Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4040

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201308969/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college aan de gemeente Venlo een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een Multifunctionele Accommodatie (hierna: MFA) op het perceel, kadastraal bekend onder Arcen en Velden, sectie D, nummer 2262, aan de zuidrand van Arcen, plaatselijk bekend als "het Ovaal".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201308969/1/A1.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de stichting Nederlandse Tuinenstichting, gevestigd te Amsterdam,

2. de stichting Stichting Dorp en Erfgoed Arcen, gevestigd te Arcen, gemeente Venlo,

3. de vereniging Bond Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland, Commissie Limburg, gevestigd te Roermond, en 85 anderen (hierna allen tezamen: de Nederlandse Tuinenstichting en anderen),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 augustus 2013 in zaak nrs. 12/1900, 13/249, 13/250, 13/269 en 13/295 in het geding tussen:

de Nederlandse Tuinenstichting en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Venlo.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2012 heeft het college aan de gemeente Venlo een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een Multifunctionele Accommodatie (hierna: MFA) op het perceel, kadastraal bekend onder Arcen en Velden, sectie D, nummer 2262, aan de zuidrand van Arcen, plaatselijk bekend als "het Ovaal".

Bij uitspraak van 15 augustus 2013 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de daartegen door [2 appellanten] ingestelde beroepen, alsmede de door eisers die niet woonachtig zijn aan de Koestraat, de Lingsforterweg en de Schans ingestelde beroepen niet-ontvankelijk, en de overige beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de Nederlandse Tuinenstichting en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Nederlandse Tuinenstichting en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2014, waar de Nederlandse Tuinenstichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. H. van der Heide en [3 appellanten], en het college, vertegenwoordigd door J.M.G. Vincken en mr. L.G.M.H. Bohnen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de gemeente, vertegenwoordigd door F.T.J. Nas, werkzaam bij de gemeente, als partij, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

2. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte de beroepen van de tot hun groep behorende eisers die niet woonachtig zijn aan de Koestraat, de Lingsforterweg of de Schans, niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze laatste personen niet als belanghebbenden bij het besluit zijn aan te merken, omdat zij op grotere afstand dan 200 m van het bouwplan wonen. Volgens de Nederlandse Tuinenstichting en anderen zijn deze personen wel belanghebbend, nu zij, zoals de gehele bevolking van Arcen, potentiële toekomstige gebruikers van de MFA zijn.

2.1. Voor zover het hoger beroep is ingesteld door de onder 2 bedoelde eisers die niet aan de Koestraat, de Lingsforterweg of de Schans woonachtig zijn, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014, zaak nr. 201305781/1/A3) heeft de wetgever deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De rechtbank heeft de beroepen van die eisers die niet in de Koestraat, de Schans en de Lingsforterweg wonen, maar op grotere afstand dan 200 m van het bouwplan wonen, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Het belang van deze personen, te weten dat zij potentiële gebruikers van de MFA zijn, is een onvoldoende eigen en persoonlijk belang, dat hen bovendien in onvoldoende mate onderscheidt van anderen. Het beroep dat in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013 (in zaak nr. 201211915/1/R4) is gedaan, faalt. Die zaak is niet vergelijkbaar met deze. In dat geval bestond het gebruik dat door een betrokkene van een in het bestreden plandeel begrepen pand werd gemaakt, uit het houden van kantoor in dat pand. Verder ondervond de betrokkene in dat geval nadelige gevolgen voor zijn bedrijfsvoering als gevolg van het bestreden besluit. Die rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen zijn niet vergelijkbaar met de hier gestelde belangen.

2.2. Voor zover het hoger beroep is ingesteld door anderen dan de onder 2.1 bedoelde eisers, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep instellen tegen een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank.

De anderen dan de onder 2.1 bedoelde eisers zijn bij de aangevallen uitspraak geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 8:104, eerste lid, van de Awb, voor zover daarbij het beroep van de onder 2.1 bedoelde eisers niet-ontvankelijk is verklaard.

Het hoger beroep van de Nederlandse Tuinenstichting en anderen, voor zover deze anderen woonachtig zijn aan de Koestraat, de Lingsforterweg en de Schans, tegen die beslissing van de rechtbank gericht, zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het betoog faalt.

3. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is overwogen, wordt in het vervolg van deze uitspraak onder "de Nederlandse Tuinenstichting en anderen" verstaan: de Nederlandse Tuinenstichting, de Stichting Dorp en Erfgoed Arcen en de vereniging Bond Heemschut, Commissie Limburg, en de natuurlijke personen als vermeld op de handtekeningenlijst bij het hoger beroep van de Stichting Dorp en Erfgoed Arcen, met uitzondering van degenen wier beroepen de rechtbank niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ten aanzien van de inhoudelijke gronden van het hoger beroep

4. Het bouwplan voorziet in een Multifunctionele Accommodatie bestaande uit een onderwijsgebouw voor basisonderwijs, een kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang, een sportgebouw en een cultuurgebouw met ontmoetingsruimte op het perceel.

5. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Arcen Dorp 2005" rusten op het perceel de bestemmingen "Recreatieve doeleinden", "Verkeersdoeleinden", "Gemengde doeleinden", "Gemengde doeleinden nader uit te werken", Groendoeleinden", "Waterbergend rivierbed" en "Grondwaterbeschermingsgebied".

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat het gebruik van de gronden voor maatschappelijke doeleinden niet is toegestaan. Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), daarvoor een omgevingsvergunning verleend, teneinde het bouwplan niettemin mogelijk te maken.

6. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Zij voeren daartoe aan dat het besluit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat aan het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt. Volgens hen is het bouwplan in strijd met het rijks-, het provinciaal en het gemeentelijk ruimtelijk beleid en zijn in de ruimtelijke onderbouwing onjuiste conclusies getrokken ten aanzien van de cultuurhistorische waarden van de omgeving. Verder is volgens hen de locatiekeuze uiterst ongewenst en onvoldoende onderbouwd en zijn alternatieve locaties onvoldoende onderzocht. De ruimtelijke onderbouwing is verder volgens hen deels op verouderde en achterhaalde onderzoeksrapporten gebaseerd. Ook wat betreft het uitgevoerde onderzoek inzake de verkeersveiligheid en het parkeren voldoet de ruimtelijke onderbouwing volgens hen niet.

7. De ruimtelijke onderbouwing voor het bouwplan is neergelegd in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing ‘MFA Arcen’" van BRO vestiging Tegelen, van 3 december 2012. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op de bestaande situatie ter plaatse, het bouwplan en de aanleiding daartoe, op de locatiekeuze, en de ruimtelijke en stedelijke effecten van het bouwplan. Bij de onderbouwing zijn tevens verschillende onderzoeken, waaronder een locatieonderzoek, een cultuurhistorisch onderzoek en een onderzoek naar verkeersaspecten betrokken. In de ruimtelijke onderbouwing is onder meer geconcludeerd dat het bouwplan past binnen het rijks-, het provinciaal en het gemeentelijk ruimtelijk beleid.

8. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen hebben de gestelde strijdigheid van het bouwplan met het ruimtelijk rijksbeleid zoals neergelegd in de zogenoemde Nota Belvedère, voor het eerst in hoger beroep naar voren gebracht. Weliswaar wordt in het bij de rechtbank ingediende beroepschrift van de Stichting Dorp en Erfgoed Arcen van 28 januari 2013 verwezen naar alle eerder ingediende zienswijzen, echter in dat beroepschrift wordt niet vermeld dat en waarom een of meer van die zienswijzen uitdrukkelijk als beroepsgrond moet worden beschouwd. De rechtbank is daarop dan ook terecht niet ingegaan.

Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom dit betoog niet reeds bij de rechtbank had kunnen worden aangevoerd en de Nederlandse Tuinenstichting en anderen dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen hadden behoren te doen, dient dit betoog buiten behandeling te blijven.

9. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen dat het bouwplan in strijd is met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (hierna: het POL), alsmede met het ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het Limburgs Kwaliteitsmenu (hierna: het LKM). Zij voeren daartoe aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om de in dit beleid neergelegde bebouwingscontouren ten behoeve van de realisering van niet-commerciële maatschappelijke voorzieningen, zoals hier aan de orde, te mogen overschrijden. Zij wijzen daartoe op het negatieve advies over het bouwplan van de Kwaliteitscommissie Limburg van 20 september 2011 en stellen dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende gemotiveerd van dat advies is afgeweken.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 juni 2014 in zaak nr. 201309201/1/A1), was het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning niet aan het genoemde provinciale beleid gebonden. Wel dient het daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Het college heeft dit beleid bij de besluitvorming betrokken. In de ruimtelijke onderbouwing is aandacht besteed aan voornoemd provinciaal beleid en aan het in dit verband uitgebrachte negatieve advies van de Kwaliteitscommissie Limburg van 20 september 2011.

9.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het advies van de Kwaliteitscommissie Limburg niet bindend is en dat het college daarvan gemotiveerd kon afwijken.

Het college heeft zijn daartoe genomen besluit van 10 januari 2012 onder meer gemotiveerd door erop te wijzen dat na de presentatie van het bouwplan aan de Kwaliteitscommissie Limburg de landschappelijke inpassing, waarover de Kwaliteitscommissie Limburg opmerkingen had, zodanig is verbeterd, dat het bouwplan de goedkeuring van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente heeft. Ten aanzien van de opmerkingen van de Kwaliteitscommissie Limburg betreffende de maatvoering heeft het college zich blijkens de ruimtelijke onderbouwing en het besluit van 10 januari 2012 op het standpunt gesteld dat het gebouw wat betreft volume zodanig is georganiseerd dat elke component zijn eigen identiteit krijgt en herkenbaar wordt, en dat daardoor het gebouw, hoewel één ensemble, geleed en kleinschaliger wordt beleefd. Het college heeft er verder op gewezen dat uit verslagen van gesprekken met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed valt op te maken dat van die zijde geen belemmeringen voor een gebouw op de gekozen locatie zijn geconstateerd. Gelet op het voorgaande, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan past bij de schaal en de potentie van Arcen.

De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in de ruimtelijke onderbouwing in afwijking van het advies van de Kwaliteitscommissie Limburg op het standpunt heeft gesteld dat de omvang van de MFA kleiner is dan de korrel van het dorp, maar dit doet er niet aan af dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college met de hiervoor genoemde argumenten zijn besluit om af te wijken van het advies van de Kwaliteitscommissie Limburg van 20 september 2011 voldoende heeft gemotiveerd. Het aangevoerde leidt derhalve niet tot het oordeel dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven.

10. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie "Gemeenteatlas 2015". Volgens hen wordt door de realisering van de MFA op de gekozen locatie afbreuk gedaan aan de in de structuurvisie genoemde kernkwaliteit van het gebied, dat het open karakter van het agrarische gebied ter plaatse, dient te worden behouden. Volgens hen wordt door het realiseren van het gebouw op die locatie de relatie tussen het kasteel, de kasteeltuinen en de historische dorpskern verstoord, terwijl deze volgens de structuurvisie juist moet worden versterkt. Zij wijzen er verder op dat in de structuurvisie wordt vermeld dat in het stroomvoerend winterbed van de rivier in beginsel niet mag worden gebouwd, tenzij het riviergebonden functies betreft. De bouw van de MFA is volgens hen ook daarmee in strijd.

10.1. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat in de gemeentelijke structuurvisie "Gemeenteatlas 2015" uitgangspunten zijn opgenomen ten aanzien van de visie op de ontwikkeling van de kern Arcen op middellange termijn. Eén van de uitgangspunten is dat het open karakter van het agrarisch gebied dat binnen de zone waarin de MFA is voorzien voorkomt, dient te worden behouden. Verder dient, volgens de structuurvisie, onder meer de relatie tussen het toeristen aantrekkende Kasteel Arcen en het centrum van Arcen te worden versterkt.

De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is gemotiveerd waarom met de realisering van de MFA in het open landschap tussen het kasteel, de tuinen en het centrum van Arcen in, de openheid van het gebied behouden blijft. Dat het open karakter behouden blijft, wordt in de ruimtelijke onderbouwing wel vermeld, maar niet toegelicht. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat de relatie tussen het centrum en het Kasteel Arcen door de realisering van de MFA wordt versterkt. In de ruimtelijke onderbouwing is verder onvoldoende ingegaan op de vraag hoe de bouw van de MFA op de gekozen locatie zich verhoudt met het beleid in de structuurvisie, dat inhoudt dat in beginsel niet in het stroomvoerend winterbed van de rivier mag worden gebouwd tenzij het riviergebonden functies betreft.

