels:

a. binnen het bouwvlak, waar uitsluitend gebouwen zijn toegestaan ten dienste van de scouting, met een maximale hoogte van 6,5 meter;

b. de maximale oppervlakte aan bebouwing zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum bebouwd oppervlak" mag niet worden overschreden;

c. bouwwerken, welke ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van beheer en onderhoud, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensieve dagrecreatie, zoals bijvoorbeeld informatiepanelen en vogelwachterhuisjes.

2. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van het hekwerk sprake is van een overtreding, heeft het besluit van 10 oktober 2013 in zoverre vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, het bezwaar voor zover het betrekking heeft op last 4 gegrond verklaard en het besluit van 20 december 2012 in zoverre herroepen. De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat last 5, zoals door het college ter zitting is toegelicht, is gericht tegen de bedrijfsmatige training van honden hetgeen in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat de formulering van last 5 dermate ruim is dat ook het trainen van eigen honden hier onder kan vallen. Hierom heeft de voorzieningenrechter het besluit van 10 oktober 2013 ook op dit onderdeel vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, last 5 geherformuleerd in die zin, dat het gebruik van het perceel voor het bedrijfsmatig trainen van honden moet worden gestaakt.

3. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de oprichting van het tuinhuis, de behendigheidstoestellen en de lichtmasten en het gebruik van het perceel ten behoeve van het bedrijfsmatig trainen van honden. Vast staat dat daarvoor geen omgevingsvergunningen zijn verleend. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het tuinhuis, de behendigheidstoestellen en de lichtmasten in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo zonder omgevingsvergunning zijn opgericht en het gebruik van het perceel ten behoeve van het bedrijfsmatig trainen van honden in strijd is met de op het perceel rustende bestemming "Bos", zodat daarvoor ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat niet alleen met betrekking tot het hekwerk onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een overtreding, nu ook geen duidelijk onderzoek is gedaan naar de overige bouwwerken. Hij wijst er in dat verband op dat zich bij de stukken geen controlerapport bevindt.

4.1. Dit betoog faalt. Het college heeft aan zijn besluitvorming de bevindingen bij diverse controles door medewerkers van de gemeente met de door hen gemaakte foto’s van de situatie ter plaatse, ten grondslag gelegd. Dat die bevindingen ten tijde van het besluit van 10 oktober 2013 niet tevens in een afzonderlijk rapport waren neergelegd maakt niet dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat met betrekking tot het tuinhuis, de behendigheidstoestellen en de lichtmasten op het perceel sprake is van overtredingen.

5. [appellant] betoogt voorts dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden tegen de behendigheidstoestellen en de lichtmasten. Daartoe voert hij aan dat de behendigheidstoestellen niet zijn aan te merken als bouwwerken, nu deze niet aan de grond zijn bevestigd en bovendien niet zijn bedoeld om alleen ter plaatse te functioneren. [appellant] stelt dat hij, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, ter zitting heeft toegelicht dat een aantal bouwwerken door één persoon zijn te verplaatsen. Hij neemt de toestellen ook mee bij demonstraties en cursussen. Voor zover de behendigheidstoestellen wel zouden zijn aan te merken als bouwwerken, zijn deze volgens [appellant] ingevolge artikel 2 van bijlage II bij het Bor vergunningsvrij, nu ze zijn opgericht in het achtererfgebied en het maximum aantal vierkante meter niet overschrijden. Dit geldt ook voor de lichtmasten. Volgens [appellant] is het perceelsgedeelte waar de bouwwerken zijn geplaatst feitelijk ingericht ten dienste van zijn woning zodat dit als achtererfgebied aangemerkt dient te worden. Bovendien kunnen de behendigheidstoestellen worden begrepen onder bouwwerken ten behoeve van extensief dagrecreatief gebruik en zijn ze zo bezien in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan.

