Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201307671/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk 2013/1333, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Landerd" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet luchtvaart
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1179

Uitspraak

201307671/1/R3.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zorgboerderij Reek B.V. (hierna: Zorgboerderij Reek B.V.), gevestigd te Reek, gemeente Landerd,

2. [ appellant sub 2], wonend te Uden,

3. de stichting Stichting Natuur en Milieu Landerd (hierna: de stichting), gevestigd te Reek, gemeente Landerd,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Compliment B.V. (hierna: Compliment B.V.), gevestigd te Zeeland, gemeente Landerd,

5. [ appellant sub 5], wonend te Zeeland, gemeente Landerd,

6. [ appellant sub 6], wonend te Zeeland, gemeente Landerd,

7. [ appellant sub 7], wonend te Schaijk, gemeente Landerd,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Landgoed de Princepeel en [appellant sub 8a] (hierna tezamen en in enkelvoud: Landgoed de Princepeel), gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

9. [ appellant sub 9], wonend te Schaijk, gemeente Landerd,

10. [ appellant sub 10], wonend te Grave,

11. [ appellante sub 11a] en [appellant sub 11b] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 11]), gevestigd te Schaijk, gemeente Landerd,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Recreatie B.V. en [appellant sub 12a] (hierna: Starline Recreatie B.V.), gevestigd te Reek, gemeente Landerd,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Holding B.V. en [appellant sub 12a] (hierna: Starline Holding B.V.), gevestigd te Reek, gemeente Landerd,

14. [ appellant sub 14], wonend te Reek, gemeente Landerd,

15. [ appellant sub 15], wonend te Schaijk, gemeente Landerd,

16. [ appellante sub 16], gevestigd te Schaijk, gemeente Landerd, en anderen (hierna: [appellante sub 16] en anderen),

17. [ appellante sub 17] (hierna: [appellante sub 17]), gevestigd te Zeeland, gemeente Landerd, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Zeeland, gemeente Landerd;

en

de raad van de gemeente Landerd,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013, kenmerk 2013/1333, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Landerd" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Zorgboerderij Reek B.V, [appellant sub 2], de stichting, Compliment B.V, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], Landgoed de Principeel, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellante sub 11], Starline Recreatie B.V, Starline Holding B.V, [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16] en anderen en [appellante sub 17] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2014, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door J.T.F. van Berkel, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Recreatieoord De Maashorst B.V, vertegenwoordigd door S. Milenkovic, gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van Zorgboerderij Reek B.V.

2. Zorgboerderij Reek B.V., die is gevestigd aan De Steeg 2 te Reek, betoogt dat ten onrechte niet de aanduiding "intensieve veehouderij" aan haar perceel is toegekend. Zij wenst ter plaatse, naast de zorgboerderij, een schapenveehouderij en een vleesveehouderij te exploiteren, hetgeen volgens haar noodzakelijk is voor het voortbestaan van de zorgboerderij.

2.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 1 september 2012 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet, derhalve op 15 oktober 2012.

Zorgboerderij Reek B.V. heeft schriftelijk een zienswijze naar voren gebracht. De zienswijze van Zorgboerderij Reek B.V. is gedateerd 5 juni 2013, en blijkens de poststempel op 6 juni 2013 ingekomen bij de raad.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Niet als rechtvaardiging kan gelden in dit verband de door Zorgboerderij Reek B.V. gestelde omstandigheid dat de echtgenoot van R. Kappen, de exploitante van Zorgboerderij Reek B.V., een jaar voor de termijn van het indienen van een zienswijze is overleden. Naar het oordeel van de Afdeling had R. Kappen in deze periode maatregelen kunnen treffen om haar belangen te laten behartigen. Weliswaar heeft de raad het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan, maar het beroep van Zorgboerderij Reek B.V. zou slechts ontvankelijk zijn voor zover zij door de vaststelling van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. In het ontwerpplan was aan het perceel van Zorgboerderij Reek B.V. evenmin de aanduiding "intensieve veehouderij" toegekend. Van een nadeliger positie ten opzichte van het ontwerpplan is dan ook geen sprake.

Het beroep is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2]

3. [ appellant sub 2] kan zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van de grenzen van het bestemmingsplan ter hoogte van zijn perceel. Hij betoogt dat het perceel dat hij in eigendom heeft aan de [locatie 1] in Reek ten onrechte in het plan voor het buitengebied is opgenomen en voert hiertoe aan dat de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel hierdoor worden beperkt. [appellant sub 2] wenst de langgevelboerderij ter plaatse te renoveren en te splitsen in vier seniorenwoningen met gemeenschappelijke voorzieningen en drie wooneenheden en is van mening dat een ligging in het plangebied voor de bebouwde kom van Reek daarvoor gunstiger is.

3.1. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat zijn perceel in het plangebied ligt, leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel. Daarbij is van belang dat de raad ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat nieuwe woningen zowel in het buitengebied als in de bebouwde kom van de gemeente Landerd niet mogelijk zijn, omdat deze niet passen in het voor de gemeente Landerd beschikbare woningcontingent. Voor de eventuele toepassing van uitzonderingsregelingen is het volgens de raad niet relevant of een perceel ligt in de bebouwde kom of het buitengebied. [appellant sub 2] heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van de Stichting

Structuurvisie

5. De stichting betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld zonder dat voorafgaand een nieuwe structuurvisie was vastgesteld.

5.1. Ten tijde van de vaststelling van het plan gold de gemeentelijke StructuurvisiePlus uit 2003. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), noch enige andere rechtsregel volgt dat de raad is gehouden voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan een nieuwe structuurvisie vast te stellen. Het niet hebben van een nieuwe structuurvisie doet niet af aan de bevoegdheid van de raad een plan vast te stellen. Het betoog faalt.

Milieueffectrapport (hierna: plan-MER)

5.2. De stichting betoogt dat het plan-MER dat ten grondslag is gelegd aan het plan ondeugdelijk is. Daartoe voert zij aan dat ten onrechte alleen intensieve veehouderij aan de orde komt. Ook is volgens de stichting in de aanvulling op het plan-MER de milieugebruiksruimte op basis van wet- en regelgeving, beleid, bestaande waarden en gemeentelijke doelstellingen en ambities onvoldoende onderzocht. De stichting voert aan dat onduidelijk is of en op welke wijze de effecten van het aan het plangebied grenzende landbouwontwikkelingsgebied Graspeel (hierna: het LOG Graspeel) bij de besluitvorming zijn betrokken. De raad heeft ten onrechte geen gezondheidseffectscreening (hierna: GES) opgenomen in het plan-MER. Verder voert de stichting aan dat het aspect geur op een onjuiste wijze is onderzocht, omdat geen inzicht is gegeven in overschrijdingen van de voorgrondbelasting en een onjuiste gradatie van geurniveaus is gehanteerd. De stichting wijst op het toetsingsadvies van de commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.), waarmee de raad volgens haar onvoldoende heeft gedaan.

5.2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het plan voor het milieu in het plan-MER en de aanvulling op het plan-MER op juiste wijze zijn onderzocht. In het onderzoek hebben ook de ambities van de gemeente op het gebied van recreatie, woon- en leefklimaat en landschap een rol gespeeld. De referentiesituatie en de autonome ontwikkeling zijn beschreven binnen de geldende wettelijke kaders. In de aanvulling op het plan-MER zijn de cumulatieve gevolgen van gebruik tot op 2 km van de plangrens betrokken, waaronder ook het LOG Graspeel. De raad stelt zich verder op het standpunt dat het maken van een GES bij een plan niet is vereist. Voor het onderzoek naar de geursituatie is in het plan-MER en de aanvulling aansluiting gezocht bij de normen uit de gemeentelijke verordening geurhinder en veehouderij 2008 (hierna: de geurverordening) en de daaraan ten grondslag liggende Geurgebiedsvisie van de gemeente Landerd en de gemeente Mill en Sint Hubert van 12 oktober 2007 (hierna: de gebiedsvisie).

5.2.2. Ten behoeve van het plan is het plan-MER van 17 juli 2012 gemaakt en de aanvulling op het plan-MER van 27 februari 2013.

Voor zover de stichting wijst op het advies van de commissie m.e.r. bestaat geen verplichting om de aanbevelingen van de commissie m.e.r. over te nemen. De raad heeft in de inleiding van de aanvulling op het plan-MER, die is gemaakt vanwege het toetsingsadvies van de commissie m.e.r en als bijlage bij het plan is gevoegd, in overeenstemming met artikel 7.14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet milieubeheer vermeld op welke wijze dit advies is betrokken.

5.2.3. Uit het plan-MER en de aanvulling volgt dat is ingezoomd op de gevolgen van de uitbreiding van veehouderijen in het plangebied, zowel intensieve als grondgebonden. Daarbij is de referentiesituatie afgezet tegen een drietal alternatieven. In de aanvulling op het plan-MER is een extra voorkeursalternatief beoordeeld. De gevolgen van het plan zijn blijkens het plan-MER en de aanvulling onderzocht en beoordeeld voor onder meer het woon- en leefmilieu, de recreatiekwaliteit, natuur en de ruimtelijke kwaliteit, zoals het landschap. In de aanvulling op het plan-MER is nog nader ingegaan op de gevolgen in relatie tot de ambities van de gemeente op het gebied van natuur en landschap. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de omvang van het onderzoek in zoverre zodanige leemten bevat dat de raad het plan-MER en de aanvulling niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het plan. Voor zover de stichting betoogt dat behalve veehouderijen ook andere ontwikkelingen specifiek hadden moeten worden onderzocht, is van belang dat de raad naar aanleiding van het plan-MER heeft besloten het plan zodanig aan te passen dat voor andere dan de agrarische sectoren maatbestemmingen gelden zonder uitbreidingsmogelijkheden. Het betoog faalt.

5.2.4. Wat betreft de milieugebruiksruimte volgt uit artikel 7.7, eerste lid, onder d, van de Wet milieubeheer dat een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu en de autonome ontwikkeling dient te worden opgenomen. In paragraaf 3.1.1 van het plan-MER staat dat bij de autonome ontwikkeling wetten, besluiten en beleidsplannen zijn meegenomen. Onder meer wordt gewezen op de verordening ruimte 2012 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2012). In hoofdstuk 2 van het plan-MER zijn de relevante beleidskaders op rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau opgesomd. In de aanvulling op het plan-MER is verwezen naar de uitgebreidere beschrijving in de plantoelichting. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat hiermee niet is voldaan aan artikel 7.7, eerste lid, onder d, van de Wet milieubeheer. Het betoog faalt.

5.2.5. Over het LOG Graspeel staat in de aanvulling op het plan-MER in paragraaf 1.4 en 4.2 dat de cumulatieve effecten voor het thema lucht van het plan en het LOG Graspeel zijn onderzocht. In bijlage 2 bij de aanvulling op het plan-MER, dat een toelichting geeft op de geurberekeningen, staat dat de veehouderijen in naburige gemeenten in een gebied van 2 km rondom de plangrens zijn meegenomen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het LOG Graspeel binnen die zone ligt. Het betoog van de stichting dat onduidelijk is of en op welke wijze het LOG Graspeel, ook voor zover dat is gelegen in de gemeente Mill en Sint Hubert, is betrokken in de aanvulling op het plan-MER faalt. De stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het betrekken van deze zone op onjuiste wijze is gebeurd. De kaarten op p. 71 van het plan-MER, waar de stichting op wijst en waaruit zou volgen dat de ontwikkelingen in het LOG niet zijn betrokken, behoren bij het plan-MER en wijken in zoverre dan ook af van de kaarten in de aanvulling op het plan-MER, waarin de cumulatieve effecten voor het eerst zijn betrokken. Het betoog faalt.

5.2.6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 februari 2011, in zaak nr. 200907470/1/R3 (www.raadvanstate.nl) vindt de bestrijding van besmettelijke dierziekten zijn regeling primair in andere wetgeving dan de Wro en het daarin geregelde bestemmingsplan en kunnen daarnaast aan een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting voorschriften worden verbonden om de gevolgen voor de volksgezondheid te voorkomen dan wel te beperken. De mogelijke besmetting van dierziekten vanwege nabijgelegen agrarische bedrijven is wel een mee te wegen belang bij de vaststelling van een bestemmingsplan als hier aan de orde. De raad dient in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te onderzoeken of een plan niet zodanige risico's voor de volksgezondheid meebrengt dat, gelet daarop, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat onvoldoende is gewaarborgd. Daarbij bestaat echter geen plicht tot het maken van een GES. In het plan-MER staat in paragraaf 6.1 dat het onderzoek naar de relatie tussen intensieve veehouderijen en gezondheid op een aantal punten beperkt is en dat aanbevelingen uit onderzoeken onder meer zien op de installatie van luchtwassers, minimaal gebruik van antibiotica en het voorkomen van pluimvee en varkens op één bedrijfslocatie. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft nagelaten de volksgezondheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening te betrekken bij de vaststelling van het plan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat vanwege het verwijderen van de wijzigingsbevoegdheden voor uitbreiding en omschakeling van en naar (intensieve) veehouderij uit het plan geen GES is verricht in het kader van het plan-MER. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan, ondanks deze verwijdering van de uitbreidingsmogelijkheden, zodanige risico's met zich brengt voor de volksgezondheid, dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Overigens is gebleken dat de raad na de vaststelling van het plan een GES heeft laten uitvoeren door de GGD waarin deze conclusie is bevestigd en waarin een aantal aanbevelingen is gedaan met het oog op mogelijke verzoeken tot uitbreiding van veehouderijen. Het betoog faalt.