De ruimtelijke onderbouwing voldoet op deze punten derhalve niet aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

11. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen voorts dat de rechtbank in het in beroep aangevoerde ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat realisering van het bouwplan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Volgens hen wordt met de realisering van het bouwplan niet voldaan aan de aandachtspunten die zijn vermeld in de van de ruimtelijke onderbouwing deel uitmakende cultuurhistorische quickscan "Arcen: het Ovaal", van Van Meijel-adviseurs en RAAP van 12 april 2011 (hierna: de quickscan). De Nederlandse Tuinenstichting en anderen hebben ter ondersteuning van dit betoog het rapport "Cultuurhistorische waardering buitenplaats Arcen en omgeving" van de Nederlandse Kastelenstichting van december 2013 overgelegd.

11.1. In de cultuurhistorische quickscan zijn een beschrijving van het gebied en verschillende aandachtspunten opgenomen, die bij bebouwing ter plaatse vanuit cultuurhistorisch perspectief in acht moeten worden genomen. Volgens de quickscan vormen ter plaatse van het Ovaal het landschap, het dorp en het kasteel, ieder voor zich en in samenhang, een sterk historisch beeld met een hoge belevingswaarde en zou een eventuele toevoeging zich hiernaar moeten voegen dan wel daaraan ondergeschikt moeten blijven.

De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de ruimtelijke onderbouwing niet blijkt dat het bouwplan aan de in de quickscan genoemde cultuurhistorische aandachtspunten voldoet. In de ruimtelijke onderbouwing wordt niet expliciet op die aandachtspunten ingegaan. Ook uit de cultuurhistorische quickscan zelf blijkt niet dat het bouwplan daaraan voldoet. Weliswaar heeft de rechtbank uit de ruimtelijke onderbouwing terecht afgeleid dat het college zich op het standpunt stelt dat realisatie van de MFA op het zogeheten Ovaal cultuurhistorisch te verantwoorden is. Maar dit standpunt is, in het licht van bedoelde aandachtspunten, onvoldoende gemotiveerd.

De in de ruimtelijke onderbouwing vermelde conclusies dat de MFA binnen de kaders kan worden ingepast en dat daarmee de ter plaatse bestaande cultuurhistorische waarden worden versterkt, zijn dan ook onvoldoende gemotiveerd. Dat het college in het kader van de beoordeling van het bouwplan in 2011 overleg heeft gevoerd met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Steunpunt archeologie en monumentenzorg Limburg, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de verslagen van die gesprekken kan niet worden afgeleid dat het bouwplan aan de genoemde cultuurhistorische aandachtspunten voldoet.

Ook op dit onderdeel voldoet de motivering in de ruimtelijke onderbouwing derhalve niet. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

12. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet wat betreft de locatiekeuze voor het bouwplan.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college diende te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Indien een bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit laatste niet gebleken is. Het college heeft zich voor zijn standpunt dat de door de Nederlandse Tuinenstichting en anderen genoemde alternatieve Wijdtveldlocatie voor het bouwplan minder geschikt is, gebaseerd op een door H&S Adviseurs uitgevoerd vergelijkend onderzoek, waaruit naar voren is gekomen dat laatstgenoemde locatie wat betreft de aan de accommodatie te stellen eisen een minder goed en duurder resultaat geeft.

Wat betreft de stelling dat de rechtbank heeft miskend dat het college met de gekozen locatie ten onrechte eerder genomen raadsbesluiten van de voormalige gemeente Arcen en Velden niet heeft gerespecteerd, omdat die raad met de locatie "Zuidrand" niet "het Ovaal" heeft bedoeld en die raad een gebouw op "het Ovaal" ook nooit wenselijk heeft geacht, wordt overwogen dat, daargelaten of die stelling juist is, uit de stukken niet blijkt dat het college verplicht was om de eerder genomen raadsbesluiten van de voormalige gemeente Arcen en Velden ter zake volledig te respecteren. De stelling van de Nederlandse Tuinenstichting en anderen vormde daarom geen belemmering voor het college om in te stemmen met de aanvraag, waarbij als locatie is gekozen voor "het Ovaal".

13. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet wat betreft de (verkeers-)veiligheid van het bouwplan. Volgens hen is de meest veilige locatie voor het bouwplan een woongebied waar de afstand tussen de woning en de voorziening minimaal is. Dit geldt zowel voor schoolkinderen, als voor ouderen die van de voorzieningen gebruik zullen maken. De grotere afstand die het bouwplan meebrengt, zal ertoe leiden dat ouders hun kinderen met de auto naar school zullen brengen, hetgeen afdoet aan de verkeersveiligheid en parkeerproblemen zal meebrengen. De aspecten sociale veiligheid en natuurlijke veiligheid zijn verder in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet aan de orde gesteld, aldus de Nederlandse Tuinenstichting en anderen.

13.1. In de ruimtelijke onderbouwing is ingegaan op het onderwerp verkeer en parkeren. Wat de verkeersveiligheid betreft, wordt onder meer vermeld dat de afstand van de noordrand tot de zuidrand van Arcen slechts 1 km bedraagt en dat alle woonwijken dus binnen een afstand van 1 km van de MFA zijn gelegen. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is de MFA vanuit heel Arcen goed, snel en verkeersveilig te bereiken. Uit tellingen is gebleken dat de bestaande verkeersintensiteiten op de omliggende wegen Schans en Lingsforterweg relatief laag zijn en dat extra verkeersbewegingen als gevolg van de MFA moeiteloos kunnen worden afgewikkeld via de huidige wegenstructuur. Knelpunten in de verkeersafwikkeling als gevolg van de MFA zijn volgens de ruimtelijke onderbouwing dan ook niet te verwachten. Met de verkeersveiligheid is voorts onder meer rekening gehouden door de ontsluiting van het bouwplan niet in een bocht vorm te geven en door verkeersstromen voor snel en langzaam verkeer zoveel mogelijk van elkaar te scheiden, zodat deze zo min mogelijk conflicteren.

Wat betreft het parkeren vermeldt de ruimtelijke onderbouwing dat volgens de normen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) ten behoeve van de MFA 60 parkeerplaatsen nodig zijn. Er zullen aan de zuidzijde van het gebouw 70 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Verder worden een zogenoemde kiss & ride-voorziening en enkele parkeerplaatsen voor minder validen gerealiseerd. Dat de MFA net buiten het centrum is voorzien, is volgens de ruimtelijke onderbouwing gunstig omdat verkeer en parkeren in verband daarmee, buiten het centrum kan worden gehouden.

13.2. De rechtbank heeft in het in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing wat betreft verkeersveiligheid en parkeren niet voldoet. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat de door de Nederlandse Tuinenstichting en anderen weergegeven verwachtingen ten aanzien van verkeersproblemen geen aanleiding geven om aan de in de ruimtelijke onderbouwing weergegeven onderzoeken te twijfelen.

13.3. Zoals ter zitting desgevraagd is medegedeeld, doelen de Nederlandse Tuinenstichting en anderen met het betoog dat natuurlijke veiligheid in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte niet is behandeld, op mogelijk overstromingsgevaar vanwege de nabijheid van de Maas bij het bouwplan. Anders dan zij stellen, wordt in de ruimtelijke onderbouwing in paragraaf 4.10 wel ingegaan op hoogwaterproblematiek en op te nemen maatregelen in verband daarmee. De stelling dat dit onderwerp niet wordt behandeld in de ruimtelijke onderbouwing, mist derhalve feitelijke grondslag.

13.4. Wat betreft sociale veiligheid hebben de Nederlandse Tuinenstichting en anderen ter zitting medegedeeld dat zij daarmee bedoelen dat meer sociale controle op de speelplaats bij de MFA zou bestaan als deze in het centrum van Arcen zou worden gerealiseerd.

De rechtbank heeft in de omstandigheid dat het aspect sociale veiligheid niet afzonderlijk in de ruimtelijke onderbouwing is besproken, geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

14. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen dat de ruimtelijke onderbouwing voorts niet voldoet, omdat zij deels op verouderde onderzoeksrapporten is gebaseerd. Volgens hen hadden alle onderzoeken die dateren van 2009 of eerder, moeten worden geactualiseerd, teneinde aan het besluit ten grondslag te kunnen worden gelegd.