5.1. Het begrip bouwwerk is in de Wabo als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van

12 september 2012 in zaak nr. 201112262/1/A1), kan voor de uitleg van dat begrip aansluiting worden gezocht bij de definitie ervan in de modelbouwverordening. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

Niet in geschil is dat de behendigheidstoestellen kunnen worden aangemerkt als constructies van enige omvang, die steun vinden in of op de grond. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de behendigheidstoestellen het kennelijke doel hebben om daar voor langere tijd op dezelfde plaats te functioneren, waarbij in aanmerking is genomen dat de toestellen met moeite verplaatsbaar en bovendien plaatsgebonden zijn in die zin dat deze steeds ter plaatse voor het grootste deel van het jaar blijven staan. De enkele stelling van [appellant], dat een aantal behendigheidstoestellen zijn te verplaatsen door één persoon en deze ook worden meegenomen bij demonstraties en cursussen is onvoldoende voor een ander oordeel.

De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat de behendigheidstoestellen, evenals het tuinhuis en de lichtmasten, zijn aan te merken als bouwwerken.

5.2. De voorzieningenrechter heeft voorts terecht overwogen dat het deel van het perceel waar het tuinhuis, de behendigheidstoestellen en de lichtmasten zijn opgericht, niet kan worden aangemerkt als erf en daarmee evenmin als achtererfgebied. Op deze gronden rust de bestemming "Bos" en de inrichting van deze gronden ten behoeve van de woning van [appellant], wat daar verder van zij, is niet toegestaan. Het tuinhuis, de behendigheidstoestellen en de lichtmasten zijn dan ook niet vergunningsvrij ingevolge artikel 2 van bijlage II bij het Bor.

Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat geen sprake is van het bedrijfsmatig trainen van honden.

6.1. Het college heeft toegelicht dat het aan zijn constatering dat het perceel in strijd met het bestemmingsplan werd gebruikt, onder meer ten grondslag heeft gelegd dat een aparte inrit is aangelegd teneinde het perceel toegankelijk te maken voor derden. Dit is ook gebleken uit de informatie op de website van [appellant] ten tijde van het besluit op bezwaar en uit de omstandigheid dat blijkens de controles en de meldingen van de verzoeker om handhaving geregeld meer auto’s langs het perceel stonden geparkeerd. Het college heeft zich, gelet hierop, op het standpunt kunnen stellen dat het perceel werd gebruikt in strijd met het bestemmingsplan, zodat het bevoegd was om handhavend op te treden. Het enkele verweer van [appellant] dat geen sprake is van het bedrijfsmatig trainen van honden, is onvoldoende voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

7. Het betoog van [appellant] dat het college onvoldoende heeft onderzocht of legalisering mogelijk is, dat de dwangsom te hoog is en ten onrechte geen onderscheid is gemaakt in de verschillende lasten, zodat alle overtredingen ten onrechte even zwaar worden gesanctioneerd betreft een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. [appellant] heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd waarom de door de rechtbank gegeven weerlegging van de desbetreffende beroepsgronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn.

8. [appellant] betoogt tenslotte dat de voorzieningenrechter gelet op de overweging dat het college ter zitting heeft toegelicht dat de dwangsom per overtreding € 5.000,00 bedraagt en voor vijf overtredingen in totaal

€ 25.000,00 aan dwangsommen kan worden verbeurd, ten onrechte het maximale bedrag aan te verbeuren dwangsommen niet heeft gewijzigd naar € 20.000,00, nu de voorzieningenrechter last 4 heeft herroepen zodat sprake is van vier overtredingen.

8.1. Dit betoog faalt. Er is geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter zelf in de zaak voorziend, de hoogte van het maximaal te verbeuren bedrag aan dwangsommen had moeten wijzigen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de dwangsom per overtreding

€ 5.000,00 bedraagt en voor vijf overtredingen in totaal € 25.000,00 aan dwangsommen kan worden verbeurd. Daaruit volgt dat met betrekking tot vier overtredingen, waar de last onder dwangsom van 20 december 2012 met het herroepen van last 4 thans nog betrekking op heeft, maximaal

€ 20.000,00 aan dwangsommen kan worden verbeurd.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

w.g. Bijloos w.g. Kos

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

580.