5.2.7. Het aspect geur vanwege veehouderij is in het plan-MER en in de aanvulling op het plan-MER onderzocht. Uit bijlage 2 bij het plan-MER en de aanvulling op het plan-MER volgt dat de geuremissie behorend bij de toekomstige maximale invulling van een bouwvlak is begrensd op een geuremissie die ter plaatse van het meest kritische geurgevoelig object net niet leidt tot een overschrijding van de norm voor de voorgrondbelasting uit de geurverordening. In de geurverordening is voor het buitengebied een geurnorm van 12 odour units per m³ en voor de bebouwde kom een geurnorm van 2 odour units per m³ voorgeschreven. De berekende gevolgen voor de geurbelasting zijn vervolgens beoordeeld aan de hand van de geurniveaus uit de gebiedsvisie. Deze gebiedsvisie is in samenwerking met de betrokken partijen, zoals agrariërs, natuurverenigingen en omwonenden, tot stand gekomen en heeft tot doel het zoveel mogelijk behouden of creëren van uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen, het verbeteren van de geursituatie ten opzichte van de autonome ontwikkeling en waar mogelijk ten opzichte van de feitelijke situatie en het veiligstellen van concrete uitbreidingsplannen voor woon- en werklocaties. In de gebiedsvisie is voor de geurniveaus onderscheid gemaakt tussen gebieden in de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. In de gebiedsvisie is binnen de bebouwde kom een achtergrondbelasting tot 6 odour units per m³ acceptabel geacht, tot 10 afweegbaar en daarboven slecht. Buiten de bebouwde kom is een achtergrondbelasting tot 28 odour units per m³ acceptabel geacht, tot 38 afweegbaar en daarboven slecht. In bijlage 6 en 7 van de Handreiking bij de Wet geurhinder en veehouderij is een relatie gegeven tussen de achtergrondbelasting en de geurhinder. Uit de tabel in deze bijlagen volgt dat het bij 6 odour units per m³ gaat om een geurhinderpercentage van 8, bij 10 odour units per m³ om een geurhinderpercentage van 12, bij 28 odour units per m³ om een geurhinderpercentage van 25 en bij 38 odour units per m³ een geurhinderpercentage van 30. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met de hiervoor beschreven methodiek onvoldoende inzicht heeft gekregen in de gevolgen van het plan voor de geursituatie. De raad heeft daarbij in redelijkheid, gelet op de beleidsvrijheid die hem toekomt bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat, voor de vraag of het plan wat betreft het aspect geur geen onacceptabele gevolgen heeft aansluiting kunnen zoeken bij de in de geurgebiedsvisie opgenomen tabel met acceptabele, afweegbare en slechte geurbelasting. Het betoog faalt.

Uitbreidingsmogelijkheden veehouderijen

5.3. De stichting betoogt dat de raad de bouwvlakken van veehouderijen in het plan ten onrechte even groot als in het voorheen geldende plan heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat de onbenutte uitbreidingsmogelijkheden die veehouderijen binnen hun bouwvlakken hebben, zullen leiden tot onaanvaardbare milieuhinder, met name vanwege een toename van de geurbelasting. Een toename van de geurbelasting is volgens de stichting in strijd met de doelstelling van het Reconstructieplan Maas en Peel. De raad heeft een te groot gewicht toegekend aan de belangen van veehouderijen en onvoldoende rekening gehouden met de belangen van een goed woon- en leefklimaat, recreatie en natuur. De stelling van de raad dat beperking van de bestaande bouwvlakken zal leiden tot planschadeclaims is een onvoldoende motivering. Daarbij wijst de stichting erop dat sommige bouwvlakken al sinds 1999 als zodanig zijn bestemd en sindsdien niet volledig zijn gebruikt.

5.3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan "Buitengebied Landerd" een conserverend plan is en dat de bestaande rechten van veehouderijen zo veel mogelijk zijn gerespecteerd. Dit leidt volgens de raad niet tot onredelijk grote bouwvlakken, nu aan veehouderijen ook in het vorige bestemmingsplan voor het buitengebied uit 1999 al een bouwblok-op-maat is toegekend met beperkte uitbreidingsmogelijkheden. Bovendien kunnen de bouwvlakken, die meestal tussen de 1 en 1,5 ha zijn, in het plan niet worden vergroot. Uit het plan-MER en de aanvulling daarop volgt verder dat de maximale invulling van het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor het milieu.

5.3.2. Gelet op de planregels mogen de bouwvlakken van veehouderijen, met uitzondering van intensieve veehouderijen in een extensiveringsgebied en geitenhouderijen tot 1 juni 2014, volledig worden bebouwd. Voor zover de bouwvlakken nog niet volledig zijn bebouwd, geeft het plan derhalve uitbreidingsmogelijkheden voor de veehouderijen. Niet is in geschil dat sommige veehouderijen binnen hun bouwvlak nog enige uitbreidingsmogelijkheid hebben.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij de voorbereiding van het plan een inventarisatie heeft plaatsgevonden van de geldende milieuvergunningen voor veehouderijen en de feitelijke situatie. In de plantoelichting staat daarover dat een ondergrens van 15 Nederlandse Grootte-Eenheden is gehanteerd. Voor kleinere bedrijven, meestal afbouwende agrariërs, is per bedrijf bekeken wat een adequate bestemming is, bijvoorbeeld een woonbestemming. Op die wijze is het aantal agrarische bouwvlakken teruggebracht. Voor bestaande volwaardige agrarische bedrijven is door de raad aangesloten bij de bouwvlakken uit het voorheen geldende plan. De Afdeling acht dat uitgangspunt niet onredelijk. Mede vanwege het ontbreken van wijzigings- of afwijkingsbevoegdheden waarmee het bouwvlak kan worden vergroot, heeft de raad in redelijkheid een groot gewicht kunnen toekennen aan de belangen van agrariërs bij de bestaande bouwvlakken. Ook heeft de raad er daarbij in redelijkheid rekening mee kunnen houden dat ook andere voorzieningen dan stallen, zoals sleufsilo's, binnen het bouwvlak dienen te zijn gesitueerd en dat bij de vaststelling van het voorheen geldende plan reeds een afweging is gemaakt over de omvang van bouwvlakken in relatie tot een reële bedrijfsomvang en bescherming van natuur- en landschapswaarden. Niet is gebleken dat de raad bij de toekenning van de bouwvlakken aan het beperken van mogelijke planschade een doorslaggevend belang heeft toegekend.

Dat de bouwvlakken overeenkomen met het voorheen geldende plan doet er evenwel niet aan af dat de raad bij de vaststelling van het plan de aanvaardbaarheid daarvan opnieuw dient te bezien, mede in relatie tot de op dat moment geldende regelgeving. Over geur staat in de aanvulling op het plan-MER dat bij een maximale invulling van de bouwvlakken een verschuiving plaatsvindt in de achtergrondbelasting van een acceptabel geurniveau naar een afweegbaar geurniveau als bedoeld in de gebiedsvisie. De kwaliteit van de leefomgeving binnen alle komgrenzen blijft echter overwegend acceptabel volgens de aanvulling op het plan-MER. Binnen de bebouwde kom neemt het aantal geurgevoelige objecten met een slecht geurniveau toe met zes objecten en in het buitengebied met één object. Het plan brengt geen wijziging in de geurbelasting voor geurgevoelige objecten binnen het LOG. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hoewel de maximale invulling van het plan, gelet op de berekende achtergrondbelasting, kan leiden tot een verslechtering van de geursituatie, dit geen zodanige verslechtering is, dat het plan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is. Daarbij heeft de raad er in redelijkheid rekening mee kunnen houden dat de geurgevoelige objecten in de bebouwde kom waar een slecht geurniveau ontstaat, zijn gelegen aan de rand van de bebouwde kom in een overgangsgebied naar het buitengebied en dat het geurniveau dat acceptabel wordt bevonden voor de bebouwde kom aanzienlijk lager ligt dan voor buiten de bebouwde kom. De Afdeling ziet voorts in het niet nader onderbouwde betoog van de stichting geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanwege deze mogelijke toename van de geurbelasting in strijd is met het Reconstructieplan. In het plan-MER en de aanvulling daarop zijn de gevolgen van een maximale invulling van de bouwvlakken van veehouderijen ook onderzocht voor andere milieuaspecten, op het gebied van woon- en leefklimaat, recreatieklimaat, landschap en ammoniak. De raad heeft zich onder verwijzing naar het plan-MER en de aanvulling daarop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare milieusituatie. Voor zover enige verslechtering op kan treden, heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het behouden van enige uitbreidingmogelijkheid voor veehouderijen, dan aan de door de stichting naar voren gebrachte belangen die zijn gemoeid met verdere inperking daarvan.

Voor zover de stichting zich met haar beroep richt tegen in het verleden verleende vergunningen voor veehouderijen, kunnen de betogen niet aan de orde komen in deze procedure, die ziet op het bestemmingsplan.

De betogen falen.

Beleidsnota's

5.4. De stichting voert aan dat ten onrechte het gemeentelijk beleid in de beleidsnota "Kwaliteitskader buitengebied gemeente Landerd deel 1: duurzame locaties veehouderij", vastgesteld gelijktijdig met het plan (hierna: het kwaliteitskader), en de "Ontwikkelingsvisie Recreatieterreinen Landerd" van 20 september 2012 (hierna: de ontwikkelingsvisie) niet zijn opgenomen in het plan. Hierdoor zijn de uitgangspunten uit dit beleid ook niet voor beroep vatbaar.

5.4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de genoemde beleidsnota's een richtlijn vormen voor ontwikkelingen die niet in het plan passen en daarom voor het plan niet relevant zijn. Bovendien lenen de beleidsnota's zich niet in alle gevallen voor opname in het plan, omdat ze niet concreet genoeg zijn.

5.4.2. Het kwaliteitskader en de ontwikkelingsvisie bevatten richtlijnen voor de beoordeling van nieuwe initiatieven of uitbreidingen van veehouderijen en recreatieve voorzieningen. In de inleiding van het kwaliteitskader staat dat de beleidsnota is opgesteld ten behoeve van verzoeken om af te wijken van het bestemmingsplan voor het buitengebied of om het plan te herzien. De ontwikkelingsvisie geeft richtlijnen waaraan initiatieven voor recreatieve voorzieningen zullen moeten voldoen. In de ontwikkelingsvisie staat daarover dat de raad heeft besloten de uitbreidingsmogelijkheden voor recreatieve voorzieningen uit het plan te halen, zodat deze slechts door middel van een aparte planprocedure mogelijk zijn. Uit het voorgaande volgt dat het beleid niet van toepassing is op mogelijkheden die het plan biedt. Derhalve bestaat reeds daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad deze beleidsnota's in de planregels had dienen op te nemen, daargelaten of deze voldoende concreet zijn. Voor zover de stichting stelt dat de beleidsnota's daardoor niet in beroep kunnen worden bestreden, is in artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb bepaald dat tegen een beleidsregel geen beroep kan worden ingesteld. Wel zal bij een concreet besluit met betrekking tot een uitbreiding, waarbij het voornoemde beleid wordt betrokken, het beleid aan de orde kunnen worden gesteld. Het betoog faalt.

Grondgebonden melkrundveehouderij

5.5. De stichting betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan een onduidelijke en onjuiste definitie van grondgebonden melkrundveehouderij heeft gehanteerd. Ten onrechte wordt pas bij een bouwblok met een omvang van meer dan 1,5 ha beoordeeld of er sprake is van een grondgebonden veehouderij. Volgens de stichting dient een veehouderij slechts als grondgebonden te worden aangemerkt, indien al het benodigde ruwvoer op eigen grond kan worden geproduceerd en de mest van het eigen bedrijf op eigen gronden kan worden afgezet.