De rechtbank heeft terecht ook hierin geen grond gezien voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat en waarom de gehanteerde onderzoeken van 2009 of eerder niet meer voldoen. De enkele omstandigheid dat bepaalde onderzoeken enkele jaren oud zijn, maakt op zichzelf niet dat deze niet aan het besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd.

15. Gelet op hetgeen hiervoor onder 10.1 en 11.1 is overwogen, voldoet de ruimtelijke onderbouwing niet aan de daaraan te stellen eisen.

Het besluit van 26 november 2012 is wat betreft de beoordeling of het bouwplan past binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid, alsmede of dit niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied, in strijd met artikel 3:46 van de Awb tot stand gekomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

16. De Nederlandse Tuinenstichting en anderen betogen verder dat het bouwplan wat betreft welstand niet op juiste wijze is getoetst. Volgens hen had ook de locatiekeuze voor het bouwplan bij de welstandstoets betrokken moeten worden. Nu de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de CRK) zich daarover niet heeft uitgelaten, is de welstandstoets volgens de Nederlandse Tuinenstichting en anderen onzorgvuldig.

16.1. De CRK heeft op 1 juni 2011, 15 juni 2011, 13 juli 2011, 7 september 2011, 2 november 2011, 29 februari 2012 en 7 maart 2012 over het bouwplan geadviseerd. In de eerste zes adviezen heeft de CRK een aantal aanbevelingen gedaan teneinde het bouwplan in het kader van welstand te verbeteren. In het advies van 7 maart 2012 is de CRK uiteindelijk geheel akkoord gegaan met het bouwplan.

Dat de vraag of "het Ovaal" al dan niet de juiste locatie is voor het bouwplan, geen onderdeel van de welstandstoets heeft uitgemaakt, leidt niet tot het oordeel dat de welstandsadviezen niet deugdelijk zijn. De CRK heeft de aanvraag terecht getoetst zoals deze voorlag en zich aldus terecht een oordeel gevormd over de vraag of het bouwplan op de gekozen locatie vanuit welstandsoogpunt aanvaardbaar is.

De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich bij het nemen van het besluit niet op genoemde welstandsadviezen heeft mogen baseren.

Het betoog faalt.

17. De afzonderlijke hoger beroepsgrond dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bij het nemen van het besluit in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, doordat het niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, alsmede het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd, is hiervoor reeds behandeld en gedeeltelijk geslaagd. Voor het overige slaagt deze hoger beroepsgrond niet. Anders dan de Nederlandse Tuinenstichting en anderen stellen, is er geen aanleiding om zwaardere eisen aan het handelen van het college te stellen in verband met de omstandigheid dat de gemeente aanvrager is van de vergunning en het college het bevoegd gezag.

Het betoog faalt.

18. Het hoger beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. De Afdeling ziet in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de onder 10.1 en 11.1 in de ruimtelijke onderbouwing van het besluit van 26 november 2012 geconstateerde gebreken, binnen een daartoe te stellen termijn, te herstellen.

Het college dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 10.1 en 11.1 is overwogen, alsnog toereikend te motiveren dat het bouwplan niet in strijd is met het geldende gemeentelijke ruimtelijke beleid. Het dient eveneens nader te onderzoeken en nader te motiveren waarom het bouwplan niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Het college dient, op basis daarvan, nader af te wegen of er voldoende grond is de bij besluit van 26 november 2012 verleende omgevingsvergunning in stand te laten.

Het college dient derhalve de motivering van het besluit aan te vullen, dan wel in plaats daarvan een ander besluit te nemen. Het college dient de Afdeling de aanvullende motivering mede te delen, dan wel het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling mede te delen.

19. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

- draagt het college van burgemeester en wethouders van Venlo op om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van deze uitspraak, de onder 18 vermelde gebreken te herstellen;

- het college dient de Afdeling de aanvullende motivering mede te delen, dan wel het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en aan de Afdeling mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Bolleboom

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

641.