Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201309969/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het over 2012 aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201309969/1/A4.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 september 2013 in zaak nr. 13/346 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het over 2012 aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 18 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 augustus 2012 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. L.M. Seriese, in aanwezigheid van E.A. van Uunen, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voorgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), van toepassing.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien het kinderopvang betreft in een geregistreerd kindercentrum.

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht, en

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1º het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2º de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3º de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder van een kindercentrum en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Hetgeen [appellante] heeft aangevoerd over de herziening en nihilstelling van het over 2011 aan haar toegekende voorschot kinderopvangtoeslag, valt buiten de omvang van dit geding en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten.

3. De rechtbank heeft het besluit van 18 augustus 2012 vernietigd, nu daaraan naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte ten grondslag was gelegd dat geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp. Ten aanzien van de instandhouding van de rechtsgevolgen van dit besluit heeft de rechtbank de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd in het standpunt, dat hij heeft ingenomen in het in beroep ingediende verweerschrift, inhoudende dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij over 2012 kosten voor kinderopvang heeft voldaan. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het besluit van 18 augustus 2012.

4. [appellante] is algemeen directeur en enig aandeelhouder van [bedrijf] (hierna: de holding), waarin de aandelen zijn ondergebracht van [kinderdagverblijf], waarmee zij een schriftelijke overeenkomst heeft, als bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp, voor de opvang van haar drie kinderen.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet heeft aangetoond kosten te hebben voldaan, die zij wegens kinderopvang over het jaar 2012 verschuldigd was aan [kinderdagverblijf]. Voor zover [appellante] in dit verband heeft aangevoerd dat zij op 21 februari 2013 giraal kosten van kinderopvang in 2012 heeft betaald, handhaaft zij deze stelling blijkens het verhandelde ter zitting niet langer. Volgens [appellante] tonen de door haar overgelegde conceptjaarrekening van [kinderdagverblijf] over 2012, de grootboekkaart van de holding over de periode van 30 juni 2012 tot en met 31 december 2012, het afschrift van de concept-aangifte inkomensbelasting over 2012 en passages uit de jaarrekening van de holding over 2011 aan dat zij de over 2012 aan [kinderdagverblijf] verschuldigde kosten voor kinderopvang heeft voldaan. Volgens haar blijkt uit deze stukken dat die kosten zijn verwerkt in een rekening courant, waarvan, naar haar stellen, tussen haar, de holding en [kinderdagverblijf] gebruik werd gemaakt. Het gedeelte van de kosten van kinderopvang over 2012 dat niet gedekt wordt door het met betrekking tot dat jaar uitgekeerde voorschot is volgens haar in de rekening courant verrekend met vorderingen die zij op de holding had en vervolgens door de holding voldaan aan [kinderdagverblijf].

5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 24 augustus 2011 in zaak nr. 201102962/1/H2) volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang (ten tijde van belang: artikel 1.7, eerste lid, van de Wkkp), dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten voor kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

5.2. In de stukken die [appellante] heeft overgelegd is geen enkel bedrag vermeld waarvan is aangetoond dat dit door [appellante] is voldaan aan [kinderdagverblijf] om kinderopvang in 2012 te betalen. Voor zover [appellante] nog heeft beoogd te stellen dat de Belastingdienst/Toeslagen een gedeelte van de kosten van kinderopvang over 2012, bij wijze van uitbetaling van het voorschot dat voor dat jaar was toegekend, rechtstreeks aan [kinderdagverblijf] heeft voldaan, overweegt de Afdeling dat, zo dit al het geval zou zijn geweest, dit niet betekent dat [appellante] aanspraak kan maken op een evenredig lager voorschot. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201209147/1/A2), baseert de Belastingdienst/Toeslagen zich bij de vaststelling van de tegemoetkoming op de tussen partijen gemaakte afspraken, die, gelet op artikel 52 van de Wet kinderopvang (ten tijde van belang: artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp), vastgelegd dienen te zijn in een schriftelijke overeenkomst. Daarbij heeft de Belastingdienst/Toeslagen evenwel te kennen gegeven dat hij, gelet op het feit dat zich gedurende het toeslagjaar omstandigheden kunnen voordoen waardoor behoefte bestaat om van de in de schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken af te wijken, bereid is de kinderopvangtoeslag te berekenen aan de hand van de aan hem doorgegeven gewijzigde afspraken. Gelet op hetgeen [appellante] en [kinderdagverblijf] zijn overeengekomen bedroegen de kosten voor kinderopvang over 2012 in totaal € 40988,16. Nu [appellante] niet heeft aangetoond dat dit bedrag volledig is betaald, moet worden aangenomen dat de kinderopvang in 2012 niet op op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp, heeft plaatsgevonden. Het gevolg daarvan is dat [appellante] geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2012.

Het betoog faalt.

6. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat de Belastingdienst/Toeslagen heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door tot herziening en nihilstelling over te gaan van het over 2012 verleende voorschot, terwijl hij over eerdere toeslagjaren verleende voorschotten kinderopvangtoeslag niet heeft herzien.

6.1. Dit betoog faalt evenzeer. Het vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat indien de Belastingdienst/Toeslagen in eerdere jaren, onder gelijke omstandigheden als hier aan de orde zijn, voorschotten kinderopvangtoeslag heeft verleend en niet tot herziening ervan is overgegaan, hij ervan af had moeten zien om over te gaan tot herziening en nihilstelling van het over het toeslagjaar 2012 toegekende voorschot. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Gesteld noch gebleken is dat door een daartoe bevoegd persoon een concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan waaraan [appellante] de in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat zij met betrekking tot het jaar 2012 recht heeft op kinderopvangtoeslag.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Hulst, griffier.

w.g. Sorgdrager w.g. Van Hulst

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

402.