5.5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de definities van grondgebonden en intensieve veehouderij in het plan aansluiten bij de Verordening 2012. Voor de beoordeling van veehouderijen in het plangebied heeft de raad onder meer gebruik gemaakt van de "Handreiking Verordening Ruimte en Grondgebonden Melkrundveehouderij" van 2 mei 2011, opgesteld door de adviescommissie Landbouw en Milieu van het Intergewestelijk overleg en bestuurlijke samenwerking van gemeenten uit de regio's Brabant Zuidoost, Brabant Noordoost en Noord- en Midden Limburg (hierna: de handreiking). Hieruit volgt dat ruwvoer en weidegang als indicatoren worden beschouwd, maar niet doorslaggevend zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een grondgebonden melkrundveehouderij. De raad wijst daarbij ook op twee uitspraken van de Afdeling.

5.5.2. Ingevolge artikel 1, lid 1.58, van de planregels is een grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge lid 1.66 is een intensieve veehouderij: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

5.5.3. De definitie van intensieve veehouderij in de planregels is gelijk aan de definitie in de Verordening 2012. De raad heeft op goede gronden bij de definitie in de Verordening 2012 aangesloten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat, anders dan in de Verordening 2012, een aparte definitie dient te worden opgenomen voor een grondgebonden melkrundveehouderij.

In de toelichting op de Verordening 2012 staat over intensieve veehouderij dat grondgebonden melkrundveehouderijen, die daarvan zijn uitgezonderd, in ieder geval melkrundveehouderijen zijn die op de huiskavel en de directe omgeving voldoende areaal grond ter beschikking hebben voor ruwvoederproductie en/of weidegang. In de handreiking waar de raad op wijst staat dat deze praktische richtlijnen voor de beoordeling van melkrundveehouderijen geeft, waarbij rekening is gehouden met de besluitvorming over de Verordening 2012 en de op provinciaal niveau gevoerde debatten over megastallen. Volgens de handreiking worden melkrundveehouderijen tot 1,5 ha en/of 200 melkkoeien in beginsel als grondgebonden aangemerkt. Indien twijfel bestaat over de grondgebondenheid of indien sprake is van een grotere veehouderij, kan een minimale huiskavel van 0,125 ha per koe en een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen worden gevraagd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid van deze richtlijnen gebruik heeft kunnen maken voor de invulling van de definitiebepalingen in verband met het toekennen van aanduidingen aan veehouderijen. Anders dan de stichting betoogt, ziet de Afdeling, zoals eerder overwogen in de uitspraak van 19 december 2012, in zaak nr. 201112559/1/R3 (www.raadvanstate.nl) geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had dienen op te nemen dat slechts sprake kan zijn van een grondgebonden melkrundveehouderij indien het daar gehouden rundvee volledig kan worden gevoed van de beschikbare gronden. Evenmin bestaat op grond van de definities in de Verordening 2012 of de handreiking aanleiding voor het oordeel dat onderdeel van de grondgebondenheid is dat alle mest op eigen grond wordt afgezet. De stichting heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat de raad specifieke melkrundveehoudrijen in het plangebied in strijd met de definitiebepalingen als grondgebonden heeft bestemd. Het betoog faalt.

Omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden

5.6. De stichting voert aan dat het plan ten onrechte een aantal werken en werkzaamheden toestaat met een omgevingsvergunning, die kunnen leiden tot een aantasting van de natuur- en landschappelijke waarden. Zij wijst onder meer op het onttrekken van grondwater ten behoeve van beregening van intensieve teelten, waardoor verdroging van nabijgelegen natuur kan optreden. Ook dient de kersenteelt te worden gereguleerd in het plan, omdat dit gebruik kan leiden tot landschappelijke aantasting, verdroging en verontreiniging van bodem-, grond- en oppervlaktewater. De raad heeft ten onrechte geen bepalingen over het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen opgenomen.

5.6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan voor verscheidene werken en werkzaamheden omgevingsvergunningen zijn voorgeschreven, waarbij natuur- en landschapswaarden, waaronder de waterstand, dienen te worden betrokken. Wat betreft het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen bestaat sectorale wet- en regelgeving op grond waarvan dit gebruik kan worden gereguleerd.

5.7. In de artikelen 3, onder 3.6, artikel 4, onder 4.6, artikel 5, onder 5.6 en artikel 6, onder 6.5, van de planregels is voor gronden met agrarische bestemmingen een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het uitvoeren van een aantal nader bepaalde werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden. Het betreft onder meer het dempen van sloten en het aanleggen van drainage. Aan deze omgevingsvergunningplichten zijn voorwaarden verbonden die verband houden met de bescherming van de aanwezige natuur- en landschapswaarden en het woon- en leefklimaat. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze regels onvoldoende bescherming bieden voor de natuur- en landschapswaarden of de waterhuishouding. De raad heeft voorts rekening gehouden met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij intensieve teelten door in voornoemde artikelonderdelen op te nemen dat tot op 50 m van een andere bestemming dan een agrarische bestemming slechts met een omgevingsvergunning nieuwe boom-, fruit- en/of bloembollenteelt zonder kas mag worden aangelegd. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad nadere beperkingen had dienen op te nemen in het plan, mede gelet op bestaande sectorale wet- en regelgeving, zoals de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de Waterwet. Daarbij betrekt de Afdeling dat de stichting niet heeft geconcretiseerd welke beperkingen volgens haar hadden dienen te worden opgenomen. Het betoog faalt.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van de stichting ongegrond.

Het beroep van Compliment B.V.

7. Compliment B.V., die is gevestigd aan Voor-Oventje 33, kan zich niet verenigen met het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" voor haar perceel, voor zover daarmee het bestaande gebruik van de gronden buiten het bouwvlak ten behoeve van stalling en opslag niet als zodanig is bestemd. Zij wenst het hele perceel te gebruiken voor stalling en opslag, hetgeen volgens haar ingevolge het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" was toegestaan. Compliment B.V. verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012 in zaak nr. 201110767/1/A1 (www.raadvanstate.nl), waar dit volgens haar uit volgt. De raad stelt volgens Compliment B.V. dan ook ten onrechte dat de bestaande rechten als zodanig zijn bestemd. Voorts volgt uit artikel 4, lid 4.1.2, aanhef en onder h, sub 2, van de planregels volgens Compliment B.V. ten onrechte dat ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" alleen gebouwen zijn toegestaan, nu op haar perceel de opslag en stalling buiten gebouwen plaatsvindt. Voorts wenst zij verharding aan te brengen, hetgeen ingevolge deze bepaling niet is toegestaan.

7.1. De raad stelt niet onbeperkt voorzieningen buiten het bouwvlak te hebben toegestaan, om verrommeling van het buitengebied tegen te gaan. Bestaande bedrijven kunnen hun bestaande agrarische activiteiten voortzetten. Het bestaande gebruik van de gronden buiten het bouwvlak op het perceel Voor-Oventje 33 is volgens de raad in overeenstemming met dit uitgangspunt als zodanig bestemd. De raad heeft daartoe de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" toegekend en heeft zich daarbij gebaseerd op een luchtfoto uit 2011. Voorts volgt uit artikel 4, lid 4.1.2, aanhef en onder h, van de planregels volgens de raad niet dat ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" alleen gebouwen zijn toegestaan. De raad heeft niet beoogd nieuwe verharding toe te staan. Evenmin heeft de raad beoogd op het volledige deel van het perceel dat buiten het bouwvlak ligt voorzieningen toe te staan.

7.2. Aan het plandeel aan Voor-Oventje 33 zijn de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduiding "vrijwaringszone - vogelbeperkingsgebied" toegekend. Voorts is aan een deel van het plandeel de aanduiding "bouwvlak" en aan een deel de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.22, van de planregels wordt onder bestaand verstaan:

- ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;

- t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge lid 4.1.2, aanhef en onder h, gelden voor voorzieningen ten behoeve van het agrarisch bedrijf, zoals mestsilo’s, sleufsilo’s, paardenbakken, waterbassins, parkeerplaatsen, opslag ten behoeve van het agrarisch bedrijf e.d. de volgende bepalingen:

1. de voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak";

2. in afwijking van het bepaalde onder 1 zijn deze voorzieningen buiten de aanduiding "bouwvlak" toegestaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten bouwvlak" en uitsluitend in het bestaande type voorziening en met de bestaande bouwhoogte en situering als maximum. Extra oppervlakteverharding is niet toegestaan.

7.3. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat de raad niet alle mogelijkheden uit het vorige plan heeft willen overnemen en geen nieuwe verharding buiten het bouwvlak heeft willen toestaan, om verrommeling van het buitengebied tegen te gaan, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Voorts volgt uit artikel 4, lid 4.1.2, aanhef en onder h, van de planregels dat ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" wel bouwwerken, maar geen gebouwen zijn toegestaan. In deze bepaling is voorts opslag en dergelijke toegestaan, hetgeen ziet op gebruik van de betreffende gronden. Hierbij valt onder meer te denken aan door Compliment B.V. gewenste tijdelijke opslag en stalling van wagens en pallets. In zoverre mist het beroep van Compliment B.V. dan ook feitelijke grondslag. Zoals blijkt uit de nota van zienswijzen, in samenhang met artikel 1, lid 1.22, van de planregels, is beoogd het ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het plan bestaande legale gebruik van de gronden buiten het bouwvlak op het perceel Voor-Oventje 33 voor het stallen van voertuigen en machines en het opslaan van goederen en materialen, dat onder het vorige bestemmingsplan "Buitengebied" was toegestaan, als zodanig te bestemmen. Daartoe is de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten bouwvlak" aan een deel van het perceel Voor-Oventje 33 toegekend. Compliment B.V. heeft evenwel ter zitting toegelicht dat de situering van de opslag en stalling op haar gronden buiten het bouwvlak wisselend is, omdat bijvoorbeeld tijdens de oogst meer opslag en stalling buiten plaatsvindt dan op andere momenten. De raad heeft ter zitting erkend dat de luchtfoto uit 2011 geen representatief beeld is van de situering van de opslag en stalling op de gronden van Compliment B.V. Ook heeft hij toegegeven dat het gelet op de dynamische bedrijfsvoering van Compliment B.V. niet is uitgesloten dat discussie kan ontstaan over de vraag welke situering van de opslag en stalling is toegestaan. Dit klemt temeer nu de opslag en stalling op de gronden van Compliment B.V. eerder tot een handhavingsgeschil heeft geleid, waarover de Afdeling zich in genoemde uitspraak van 6 juni 2012 heeft uitgesproken. Uit deze uitspraak volgt dat het college van burgemeester en wethouders van Landerd Compliment B.V. ten onrechte onder oplegging van een last onder dwangsom heeft gelast om het stallen en/of parkeren van voertuigen en machines, het opslaan van overige goederen en materialen, waaronder afvalmaterialen en het plaatsen van installaties, in strijd met de geldende bestemming op de gronden van Compliment B.V. te staken en gestaakt te houden. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het toekennen van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" in dit geval in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Nu de raad zich enkel op de luchtfoto uit 2011 heeft gebaseerd voor de toekenning van de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" moet voorts worden geoordeeld dat het plandeel met de aanduiding "Agrarisch - 2" voor de gronden van het perceel Voor-Oventje 33 voor zover gelegen buiten het bouwvlak en waaraan niet de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" is toegekend, is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

8. Compliment B.V. komt voorts in beroep tegen de vaststelling van artikel 36, lid 36.12, van de planregels. Volgens haar is niet duidelijk wat onder de bestaande situatie moet worden verstaan. De raad had volgens haar dan ook in de planregel moeten opnemen voor welke concrete percelen het verbod op de in het artikel genoemde grondgebruik of bestemming ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - vogelbeperkingsgebied" niet geldt.

8.1. Ingevolge artikel 36, lid 36.12, van de planregels is op de gronden ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - vogelbeperkingsgebied" een grondgebruik of een bestemming binnen de volgende categorieën niet toegestaan, uitgezonderd de bestaande situatie:

a. oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 ha;

b. natuurreservaten en vogelreservaten;

c. viskwekerijen met extramurale bassins;

d. opslag of verwerking van afval, mest, gier of voedingsmiddelen met extramurale opslag of overslag;

e. afvalzuiveringsinstallaties.

8.2. Zoals hiervoor, onder 7.2, is weergegeven, is in de planregels een definitiebepaling opgenomen voor bestaande bebouwing en bestaand gebruik. Niet is duidelijk gemaakt waarom deze definitiebepaling tekort zou schieten. Compliment B.V. kan dan ook niet worden gevolgd in haar standpunt dat niet duidelijk is wat onder de bestaande situatie moet worden verstaan. In hetgeen zij heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad artikel 36, lid 36.12, van de planregels niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

9. In hetgeen Compliment B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" aan het Voor-Oventje 33 voor zover dat ziet op de gronden waaraan de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak", is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts ziet de Afdeling in hetgeen Compliment B.V. heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de aanduiding "Agrarisch - 2" voor het Voor-Oventje 33 voor zover het betreft de gronden gelegen buiten het bouwvlak waaraan niet de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" is toegekend, zoals aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld.

