Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4064

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201400697/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:8143, Niet bevoegd
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de gemeente.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1193
Milieurecht Totaal 2014/5924
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400697/1/A4.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2013 in zaak nr. 13/4709 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel

en op het beroep van [appellant] in het geding tussen deze partijen.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013 heeft het college een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de gemeente.

Bij uitspraak van 12 december 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. I.F.M. Kwint, en het college, vertegenwoordigd door M. Streefkerk en B. Verrijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Bevoegdheid rechtbank

1. De Afdeling ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of de rechtbank zich terecht bevoegd heeft geacht om te beslissen op het door het college aan haar met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ter behandeling als beroepschrift doorgezonden bezwaarschrift van [appellant].

2. Ingevolge artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer stelt de gemeenteraad in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:6 van die wet en artikel 2 van bijlage 2 bij die wet kan tegen een besluit op grond van de Wet milieubeheer, behoudens een aantal hier niet ter zake doende uitzonderingen, beroep worden ingesteld bij de Afdeling.

3. Het besluit van 25 juni 2013 is genomen op grond van de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Ouder-Amstel. Deze verordening is vastgesteld op grond van artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Gelet op artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:6 van die wet en artikel 2 van bijlage 2 bij die wet, kon tegen het besluit van 25 juni 2013 beroep bij de Afdeling worden ingesteld. De rechtbank heeft zich derhalve ten onrechte bevoegd geacht om van het beroep van [appellant] kennis te nemen.

Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank onbevoegd verklaren. Het tegen het besluit van 25 juni 2013 ingestelde beroep zal alsnog door de Afdeling in eerste en enige aanleg worden beoordeeld. Het ingediende hoger beroepschrift wordt hierbij aangemerkt als nadere motivering van het beroep.

Ontvankelijkheid

4. Het besluit van 25 juni 2013 is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Niet in geschil is dat [appellant] over het ontwerp van dit besluit geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

5. [appellant] betoogt dat het niet naar voren brengen van zienswijzen hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Hij stelt dat in de kennisgeving van het ontwerpbesluit ten onrechte niet de locaties zijn vermeld waar de ORAC’s worden geplaatst. Bovendien ontbreekt hierbij volgens hem ten onrechte een kaart waarop de locaties van de ORAC’s zijn weergegeven. [appellant] betoogt verder dat het ontwerpbesluit ten onrechte niet aan hem is toegezonden. Hij stelt dat uit het beleid van de gemeente volgt dat één ORAC is bedoeld voor ongeveer 40 percelen en dat bij het bepalen van de locatie van de ORAC’s rekening is gehouden met een maximale afstand tussen deze percelen en de ORAC. Hieruit volgt volgens hem dat voor het gebruik van een ORAC specifieke percelen zijn aangewezen, zodat het ontwerp van het besluit van 25 juni 2013 is gericht aan de bewoners van deze percelen en op voet van artikel 3:13, eerste lid, van de Awb aan hen had moeten worden toegezonden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst [appellant] op de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2010 in zaak nr. 200905538/1/M1, waarin volgens hem een vergelijkbare situatie aan de orde was.

5.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Awb legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Ingevolge artikel 3:12, eerste lid, geeft het bestuursorgaan voorafgaand aan de terinzagelegging in een of meer dag- nieuws-, of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze kennis van het ontwerp. Volstaan kan worden met het vermelden van de zakelijke inhoud.

Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, zendt het bestuursorgaan, indien het besluit tot een of meer belanghebbenden zal zijn gericht, voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerp toe aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

Ingevolge artikel 3:16, eerste lid, bedraagt de termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald.

Ingevolge het tweede lid vangt de termijn aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:13 kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

5.2. In de uitspraak van 10 februari 2010 stond een beroep tegen een besluit ter beoordeling, waarbij op perceelniveau was bepaald voor wie een bij het besluit aangewezen clusterplaats voor de plaatsing van minicontainers bestemd was. Naar aanleiding hiervan is in die uitspraak geoordeeld dat dit een besluit betreft dat tot een of meer belanghebbenden is gericht. Bij het besluit van 25 juni 2013 zijn locaties voor de plaatsing van ORAC’s ten behoeve van de gehele gemeente aangewezen. Hierbij is niet bepaald voor welke percelen een bepaalde ORAC is bedoeld. Het besluit van 25 juni 2013 is derhalve, anders dan [appellant] stelt, niet gericht tot een of meer belanghebbenden, zodat het college niet was gehouden het ontwerp hiervan op grond van artikel 3:13, eerste lid, van de Awb aan [appellant] toe te zenden. Het college heeft in het weekblad voor Ouder-Amstel van 24 april 2013 gevolg gegeven aan het bepaalde in artikel 3:12, eerste lid, van de Awb. Ingevolge dit artikel kon het college volstaan met het vermelden van de zakelijke inhoud, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college ten onrechte niet de locaties van de ORAC’s en een kaart waarop deze locaties zijn weergegeven in de kennisgeving van het ontwerpbesluit heeft opgenomen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 december 2013 in zaak nr. 13/4709;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd om van het beroep kennis te nemen;

IV. verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

457-684.