Het beroep van [appellant sub 5]

10. [ appellant sub 5], die een melkrundvee- en geitenhouderij exploiteert aan de [locatie 2], komt in beroep tegen de omvang van het bouwvlak op zijn perceel. Hij betoogt dat de raad ten onrechte geen medewerking wil verlenen aan de vergroting van zijn bouwvlak tot 2,5 ha. [appellant sub 5] voert hiertoe aan dat ten tijde van de vaststelling van het plan duidelijk was dat het verbod op uitbreiding van geiten- en schapenhouderijen in de Verordening 2012 per 1 juni 2014 zou worden opgeheven. Hij betoogt dan ook dat naast een groter bouwvlak een planregel had kunnen worden vastgesteld die ertoe strekt dat na deze datum nieuwe bebouwing ten behoeve van schapen- en geitenhouderijen is toegestaan. Voorts exploiteert [appellant sub 5] naar eigen zeggen geen intensieve veehouderij in de zin van de Verordening 2012, omdat hij naast geiten tevens melkrundvee houdt. Van het door hem beoogde bouwvlak van 2,5 ha zal volgens hem minder dan 1,5 ha worden benut voor de geitenhouderij.

10.1. De raad stelt dat de door [appellant sub 5] gewenste uitbreiding van het bouwvlak in strijd is met artikel 9.3 van de Verordening 2012. Niet het verbod op uitbreiding van geiten- en schapenhouderijen in de Verordening 2012, maar artikel 9.3 is ten grondslag gelegd aan het besluit geen medewerking te verlenen aan de door [appellant sub 5] gewenste uitbreiding van zijn bouwvlak.

10.2. Ingevolge artikel 1, onder 36, van de Verordening 2012, wordt onder grondgebonden agrarisch bedrijf verstaan een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt.

Ingevolge het bepaalde onder 40 wordt onder intensieve veehouderij verstaan: een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkrundveehouderij.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het vierde lid is in afwijking van het eerste lid, onder d, voor bouwblokken die op 20 maart 2010 een omvang hebben van 1,5 ha of meer en geheel zijn benut, éénmalig uiterlijk tot 1 januari 2013 vergroting van het bouwblok toegestaan om bij een gelijk blijvend aantal dieren te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen voortvloeiend uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij en uit de op grond van Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde eisen.

Ingevolge artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a, geldt tot 1 juni 2014 de regel dat uitbreiding, hervestiging en omschakeling naar een geiten- of schapenhouderij niet zijn toegestaan.

10.3. Aan het perceel [locatie 2] zijn de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "intensieve veehouderij", "specifieke vorm van agrarisch - geitenhouderij" en "bouwvlak" toegekend.

10.4. Het bouwvlak op het perceel [locatie 2] is ongeveer 1,9 ha groot en ligt in een verwevingsgebied. Zoals [appellant sub 5] ter zitting heeft toegelicht, is de geitenhouderijtak van zijn bedrijf intensief en de melkrundveehouderijtak grondgebonden. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat hij ter plaatse geen intensieve veehouderij in de zin van de Verordening 2012 exploiteert. Voor zover [appellant sub 5] betoogt dat een uitbreiding van zijn bouwvlak is toegestaan omdat de intensieve-veehouderijtak slechts een beperkt deel van zijn bedrijfsvoering is, overweegt de Afdeling als volgt. Uit de toelichting bij de Verordening 2012 valt af te leiden dat een gemengd bedrijf met een intensieve veehouderijtak, zoals hier aan de orde, dient te voldoen aan de maximaal toegestane omvang van het bouwvlak die in de Verordening 2012 voor intensieve veehouderijen is opgenomen. Nu aan het hele bouwvlak van dit perceel in een verwevingsgebied de aanduiding "intensieve veehouderij" is toegekend, kan het hele bouwvlak worden aangewend voor intensieve veehouderij en zal derhalve moeten worden voldaan aan artikel 9.3 van de Verordening 2012. De raad stelt dan ook terecht dat de door [appellant sub 5] gewenste uitbreiding van het bouwvlak in strijd is met artikel 9.3 van de Verordening 2012, gezien het bepaalde in het vierde lid. Voor zover [appellant sub 5] ter zitting heeft betoogd dat het college van burgemeester en wethouders van Landerd een ontheffing hadden moeten aanvragen als bedoeld in artikel 13.4 van de Verordening 2012, overweegt de Afdeling als volgt. Reeds omdat een dergelijke ontheffing ten tijde van de vaststelling van het plan niet was verleend, gold het verbod in artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 onverminderd. Voorts heeft de raad ter zitting te kennen gegeven dat hij de door [appellant sub 5] gevraagde uitbreiding niet wenselijk acht.

De raad heeft reeds gelet op het voorgaande bij het besluit van 23 mei 2013 terecht afgezien van een uitbreiding van het bouwvlak op het perceel [locatie 2]. Het verbod op uitbreiding van geiten- en schapenhouderijen in de Verordening 2012 en het vervallen daarvan per 1 juni 2014 is dan ook niet van belang.

Het betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

12. [ appellant sub 6], die een melkrundvee- en vleesvarkenshouderij exploiteert aan de [locatie 3], komt in beroep tegen de omvang van het bouwvlak op zijn perceel. Hij wenst een uitbreiding van zijn bouwvlak ten behoeve van de bouw van een machineberging, twee sleufsilo’s en een mestverwerkingsinstallatie voor de bij het eigen bedrijf vrijkomende mest. Hij stelt dat het door hem beoogde bouwvlak ten onrechte door de raad niet is voorzien in het plan en dat het op de weg van de raad had gelegen om bij de voorbereiding van het plan een ruimtelijke onderbouwing te geven voor de uitbreidingsplannen. Volgens [appellant sub 6] hoefde in het kader van zijn uitbreidingsplannen geen andere onderzoeken te worden verricht dan de onderzoeken die in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan zijn uitgevoerd. Zo is in het plan-MER rekening gehouden met nieuwe ontwikkelingen bij agrarische bedrijven. Voorts past het volgens [appellant sub 6] binnen de doelstellingen van de Meststoffenwet een mestverwerkingsinstallatie op te richten voor de verwerking van de bij zijn bedrijf vrijkomende mest. Volgens hem zijn de uitbreidingsplannen noodzakelijk voor het voortbestaan van zijn bedrijfsvoering en voor de verduurzaming van zijn bedrijf.

[appellant sub 6] wenst voorts in de bestaande boerderij een zorgfunctie te realiseren voor kinderen met autisme. Volgens hem is niet duidelijk of dit ingevolge het plan op zijn perceel is toegestaan. Voor zover dit niet is toegestaan, betoogt [appellant sub 6] dat de raad zijn voornemens voor deze zorgfunctie had moeten meenemen bij de vaststelling van het plan.

12.1. De raad stelt dat het uitgangspunt bij de vaststelling van het plan is om voor intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden op te nemen ten opzichte van de bestaande bouwvlakken, omdat uit het plan-MER blijkt dat de in het ontwerpplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden significant verslechterende effecten kunnen hebben op nabijgelegen natuurgebieden. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het initiatief van [appellant sub 6] niet kon worden meegenomen bij de vaststelling van het plan, omdat [appellant sub 6] geen ruimtelijk onderbouwing van zijn plannen heeft gegeven en niet duidelijk is of het initiatief voldoet aan de Verordening 2012.

Wat betreft de zorgfunctie stelt de raad dat [appellant sub 6] hiervoor geen concreet plan heeft ingediend en dat derhalve niet kan worden beoordeeld of deze met toepassing van de in de planregels neergelegde wijzigingsbevoegdheid kan worden toegestaan.

12.2. Aan het perceel [locatie 3] zijn de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "bouwvlak" en "intensieve veehouderij" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

(…)

b. agrarisch gebruik;

c. nevenactiviteiten (voor zover in lid 4.1.2 of via omgevingsvergunning voor het afwijken van bouw- of gebruiksregels is toegestaan);

(…).

Ingevolge lid 4.1.2, aanhef en onder b, is ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" een intensieve veehouderij, niet zijnde een geitenhouderij en/of een schapenhouderij toegestaan.

In lid 4.1.2 is voorts een staat van nevenactiviteiten opgenomen. De in deze staat opgenomen aanduidingen zijn niet toegekend aan het perceel [locatie 3].

Ingevolge lid 4.2.2, mogen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend worden opgericht:

a. bedrijfsgebouwen;

(…);

e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

(…).

12.3. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Uit de inspraaknota en het vooroverleg volgt dat [appellant sub 6] in zijn inspraakreactie voor zijn perceel aan de [locatie 3] alleen heeft verzocht om het toekennen van de aanduiding "intensieve veehouderij". Deze aanduiding is in het ontwerpplan toegekend aan zijn perceel. [appellant sub 6] heeft ter zitting weliswaar gesteld, maar niet met stukken aannemelijk gemaakt, dat hij reeds in de voorontwerpfase zijn concrete uitbreidingsplannen bij het gemeentebestuur kenbaar heeft gemaakt. In zijn aanvullende zienswijze van 30 oktober 2012 heeft [appellant sub 6] verzocht om een groter bouwvlak ten behoeve van de bouw van twee sleufsilo’s, een machineberging en een mestverwerkingsinstallatie. De raad heeft ter zitting toegelicht in beginsel niet afwijzend te staan tegenover het initiatief van [appellant sub 6], mits sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. De raad acht het huidige bouwvlak, waarbij [appellant sub 6] geen uitbreidingsmogelijkheden heeft, aanvaardbaar. Anders dan [appellant sub 6] kennelijk meent, ligt het gelet hierop niet op de weg van de raad de ruimtelijke onderbouwing aan te leveren voor het initiatief van [appellant sub 6]. Niet in geschil dat [appellant sub 6] geen ruimtelijke onderbouwing van zijn initiatief heeft overgelegd. Nu uit het plan-MER blijkt dat de in het ontwerpplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden significant verslechterende effecten kunnen hebben op nabijgelegen Natura 2000-gebieden, kan dit niet dienen als ruimtelijke onderbouwing. Bovendien is het plan-MER daarvoor te algemeen van aard. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitbreiding van een bouwvlak voor een intensieve veehouderij een zodanige ruimtelijke uitstraling met zich kan brengen, dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan in beginsel niet zonder nader onderzoek kan worden beoordeeld. Dat deze uitbreiding, zoals [appellant sub 6] ter zitting heeft gesteld, alleen is beoogd voor eenvoudige voorzieningen, doet hier, wat daarvan ook zij, niet aan af. Het hele bouwvlak kan, ook na de gewenste uitbreiding, immers worden aangewend voor de intensieve veehouderij. Gelet op de bepalingen in de Verordening 2012 dient bij een uitbreiding van een intensieve veehouderij in een verwevingsgebied, zoals [appellant sub 6] wenst, behalve de landschappelijke inpassing ook te worden gemotiveerd dat sprake is van een duurzame locatie. Daarvoor dienen op grond van de Verordening 2012 onder meer de milieugevolgen van de voorziene uitbreiding op het gebied van ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, alsmede de ruimtelijke gevolgen voor natuur, landschap en cultuurhistorie, te worden onderzocht. Daarnaast zullen de gevolgen van een uitbreiding, onder meer op het gebied van geur en stikstof, dienen te worden onderzocht op hun aanvaardbaarheid. Niet is gebleken dat [appellant sub 6] stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de door hem gewenste uitbreiding binnen de genoemde kaders past. Voor zover [appellant sub 6] betoogt dat de raad hem te laat en onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van de noodzaak om de benodigde onderzoeken te doen verrichten, wordt overwogen dat de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat hij voor de vaststelling van het plan aan [appellant sub 6] te kennen heeft gegeven dat een ruimtelijke onderbouwing moest worden gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling had het [appellant sub 6] dan ook duidelijk kunnen zijn dat zijn enkele, niet met concrete stukken onderbouwde, verzoek voor de uitbreiding van zijn bouwvlak onvoldoende was. De Afdeling overweegt dat de raad zich, gelet op de aard van het initiatief en het ten behoeve daarvan benodigde onderzoek, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij het door [appellant sub 6] ingediende uitbreidingsverzoek niet in de procedure zou kunnen betrekken. Daarbij betrekt de Afdeling voorts dat het voor de benodigde onderzoeken wenselijk is dat een nadere invulling van de ontwikkeling bekend is, zoals de exacte omvang van het gewenste bouwvlak en de situering van de sleufsilo’s, de machineberging en de mestverwerkingsinstallatie. [appellant sub 6] kan niet worden gevolgd in zijn betoog ter zitting dat gelet op de verleende vergunning voor de uitbreiding van zijn melkrundveestapel de raad ervan op de hoogte had kunnen zijn dat sleufsilo’s noodzakelijk zouden zijn. Wat betreft de stelling van [appellant sub 6] ter zitting dat tijdens een overleg op 28 februari 2013 aan hem was meegedeeld dat hij ervan op de hoogte zou worden gesteld of en in hoeverre nadere stukken waren benodigd, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 6] heeft met deze enkele stelling niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke toezegging is gedaan, nog daargelaten dat niet aannemelijk is gemaakt dat de raad, als bevoegd gezag bij de vaststelling van het plan, bij dit overleg was vertegenwoordigd.

Wat betreft de door [appellant sub 6] gewenste zorgfunctie in zijn boerderij overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor, onder 1.2, is weergegeven, is geen van de aanduidingen voor nevenactiviteiten die zijn genoemd in de tabel in artikel 4, lid 4.1.2, van de planregels toegekend aan het perceel [locatie 3]. Voorts is niet gebleken van een aan [appellant sub 6] verleende omgevingsvergunning voor het afwijken van bouw- of gebruiksregels. Gelet op het voorgaande is voldoende duidelijk dat ter plaatse geen nevenactiviteiten zijn toegestaan. Nu [appellant sub 6] ter zitting heeft erkend dat hij voor de zorgfunctie geen concrete plannen heeft ingediend, heeft de raad geen rekening kunnen en hoeven houden met dit initiatief.

Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

14. [ appellant sub 7], die woont aan de [locatie 4], komt in beroep tegen de gewijzigde vaststelling van het bouwvlak voor zijn perceel. Hij stelt dat hij ten gevolge hiervan geen bouwmogelijkheden meer heeft aan de oostzijde van zijn bouwvlak, hetgeen hij onwenselijk vindt. Voorts zijn een deel van het achter- en zijerf, de inrit naar de woning en de tuin volgens hem ten onrechte buiten het bouwvlak komen te liggen. De raad heeft [appellant sub 7] ten onrechte niet van de wijziging op de hoogte gesteld.

14.1. De raad stelt dat de bestaande bebouwing en verharding op het perceel [locatie 4] in het bouwvlak liggen. De bestaande tuin en de inrit zijn, ook voor zover deze deels buiten het bouwvlak liggen, volgens de raad toegestaan. De tuin en inrit moeten worden aangemerkt als bijbehorende voorzieningen.

14.2. Aan het plandeel aan de [locatie 4] zijn de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" en de aanduidingen "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol", "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" en de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor:

a. behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van het watersysteem en de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden, te weten de groenblauwe mantel;

b. agrarisch gebruik;

(…);

d. behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden;

e. instandhouding van waarden teneinde de toekomstige, via een wijzigingsbevoegdheid te realiseren ecologische verbindingszones en EHS, niet onmogelijk te maken, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling";

(…);

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder sloten en overeenkomstig de in lid 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

Ingevolge lid 5.2.2, aanhef en onder c, mogen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" bedrijfswoningen met bijbehorende bijgebouwen worden opgericht.

14.3. Met de gewijzigde vaststelling van het bouwvlak is de raad tegemoet gekomen aan de wens van [appellant sub 7] om het bouwvlak zodanig aan te passen dat de bestaande bebouwing en verharding aan de achterzijde van zijn perceel in het bouwvlak komen te liggen. De raad heeft daarbij een vormverandering van het bouwvlak toegepast, zodat geen sprake is van vergroting van het bouwvlak. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk gelet op het uitgangspunt van de raad om geen uitbreidingen van agrarische bouwvlakken in het plan op te nemen. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt heeft vastgesteld in strijd met de in de Wro vervatte bestemmingsplanprocedure.

Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, heeft hij bij de vaststelling van het plan beoogd de inrit en de tuin van [appellant sub 7] als zodanig te bestemmen. Voorts heeft de raad onweersproken toegelicht dat de inrit van [appellant sub 7] binnen het bouwvlak ligt. Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat deze als bijbehorende voorzieningen als bedoeld in artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels is toegestaan. In zoverre mist het betoog van [appellant sub 7] dan ook feitelijke grondslag. [appellant sub 7] heeft voorts niet met concrete gegevens aangetoond dat zijn achter- en zijerf buiten het bouwvlak liggen. Verder is ter zitting door partijen toegelicht dat de tuin van [appellant sub 7] gedeeltelijk in het bouwvlak ligt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad ten onrechte gesteld dat de tuin in het plan is toegestaan als bijbehorende voorziening bij de in artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels genoemde doeleinden. Daartoe is van belang dat bij de overige in het plan opgenomen agrarische bestemmingen in de doeleindenomschrijving in de planregels uitdrukkelijk is opgenomen dat tuinen zijn toegestaan. Nu dit bij de bestemmingsomschrijving voor "Agrarisch met waarden - 1" niet is opgenomen, volgt uit de plansystematiek dat tuinen op deze gronden niet zijn toegestaan. Voor zover de raad ter zitting heeft gewezen op paragraaf 5.1.1 van de plantoelichting over agrarische bouwvlakken, waarin staat dat tuinen niet in het geheel binnen het bouwvlak hoeven te zijn opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt. De plantoelichting komt blijkens vaste jurisprudentie geen bindende kracht toe. Deze zou wel duidelijkheid kunnen geven indien de planregels op zichzelf of in onderlinge samenhang niet voldoende duidelijk zijn. Deze situatie doet zich hier echter niet voor. Nu de raad gelet hierop, anders dan hij bij de vaststelling van het plan heeft beoogd, de bestaande tuin van [appellant sub 7] niet geheel als zodanig heeft bestemd, moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre niet met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het betoog slaagt.

15. [ appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol" voor zijn perceel. De raad heeft zich volgens hem ten onrechte gebaseerd op de Paraplunota en de Verordening 2012, nu ter plaatse geen geografische waarden meer aanwezig zijn. [appellant sub 7] wijst erop dat de voorheen aanwezige houtwallen en sloten alle zijn verwijderd en ter plaatse een waterlopenstelsel is aangelegd. Voorts zijn alle gronden op zijn perceel geëgaliseerd en omgezet.

15.1. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol" aan het plandeel aan de [locatie 4] is toegekend op basis van voormalig provinciaal beleid. De raad heeft zich in het verweerschrift en ter zitting echter op het standpunt gesteld dat aan dit plandeel niet de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol", maar de bestemming "wro-zone - omgevingsvergunning cultuurhistorische openheid" had moeten worden toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de vaststelling van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol" voor het plandeel aan de [locatie 4] niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

Voor zover de raad de aanduiding "wro-zone - omgevingsvergunning cultuurhistorische openheid" aan het plandeel wenst toe te kennen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 7] zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de openheid op zijn perceel reeds is aangetast. De raad heeft overigens niet gemotiveerd waarom hij zich voor de toekenning van deze aanduiding desondanks wenst te baseren op het kaartmateriaal van de Verordening 2012.

16. [ appellant sub 7] kan zich niet verenigen met de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling", voor zijn perceel. De raad heeft zich volgens hem ten onrechte niet gebaseerd op de feitelijke situatie ter plaatse. [appellant sub 7] betoogt dat de aanduiding in elk geval niet aan de bestaande bebouwing, zijn tuin en erf had mogen worden toegekend.

16.1. De raad stelt zich voor de toekenning van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" te hebben gebaseerd op de Verordening 2012. Met de aanduiding kan de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone in de toekomst mogelijk worden gemaakt. Omdat in de praktijk is gebleken dat de ecologische verbindingszone vaak net op een andere locatie wordt aangelegd dan is aangegeven op het kaartmateriaal bij de provinciale verordening, heeft de raad zoekgebieden aangewezen van minimaal 50 m breed in plaats van de in de Verordening 2012 vereiste breedte van 25 m.

16.2. Een strook grond aan de noord- en westzijde van het perceel [locatie 4] van ongeveer 25 m breed is op het kaartmateriaal bij de Verordening 2012 aangewezen als zoekgebied voor ecologische verbindingszone.

Ingevolge artikel 4.1, derde lid, van de Verordening 2012 zijn als zoekgebied voor ecologische verbindingszone aangewezen de als zodanig aangeduide gebieden waarvan de geometrische plaatsbepaling en de begrenzing met een nauwkeurigheid van 12,5 m zijn vastgelegd.

Ingevolge artikel 4.3, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in een zoekgebied voor ecologische verbindingszone tot de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij dat zoekgebied een breedte heeft van:

a. ten minste 50 m in bestaand stedelijk gebied en zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, en

b. ten minste 25 m in alle overige gebieden.

De aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" is toegekend aan het hele perceel aan de [locatie 4], dat in het buitengebied ligt.

Ingevolge artikel 5.1, lid 5.1.2, aanhef en onder h, aanhef en sub 1, van de planregels blijven ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" ruimtelijke ingrepen achterwege, die natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst kunnen frustreren.

Ingevolge lid 5.7.2, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" wijzigen in de bestemming "Bos" of "Natuur", mits wordt voldaan aan de in deze bepaling genoemde voorwaarden.

16.3. Nu aan het hele perceel aan de [locatie 4] de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" is toegekend, zijn ruimtelijke ingrepen die natuurontwikkeling in de nabije of verdere toekomst kunnen frustreren ingevolge artikel 5, lid 5.1.2, aanhef en onder h, aanhef en sub 1, van de planregels ter plaatse niet toegestaan. [appellant sub 7] wordt dan ook reeds door de toekenning van de aanduiding in zijn gebruiksmogelijkheden belemmerd. De raad kan derhalve niet worden gevolgd in zijn stelling dat [appellant sub 7] niet in zijn gebruiksmogelijkheden wordt beperkt omdat aan de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone alleen toepassing wordt gegeven wanneer hij daaraan vrijwillig medewerking verleent. De Afdeling stelt voorts vast dat het in het plan opgenomen zoekgebied voor de ecologische verbindingszone op het perceel [locatie 4] tussen de ongeveer 180 m en 230 m breed is, terwijl de Verordening 2012 een minimale breedte van 25 m voorschrijft. Het staat de raad weliswaar vrij verdergaande beperkingen op te leggen aan gronden dan is vereist ingevolge de Verordening 2012, maar hij dient de noodzaak voor verdergaande beperkingen in het kader van een goede ruimtelijke ordening wel te motiveren. Dat de raad als uitgangspunt een breedte van 50 m heeft gehanteerd, om meer flexibiliteit te behouden bij de aanleg van de ecologische verbindingszone, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De raad heeft ter zitting evenwel erkend dat niet is bezien of een zoekgebied voor ecologische verbindingszone van de volledige omvang van het perceel [locatie 4] noodzakelijk is. Dit klemt te meer nu dit zoekgebied meer dan drie keer zo breed is als het door de raad gehanteerde uitgangspunt en het bouwvlak op het perceel in dit zoekgebied ligt. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" voor het plandeel aan de [locatie 4], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

17. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bouwvlak voor de [locatie 4] voor zover daarmee de bestaande tuin ter plaatse niet geheel als zodanig is bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de aanduidingen "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol" en "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" voor de [locatie 4], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld.

Het beroep van Landgoed de Princepeel B.V.

18. Landgoed de Princepeel B.V., gevestigd aan De Steeg 4, komt in beroep op tegen de omvang van het bouwvlak voor haar perceel. Zij wenst een vergroting van haar bouwvlak tot een omvang van 2 ha en betoogt dat zij er op mocht vertrouwen dat dit in het bestemmingsplan zou worden opgenomen. Landgoed de Princepeel B.V. voert hiertoe aan dat het college van gedeputeerde staten voor de vergroting van haar bouwvlak een ontheffing heeft verleend op grond van artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011). Verder heeft het gemeentebestuur volgens haar te kennen gegeven planologische medewerking te zullen verlenen aan de uitbreiding van het bouwvlak. Landgoed de Princepeel B.V. heeft in dit verband een principebesluit van het college van burgemeester en wethouders overgelegd. Voorts heeft Landgoed de Princepeel B.V. een concreet initiatief, onder meer in de vorm van een voorontwerpplan, ingediend met een ruimtelijke onderbouwing. Voor zover de raad een nadere beoordeling noodzakelijk acht, stelt zij dat die niet passend is in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan. De door het college van gedeputeerde staten verleende ontheffing kan volgens haar alleen worden verleend indien sprake is van een goede ruimtelijke ordening en bij het voorbereiden en nemen van het ontheffingsbesluit is reeds getoetst aan de voor de raad relevante criteria. Landgoed de Princepeel B.V. bestrijdt voorts dat ter plaatse van haar perceel sprake is van een zodanige openheid van het landschap dat hieraan een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend dan aan haar belang bij vergroting van het bouwvlak. Ook dit punt is in het kader van de verlening van de ontheffing reeds bezien en het college van gedeputeerde staten, dat zijn besluit op hetzelfde kaartmateriaal heeft gebaseerd als de raad, heeft hier geen aanleiding in gezien de gevraagde ontheffing te weigeren. Nu het gaat om een uitbreiding van een bestaand bouwvlak is de eventuele aantasting volgens Landgoed de Princepeel B.V. beperkt.

De raad had volgens Landgoed de Princepeel B.V. op zijn minst een bouwvlak van 1,5 ha en een wijzigingsbevoegdheid voor de (verdere) vergroting van haar bouwvlak moeten opnemen, waarbij de volgens de raad nader te onderzoeken aspecten als voorwaarden hadden kunnen worden opgenomen. Gelet op de verleende ontheffing is dit, anders dan de raad meent, volgens Landgoed de Princepeel B.V. niet in strijd met de Verordening 2012.

18.1. De raad stelt dat het uitgangspunt bij de vaststelling van het plan is om voor intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden op te nemen ten opzichte van de bestaande bouwvlakken, omdat uit het plan-MER blijkt dat de in het ontwerpplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden significant verslechterende effecten kunnen hebben op nabijgelegen natuurgebieden. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat het initiatief van Landgoed de Princepeel B.V. niet kon worden meegenomen bij de vaststelling van het plan, omdat de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan niet vaststaat. Zo blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing niet dat voldoende ruimtelijke kwaliteitswinst wordt behaald. Voorts is niet voldaan aan de vereiste landschappelijke inpassing, nu in de ruimtelijke onderbouwing wordt uitgegaan van een bouwvlak van 2,1 ha, terwijl de ontheffing is verleend voor de uitbreiding van het bouwvlak tot 2 ha. Een gedeelte van de landschappelijke inpassing komt daarmee buiten het bouwvlak te liggen. Voorts voldoet de ruimtelijke onderbouwing niet aan de gemeentelijke Nota Archeologie en is niet duidelijk of kan worden voldaan aan de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij 2008.

Voorts zijn volgens de raad geen toezeggingen gedaan dat medewerking zou worden verleend aan de vergroting van het bouwvlak van Landgoed de Princepeel B.V. De ontheffing is volgens de raad alleen aangevraagd om de mogelijkheid open te houden het bouwvlak te vergroten. Daarbij is volgens de raad nadrukkelijk kenbaar gemaakt dat een eventuele verlening van de ontheffing door het college van gedeputeerde staten, de raad niet zou verplichten om van deze ontheffing gebruik te maken. De raad wijst op een motie van 24 maart 2011.

Verder is volgens de raad aan het plandeel aan De Steeg 4 de aanduiding "wro-zone - omgevingsvergunning cultuurhistorische openheid" toegekend omdat de openheid van het landschap ter plaatse nog aanwezig is en de raad deze landschappelijke waarde wil beschermen. Dit volgt volgens de raad ook uit het door Landgoed de Princepeel B.V. aangeleverde onderzoek "Onderzoek de Steeg, Reek" van 20 december 2012 van adviesbureau Agron Advies. De bescherming van de openheid ter plaatse vloeit voort uit gemeentelijk beleid.

18.2. Aan het plandeel aan De Steeg 4 zijn de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - verwevingsgebied", "intensieve veehouderij", "wro-zone - omgevingsvergunning cultuurhistorische openheid" en "bouwvlak" toegekend.

18.3. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10% van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

18.4. Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011 bepaalt een bestemmingsplan dat is gelegen in een verwevingsgebied dat bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha mogen uitbreiden op een duurzame locatie.

18.5. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1 van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 2" aangewezen gronden bestemd voor:

b. agrarisch gebruik;

(…)

h. behoud en herstel van de cultuurhistorische openheid, ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - omgevingsvergunning cultuurhistorische openheid";

(…).

Ingevolge lid 4.1.2, aanhef en onder a, sub 1, is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" een agrarisch bedrijf toegestaan en maximaal één agrarisch bedrijf per aanduiding.

Ingevolge het bepaalde onder b mag ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij worden uitgeoefend. Voorts is, al dan niet in combinatie hiermee, ter plaatse van de aanduiding "intensieve veehouderij" een intensieve veehouderij, niet zijnde een geitenhouderij en/of schapenhouderij toegestaan.

Ingevolge lid 4.2.2, aanhef en onder a, mogen ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend bedrijfsgebouwen worden opgericht.

18.6. Voor zover Landgoed de Princepeel B.V. betoogt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling het volgende. Wat betreft het principebesluit waarin het college van burgemeester en wethouders schriftelijk te kennen heeft gegeven bereid te zijn tot het verlenen van planologische medewerking aan de door Landgoed de Princepeel B.V. gewenste uitbreiding van haar bouwvlak is van belang dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij het college van burgemeester en wethouders, maar bij de raad. De Afdeling is van oordeel dat de door het college van burgemeester en wethouders uitgesproken principe-bereidheid, waarop Landgoed de Princepeel B.V. zich beroept, niet aan de raad kan worden toegerekend, in die zin dat de raad gehouden was de door Landschap de Princepeel B.V. gewenste planologische medewerking te verlenen. Daarbij is van belang dat de raad in het kader van de aanvraag om ontheffing op grond van artikel 9.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening 2011, een motie heeft aangenomen waarin is opgenomen dat het aanvragen van een ontheffing niet de verplichting meebrengt om daarvan gebruik te maken op het moment dat de ontheffing wordt verleend. Dat bedoelde verplichting ontbreekt is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2014 in zaak nr. 201206940/1/R3; www.raadvanstate.nl), juist. Het verkrijgen van een ontheffing houdt alleen in dat het verbod waarvoor de ontheffing is aangevraagd, niet geldt. Voorts blijkt uit de motie bij de aanvraag om ontheffing dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de door Landgoed de Princepeel B.V. gewenste uitbreiding ten tijde van deze aanvraag nog niet vaststond. Aan de ontheffing mocht Landgoed de Princepeel gelet op het voorgaande daarom niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het plan zou voorzien in de door haar gewenste uitbreiding van haar bouwvlak. Nu zij ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in de uitbreiding van haar bouwvlak zou voorzien, heeft de raad het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Voorts valt niet in te zien dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen nadere beoordeling van de uitbreidingsplannen van Landgoed de Princepeel B.V. heeft mogen verrichten. De raad dient zich er immers bij de vaststelling van het plan van te vergewissen dat het in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De enkele omstandigheid dat de ontheffing is verleend is onvoldoende grond om tot dit oordeel te komen. Voorts geldt op grond van de Verordening 2012 het vereiste dat binnen het bouwvlak minimaal 10% moet worden aangewend voor landschappelijke inpassing. Hieraan heeft Landgoed de Princepeel B.V. volgens de raad niet voldaan, nu een deel van de landschappelijke inpassing buiten het bouwvlak is geprojecteerd. Het betoog faalt.

18.7. Voor zover Landgoed de Princepeel B.V. betoogt dat haar plannen voldoende concreet waren om te beoordelen bij de vaststelling van het plan overweegt de Afdeling als volgt. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Vast staat dat het initiatief van Landgoed de Princepeel B.V. ten tijde van de vaststelling voldoende concreet was en tijdig kenbaar is gemaakt. Zoals de raad heeft toegelicht, kon ten tijde van de vaststelling van het plan de aanvaardbaarheid van het initiatief echter niet worden beoordeeld. Op basis van de op dat moment bekende gegevens bleek niet dat voldoende ruimtelijke kwaliteitswinst wordt behaald. Voorts bleek uit de ruimtelijke onderbouwing niet dat is voldaan aan de vereiste landschappelijke inpassing, nu de ruimtelijke onderbouwing uitgaat van een bouwvlak van 2,1 ha, terwijl de ontheffing is verleend voor de uitbreiding van het bouwvlak tot 2 ha. Een gedeelte van de landschappelijke inpassing zou daarmee buiten het bouwvlak komen te liggen, terwijl de landschappelijke inpassing binnen het bouwvlak moet worden gerealiseerd. Voorts voldoet de ruimtelijke onderbouwing niet aan de gemeentelijke Nota Archeologie en is niet duidelijk of kan worden voldaan aan de gemeentelijke Verordening geurhinder en veehouderij 2008. De raad heeft ter zitting toegelicht dat zowel voor als na het indienen van de zienswijze van Landgoed de Princepeel B.V. is gewezen op genoemde problemen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad rekening diende te houden met het initiatief van Landgoed de Princepeel B.V. Het betoog faalt.

18.8. Voor zover Landgoed de Princepeel B.V. betoogt dat de raad in elk geval een bouwvlak van 1,5 ha en een wijzigingsbevoegdheid in het plan had moeten opnemen voor de door hem beoogde uitbreiding, overweegt de Afdeling als volgt. Reeds omdat het initiatief van Landgoed de Princepeel B.V. niet ziet op een uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een bouwvlak voor het perceel De Steeg 4 van een dergelijke omvang. Voorts heeft de raad bij de vaststelling van het plan voor intensieve veehouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden opgenomen ten opzichte van de bestaande bouwvlakken, omdat uit het plan-MER blijkt dat de in het ontwerpplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden significant verslechterende effecten kunnen hebben op nabijgelegen natuurgebieden. Dit uitgangspunt is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid in de planregels ten behoeve van de uitbreiding van intensieve veehouderijen. Het betoog faalt.

18.9. Landgoed de Princepeel B.V. heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Landgoed de Princepeel B.V. heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

18.10. Reeds gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het bouwvlak in zijn huidige vorm en omvang heeft kunnen vaststellen. Het betoog van Landschap de Princepeel B.V. dat ter plaatse van haar perceel geen sprake is van een zodanige openheid van het landschap dat hieraan een zwaarder gewicht zou moeten worden toegekend dan aan haar belang bij een vergroting van het bouwvlak, behoeft daarom geen bespreking meer.

19. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 9]

20. [ appellant sub 9] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" aan de [locatie 5] te Schaijk ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat de raad ten onrechte geen aanduiding "intensieve veehouderij" heeft toegekend. De zoogkoeien in zijn bedrijf zijn niet aan te merken als melkvee, maar worden gehouden ten behoeve van de mesterij.

Verder voert [appellant sub 9] aan dat het bouwvlak te klein is en dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn uitbreidingsplannen, die hij reeds in zijn inspraakreactie van 12 augustus 2009 naar voren heeft gebracht. Nu de raad niet eerder om een ruimtelijke onderbouwing heeft gevraagd, kan thans het ontbreken daarvan bij de vaststelling van het plan niet worden tegengeworpen en ontbeert het bestreden besluit op dit punt een ondeugdelijke motivering.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat is gebleken dat de zoogkoeien in het geval van [appellant sub 9] niet zijn aan te merken als melkvee, nu zij een onlosmakelijk onderdeel zijn van de kalvermesterij. Gelet daarop is ten onrecht de aanduiding "grondgebonden veehouderij" toegekend.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

20.2. De raad stelt zich verder op het standpunt dat in het plan geen uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande bouwvlakken bij recht of bij wijzigingsbevoegdheid zijn opgenomen. In het plan-MER is namelijk gebleken dat in dat geval niet zou kunnen worden uitgesloten dat de maximale mogelijkheden van het plan leiden tot een significant negatief effect op nabijgelegen natuurgebieden. Alleen concrete initiatieven zijn meegenomen. Nu door [appellant sub 9] slechts een globaal plan voor uitbreiding is overgelegd, heeft de raad geen beoordeling van zijn uitbreidingsplannen kunnen maken. Wel heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 20 maart 2013 te kennen gegeven in principe medewerking te verlenen aan een zogenoemd vooroverlegplan.

20.3. Het perceel van [appellant sub 9] ligt in verwevingsgebied.

Ingevolge artikel 9.3, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2012 kan een bestemmingsplan dat is gelegen in verwevingsgebied voorzien in uitbreiding van bouwblokken voor intensieve veehouderij die kleiner zijn dan 1,5 ha tot een omvang van ten hoogste 1,5 ha op een duurzame locatie in welk geval ten minste 10 % van het bouwblok wordt aangewend voor een goede landschappelijke inpassing.

Ingevolge het tweede lid blijkt uit de toelichting bij een bestemmingsplan ten aanzien van een duurzame locatie als bedoeld in het eerste lid, onder b en d, dat:

a. aantoonbare ruimtelijk-economische belangen voor de lange termijn aanwezig zijn die noodzaken tot hervestiging, omschakeling of uitbreiding ter plaatse;

b. zuinig ruimtegebruik wordt toegepast door aan te sluiten bij bestaande bebouwing of, al dan niet door herschikking, optimaal gebruik te maken van de beschikbare ruimte;

c. de beoogde ontwikkeling zowel vanuit milieuoogpunt, in het bijzonder wat betreft ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, als vanuit ruimtelijk oogpunt, in bijzonder wat betreft natuur, landschap en cultuurhistorie, aanvaardbaar is.

20.4. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

Uit de nota inspraak en vooroverleg volgt dat [appellant sub 9] in zijn inspraakreactie heeft verzocht om een groter bouwvlak ten behoeve van een nieuwe potstal en sleufsilo. In zijn zienswijze van 10 september 2012 heeft [appellant sub 9] dit verzoek herhaald en een kaart met het gewenste bouwvlak en de beoogde landschappelijk inpassing van 10% van het bouwvlak overgelegd. Niet is in geschil dat bij de verzoeken van [appellant sub 9] nog geen volledige ruimtelijke onderbouwing was gevoegd. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een uitbreiding van een agrarisch bouwvlak een zodanige ruimtelijke uitstraling met zich brengt, dat dit niet zonder nader onderzoek kan worden beoordeeld. Daarbij is onder meer van belang dat uit de Verordening 2012 volgt dat bij een uitbreiding van een intensieve veehouderij in verwevingsgebied, behalve de landschappelijke inpassing ook dient te worden gemotiveerd dat sprake is van een duurzame locatie. Daarvoor dienen op grond van de Verordening 2012 onder meer de milieugevolgen van de voorziene uitbreiding op het gebied van ammoniak, geur, fijnstof en gezondheid voor mensen, alsmede de ruimtelijke gevolgen voor natuur, landschap en cultuurhistorie, te worden onderzocht. Ook zal een dergelijke uitbreiding moeten worden bezien in het kader van de relevante landelijke wet- en regelgeving, zoals de Natuurbeschermingswet 1998. De door [appellant sub 9] overgelegde tekening met landschappelijke inpassing is in zoverre onvoldoende, nu hieruit niet volgt dat de uitbreiding binnen de genoemde kaders past.

Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de raad hem te laat en onvoldoende op de hoogte heeft gebracht van de benodigde onderzoeken, wordt overwogen dat de raad in zijn reactie op de inspraakreactie en op de zienswijze te kennen heeft gegeven dat de milieuhygiënische inpasbaarheid en de verenigbaarheid met de Verordening 2012 zullen moeten worden aangetoond. Naar het oordeel van de Afdeling had het [appellant sub 9] in dit geval duidelijk kunnen en moeten zijn dat de door hem overgelegde gegevens onvoldoende waren.

De betogen falen. Overigens heeft de raad ter zitting verklaard dat hij bij de vaststelling van een nieuw plan ten behoeve van de veehouderij van [appellant sub 9] de gewenste uitbreiding, aan de hand van een daarbij behorende onderbouwing, wil betrekken. In dat kader heeft [appellant sub 9] ter zitting te kennen gegeven deze onderbouwing binnen afzienbare tijd beschikbaar te kunnen stellen aan de raad ten behoeve van verdere besluitvorming.

21. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" aan de [locatie 5] te Schaijk, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

22. De Afdeling ziet, anders dan de raad heeft verzocht, geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het toekennen van een bestemming waarmee de intensieve veehouderij is toegestaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet valt uit te sluiten dat derden door de toekenning van deze aanduiding in hun belangen zullen worden geraakt.

Over het verzoek tot het toepassen van een bestuurlijke lus, verwijst de Afdeling naar hetgeen daarover in 39 wordt overwogen.

De beroepen van [appellante sub 11] en [appellant sub 10]

23. [ appellante sub 11] en [appellant sub 10] betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17" ter plaats van hun loodsen aan de [locatie 6 en 7] ten onrechte heeft vastgesteld. Zij richten zich tegen artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels, waaruit volgt dat ter plaatse alleen opslag van antiek is toegestaan.

[appellante sub 11] voert aan dat ten onrechte, anders dan in het ontwerpplan, haar groothandel in antiek niet mogelijk is gemaakt. Deze groothandel is ter plaatse al geruime tijd gevestigd en levert geen bezwaren op voor de omgeving. Ook wenst zij met het oog op de toekomstige bedrijfsvoering de mogelijkheid om ter plaatse andere goederen dan antiek op te slaan.

[appellant sub 10] voert aan dat de planregeling onduidelijk is, nu als huisnummer alleen 2a is opgenomen en onduidelijk is wat in het plan onder antiek moet worden verstaan. De raad heeft verder ten onrechte het door haar gewenste gebruik voor opslag van recreatieve voertuigen, vaartuigen en hulpgoederen en het uitvoeren van klein onderhoud niet mogelijk gemaakt. De stelling van de raad dat er met het toestaan van dit gebruik twee bedrijven ontstaan, is onjuist, nu haar bedrijf is en blijft gevestigd in Grave. De raad heeft onvoldoende rekening gehouden met haar belang bij de huidige en toekomstige bedrijfsactiviteiten. Ook heeft de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld doordat de stalling van caravans in agrarische bedrijfsgebouwen wel is toegestaan.

23.1. De raad heeft zich wat betreft [appellante sub 11] op het standpunt gesteld dat hij de bestaande situatie met de opslag van antiek en groothandel in antiek heeft willen bestemmen.

Wat betreft [appellant sub 10], die sinds 2011 ter plaatse een loods gebruikt, stelt de raad zich op het standpunt dat de opslag van andere goederen dan antiek ter plaatse reeds in het vorige plan niet was toegestaan. Het door [appellant sub 10] gewenste gebruik zal leiden tot een nieuw niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied, hetgeen in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid. Dat het bedrijf van [appellant sub 10] haar hoofdvestiging ergens anders heeft, doet niet af aan de omstandigheid dat ter plaatse twee bedrijven zullen zijn gevestigd.

23.2. Het perceel heeft de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17".

Op grond van de tabel in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17" opslag van antiek met een maximale bebouwde oppervlakte van 3.200 m² toegestaan.

23.3. In het voorheen geldende plan had het perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" met de aanduiding "B26".

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, van de voorschriften van dat plan zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" overeenkomstig de aanduidingen op de kaart bestemd voor de uitoefening van de volgende bedrijven: B26: opslag antiek.

23.4. Nu de raad zich wat betreft het toestaan van de groothandel in antiek op het perceel van [appellante sub 11] op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

23.5. Voor zover [appellante sub 11] ook de opslag van andere goederen dan antiek wenst, was in het vorige plan de toegestane opslag reeds beperkt tot antiek. Niet is gebleken van concrete plannen van [appellante sub 11] voor de opslag van andere goederen dan antiek ter plaatse. Gelet daarop heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten de mogelijkheid tot opslag te beperken tot de bestaande en legale opslag, namelijk de opslag van antiek. Het betoog faalt.

23.6. Wat betreft het betoog van [appellant sub 10] dat onduidelijk is welk gebruik ter plaatse is toegestaan, is naar het oordeel van de Afdeling "opslag van antiek" voldoende duidelijk. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de term antiek nader gedefinieerd had moeten worden in het plan. Uit de planregels in samenhang met de verbeelding volgt voorts dat deze opslag is toegestaan ter plaatse van de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17" en de daarop aanwezige loodsen, waaronder die van [appellant sub 10].

[appellant sub 10] wenst een uitbreiding van de gebruiks- en opslagmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende plan. Voor zover [appellant sub 10] sinds 2011 reeds dergelijke bedrijfsactiviteiten uitvoert, is dit gebruik illegaal aangevangen en is de raad derhalve niet gehouden om dit gebruik als zodanig te bestemmen. In de plantoelichting staat verder dat de nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven in beginsel is uitgesloten in het buitengebied. Dit is alleen mogelijk op voormalige agrarische bedrijfslocaties, waarbij sloop van bebouwing en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voorop staan. Niet is gebleken dat daarvan sprake is bij de loods van [appellant sub 10]. De Afdeling acht dit uitgangspunt van de raad met het oog op de bescherming van het buitengebied voorts niet onredelijk. De raad heeft daarbij terecht de Verordening 2012 in acht genomen. De raad heeft gelet op het voorgaande in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het beperken van nieuwe niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in het buitengebied, dan aan de wens van [appellant sub 10] om de bedrijfsactiviteiten uit te kunnen breiden. Dat de hoofdvestiging van het bedrijf van [appellant sub 10] in Grave zal blijven, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet afdoet aan de omstandigheid dat nieuwe bedrijfsactiviteiten voor een tweede afzonderlijk bedrijf zouden worden toegestaan.

Voor zover [appellant sub 10] wijst op de mogelijkheid tot het stallen van caravans bij agrarische bedrijven, overweegt de Afdeling dat dit statische opslag is die als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf is toegestaan. Derhalve leidt dit, anders dan het door [appellant sub 10] gewenste gebruik, niet tot een nieuw niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied. Overigens zijn aan deze mogelijkheid een aantal voorwaarden verbonden in verband met de ruimtelijke aanvaardbaarheid. De Afdeling ziet geen aanleiding dat de raad het plan in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft vastgesteld.

De betogen falen.

24. In hetgeen [appellante sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de tekst "opslag antiek" in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17", heeft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 11] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

25. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

26. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb ten aanzien van het beroep van [appellante sub 11] zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat in de tabel in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17" als type bedrijf geldt "opslag van antiek, groothandel in antiek", en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

Hierbij betrekt de Afdeling dat het bestaand gebruik betreft, dat in het ontwerpplan als zodanig was opgenomen. Van der Linden-[appellant sub 6], die tegen dit plandeel een zienswijze heeft ingediend, heeft ter zitting verklaard geen bezwaren te hebben tegen de toevoeging van het type bedrijf "groothandel in antiek" en er zijn geen andere zienswijzen tegen dit deel van het ontwerpplan naar voren gebracht.

De beroepen van Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V.

27. Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. komen in beroep tegen de gewijzigde vaststelling van artikel 7 van de planregels. Zij betogen dat de in het ontwerpplan nog opgenomen wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van de vergroting van het toegestane bebouwde oppervlakte en ten behoeve van een wijziging naar een andere bedrijfsvorm ten onrechte niet zijn vastgesteld. Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. betogen dat niet-agrarische bedrijven in het buitengebied enige uitbreidingsruimte behoeven. Voorts is het gelet op de maatbestemming die is toegekend aan hun perceel Dennenlaan 1, redelijk om in het plan wijzigingsbevoegdheden op te nemen ten behoeve van een omschakeling naar een ander soort bedrijf. De raad heeft volgens Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. ten onrechte verwezen naar het Plan-MER, nu daarin de effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden in het ontwerpplan voor niet-agrarische bedrijven niet zijn onderzocht.

27.1. De raad stelt dat naar aanleiding van het toetsingsadvies van de commissie m.e.r. over het plan-MER de wijzigingsbevoegdheden voor niet-agrarische bedrijven ten behoeve van de vergroting van het toegestane bebouwde oppervlakte en ten behoeve van omschakeling naar een andere bedrijfsvorm uit het plan zijn verwijderd. Voor nieuwe ontwikkelingen moet een aparte planologische procedure worden gevolgd waarbij moet worden aangetoond dat deze niet zullen leiden tot een aantasting van de natuurwaarden in nabij gelegen Natura 2000-gebieden en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorts vloeit volgens de raad uit de Wro geen wettelijke verplichting voort tot het opnemen van wijzigingsbevoegdheden in een bestemmingsplan.

27.2. Ingevolge artikel 3.6 van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

27.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1996" was aan het perceel Dennenlaan 1 de bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-" en de aanduiding "B22" toegekend.

Ingevolge artikel 20, lid 1a, van de planvoorschriften bij dat plan is het perceel bestemd voor de uitoefening van een caravanbouwbedrijf.

Ingevolge artikel 22, lid 7a, mogen bestaande niet-agrarische bedrijven eenmaal met ten hoogste 15 procent uitbreiden. Deze eenmalige uitbreiding is in het bebouwde oppervlak zoals op de plankaart is aangegeven opgenomen.

27.4. Aan het perceel Dennenlaan 1 zijn de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 7" toegekend.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1.1, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. niet-agrarische bedrijven;

b. ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden" het behoud, beheer en/of herstel van de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen;

c. ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning natuur" de instandhouding van natuurwaarden ter bescherming van de EHS;

d. water en waterhuishoudkundige doeleinden;

één en ander met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en overeenkomstig de in lid 7.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.

Ingevolge lid 7.1.2, aanhef en onder a, is op het perceel Dennenlaan 1 uitsluitend een caravanbouwbedrijf met een bebouwd oppervlak van 856 m² toegestaan.

27.5. Ingevolge artikel 7, lid 7.7.1, van de planregels van het ontwerpplan kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming wijzigen teneinde een grotere bebouwde oppervlakte toe te staan dan de in dat artikel gestelde maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing van niet-agrarische bedrijven, mits wordt voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 7.7.2 kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming wijzigen teneinde een andere vorm van niet-agrarische bedrijvigheid toe te staan, mits wordt voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 7.7.3 kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden wijzigen in "Bedrijf - Agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf", teneinde een agrarisch verwant bedrijf dan wel een agrarisch technisch hulpbedrijf toe te staan, mits wordt voldaan aan de in dit lid genoemde voorwaarden.

Bij de gewijzigde vaststelling van het plan zijn de hiervoor weergegeven wijzigingsbevoegdheden komen te vervallen.

27.6. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de formulering van artikel 3.6 van de Wro, de raad niet verplicht is tot het opnemen van wijzigingsbevoegdheden in een bestemmingsplan. Dat in het ontwerpplan wel wijzigingsbevoegdheden voor gronden met de bestemming "Bedrijf" waren opgenomen, doet daar niet aan af. Het staat de raad binnen de grenzen van het recht en een goede ruimtelijke ordening immers vrij bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerp, mits daarmee geen wezenlijk ander plan wordt vastgesteld. In het toetsingsadvies van de commissie m.e.r. staat dat in het plan-MER niet is ingegaan op de uitbreidingsmogelijkheden van niet-agrarische activiteiten in het ontwerpplan, terwijl deze, afzonderlijk en in cumulatie, aanzienlijke effecten op bijvoorbeeld het landschap of het woon- en leefklimaat kunnen hebben. Naar aanleiding van dit toetsingsadvies heeft de raad besloten geen wijzigingsbevoegdheden bij de bestemming "Bedrijf" op te nemen. Voorts heeft de raad toegelicht dat hij algemene bedrijfsbestemmingen in het buitengebied niet passend acht en het gemeentelijke beleid er dan ook op is gericht om in beginsel alleen bestaande bedrijvigheid in deze categorie toe te staan. Dit houdt deels verband met de beperkte mogelijkheden voor niet-agrarische bedrijfsontwikkelingen in landelijk gebied in de Verordening 2012. De raad heeft verder toegelicht dat nieuwe ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven in het buitengebied alleen via een bestemmingsplanprocedure mogelijk zijn, en niet via een wijzigingsplan, omdat hij de bevoegdheid om deze planologisch mogelijk te maken aan zichzelf wil voorbehouden. Het voorgaande acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts hebben Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. ter zitting toegelicht zowel voor uitbreiding van hun huidige bedrijf als voor omschakeling naar een andere bedrijfsvoering geen concrete plannen te hebben. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen wijzigingsbevoegdheden in artikel 7 van de planregels op te nemen. Zoals Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. in hun beroepschriften stellen, komt het toegestane bebouwde oppervlakte in het plan overeen met het vorige plan. Voorts hebben zij geen uitbreidingsplannen die binnen deze oppervlakte niet mogelijk zijn. Gelet op het voorgaande geeft hetgeen door Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad artikel 7 van de planregels niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

28. Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. komen in beroep tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" voor het perceel Dennenlaan 3. Zij betogen dat het ter plaatse al geruime tijd bestaande gebruik en de bestaande bebouwing niet als zodanig zijn bestemd. Starline Holding B.V. en Starline Recreatie B.V. hebben ter zitting toegelicht dat zij ter plaatse een pensionstalling exploiteren. De raad stelt volgens Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. ten onrechte dat het perceel Dennenlaan 3 bij het perceel Dennenlaan 5 hoorde en dat de woning aan de Dennenlaan 5 als bedrijfswoning bij Dennenlaan 3 functioneerde. Zij wijst op een bouwvergunning van 8 augustus 1963 voor de bouw van een kippenhok. Op de bij de bouwvergunning horende tekening is de bestaande woning op het perceel Dennenlaan 3 weergegeven. De woning valt volgens haar ten minste onder het overgangsrecht.

28.1. De raad stelt dat de maatvoering van de op het perceel Dennenlaan 3 aanwezige schuur overeenkomt met de op 8 augustus 1963 verleende bouwvergunning, maar dat de locatie waarop deze is opgericht niet overeenkomt met deze bouwvergunning. Deze valt volgens de raad onder het overgangsrecht. Bij de gemeente zijn geen vergunningen of meldingen bekend voor een woning, manege of paardenhouderij.

28.2. Aan het perceel Dennenlaan 3 is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend. Aan het perceel is geen bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, aanhef en onder b, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - 1" aangewezen gronden bestemd voor agrarisch gebruik.

Ingevolge lid 5.1.2, aanhef en onder a, van de planregels gelden ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" de volgende bepalingen:

1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" is een agrarisch bedrijf toegestaan en maximaal één agrarisch bedrijf per aanduiding;

2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" zijn paardenbakken toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder b mag ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" uitsluitend een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een veehouderij worden uitgeoefend. Voorts is, al dan niet in combinatie hiermee, het type agrarisch bedrijf toegestaan overeenkomstig de toegekende aanduidingen.

28.3. Aan het plandeel voor het perceel Dennenlaan 3 is geen bouwvlak en geen aanduiding voor een type agrarisch bedrijf toegekend als bedoeld in artikel 5, lid 5.2.1, onder b, van de planregels. Ter plaatse staat een schuur en, zo hebben Starline Holding B.V. en Starline Recreatie B.V. ter zitting toegelicht, een noodwoning.

Wat betreft de woning hebben Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. ter zitting erkend dat de woning niet onder het overgangsrecht valt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de woning op het perceel ten onrechte niet als zodanig heeft bestemd.

Wat betreft de schuur overweegt de Afdeling als volgt. Zoals ter zitting door partijen is toegelicht, wordt deze thans gebruikt als paardenstal ten behoeve van een pensionstalling. De raad heeft ter zitting erkend de schuur ten onrechte niet als zodanig te hebben bestemd, nu tegen de schuur geen planologische bezwaren bestaan en hiervoor een bouwvergunning is verleend. Er is geen grond om aan te nemen dat deze binnen de planperiode zal worden verwijderd. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van de schuur ten behoeve van pensionstalling. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Nu de raad het gebruik van de schuur ten behoeve van een pensionstalling niet bezwaarlijk vindt, heeft hij naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom de daarbij behorende paardenbak desondanks niet als zodanig is bestemd.

Het betoog slaagt.

29. In hetgeen Starline Holding B.V. en Starline Recreatie B.V. hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" aan de Dennenlaan 3 voor zover hiermee de bestaande schuur en paardenbak en het gebruik ten behoeve van een pensionstalling niet als zodanig zijn bestemd, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 14]

30. [ appellant sub 14], die woont aan de [locatie 8], komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" voor het perceel tussen de [locatie 9 en 8] (hierna: het perceel Heijtmorgen (ongenummerd)). [appellant sub 14] betoogt dat de raad ten onrechte het illegale gebruik van het perceel en de illegale bebouwing als zodanig heeft bestemd. Het plan maakt volgens [appellant sub 14] voorts ten onrechte meer mogelijk dan het bestaande gebruik. In de ruimtelijke onderbouwing staat weliswaar dat het bestaande gebruik wordt voortgezet, maar dit is volgens hem onjuist nu dagrecreatie niet eerder plaatsvond op het perceel. Hij vreest dan ook dat het recreatieve gebruik verder zal worden uitgebreid. [appellant sub 14] stelt dat de toegekende bestemming leidt tot ongewenste ontwikkelingen in het buitengebied. Hij stelt voorts dat aan de vaststelling geen deugdelijke motieven ten grondslag liggen. Voorts is volgens [appellant sub 14] niet duidelijk of binnen het plandeel gebouwen zijn toegestaan, nu in de staat van voorzieningen, anders dan bij de overige in deze staat genoemde percelen, niet staat dat bebouwing op het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) uitsluitend is toegestaan in de vorm van één gebouw. Hij betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat in de vorm van aantasting van privacy. Voorts betoogt [appellant sub 14] dat ten onrechte lichtmasten van maximaal 9 m hoog zijn toegestaan, nu hij daarvan overlast zal ondervinden.

30.1. De raad stelt dat de bestaande en met bouwvergunning opgerichte veldschuur op het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) als zodanig is bestemd. In het vorige plan was aan het perceel een agrarische bestemming toegekend. Omdat ter plaatse geen agrarisch bedrijf meer aanwezig is, heeft de raad gezocht naar een andere bestemming. Naar aanleiding van de inspraakreactie van de eigenaar van het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) is de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" toegekend. De raad verwijst naar de ruimtelijke onderbouwing waaruit volgens hem blijkt dat de gekozen wijze van bestemmen passend is en planologisch aanvaardbaar. De raad stelt dat alleen dagrecreatief gebruik is toegestaan zoals opgenomen in de planregels voor het perceel Heijtmorgen (ongenummerd), hetgeen minder intensief gebruik is dan het gebruik op grond van de hiervoor geldende agrarische bestemming. Volgens de raad is geen onaanvaardbare hinder of aantasting van de privacy ter plaatse van het perceel van [appellant sub 14] te verwachten.

30.2. Aan het plandeel voor het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) zijn de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" en de aanduidingen "bedrijfswoning uitgesloten" en "specifieke vorm van recreatie - 19" toegekend. Aan een deel van dit plandeel is tevens de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Dagrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dagrecreatieve voorzieningen;

b. water en waterhuishoudkundige doeleinden.

Ingevolge lid 16.1.2, aanhef en onder a, zijn op het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) als dagrecreatieve voorzieningen uitsluitend een tuin of het houden van hobbyvee toegestaan. Het bebouwde oppervlakte mag 80 m² bedragen.

Ingevolge lid 16.2.1 zijn uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" toegestaan.

Ingevolge lid 16.2.4 gelden voor bedrijfsgebouwen de in dat artikel genoemde maatvoeringseisen. Voor lichtmasten geldt ingevolge deze bepaling een maximale bouwhoogte van 9 m.

30.3. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1996" was aan het perceel [locatie 10], waar het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) tot de splitsing van dat perceel in 2008 deel van uitmaakte, de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" toegekend. De met vergunning opgerichte veldschuur op het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) wordt gebruikt voor opslag van tuinmaterialen en als schuilgelegenheid, anders dan voor agrarische bedrijfsdoeleinden. De veldschuur is legaal opgericht, maar het gebruik daarvan is volgens de raad in strijd met het vorige plan. De Afdeling overweegt dat het ontbreken van de zinsnede "uitsluitend in de vorm van één gebouw" bij het toegestane bebouwde oppervlak voor het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) in de tabel in lid 16.1.2, onder a, van de planregels er niet toe leidt dat ter plaatse geen gebouw is toegestaan. Ingevolge artikel 16, lid 1.2.1, zijn gebouwen immers toegestaan. De bestaande veldschuur is dan ook als zodanig bestemd. Voorts heeft de raad met het plan beoogd het door de eigenaar van het perceel gewenste gebruik mogelijk te maken. Hij heeft zich voor de aanvaardbaarheid daarvan gebaseerd op de "Ruimtelijke Onderbouwing Heijtmorgen ongenummerd, Reek" (hierna: de ruimtelijke onderbouwing). Hierin staat dat het beoogde gebruik van het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) past in het rijksbeleid en het provinciale en gemeentelijke beleid. Voorts blijft het karakter van het perceel in relatie tot de directe omgeving gehandhaafd. Ook de landschappelijke waarden ter plaatse van het perceel blijven gehandhaafd. Het toevoegen van een recreatieve functie in de vorm van een tuin met bijbehorend gebouw in het buitengebied wordt in de ruimtelijke onderbouwing een passende invulling van het buitengebied geacht. Hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op de ruimtelijke onderbouwing heeft kunnen baseren. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad geen deugdelijke motivering aan de vaststelling van het plandeel voor het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) ten grondslag heeft gelegd. Het standpunt van de raad dat het gebruik van het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) als tuin of ten behoeve van hobbyvee niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en de privacy van [appellant sub 14] is, gelet op de onderlinge afstand tussen het perceel Heijtmorgen (ongenummerd) en het perceel van [appellant sub 14] van 55 m niet onredelijk. Voor de vrees van [appellant sub 14] dat het perceel zal worden aangewend voor ander gebruik dan als tuin of dan ten behoeve van het houden van hobbyvee bestaat geen grond, nu dit ingevolge artikel 16, lid 16.1.1, aanhef en onder a, in samenhang met lid 16.1.2, van de planregels niet is toegestaan. Hiertegen kan dan ook worden opgetreden. Voor zover [appellant sub 14] vreest voor een bedrijfsmatige exploitatie van het perceel, overweegt de Afdeling dat alleen een eventuele bedrijfsmatige exploitatie van de tuin en het houden van hobbyvee is toegestaan. [appellant sub 14] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare hinder ter plaatse van zijn perceel. De Afdeling overweegt evenwel dat de raad er in het bestreden besluit noch ter zitting blijk van heeft gegeven dat een beoordeling heeft plaatsgevonden van de noodzaak en ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorziene lichtmasten met een maximale bouwhoogte van 9 m, mede gelet op de ligging van het perceel van [appellant sub 14] naast het perceel Heijtmorgen (ongenummerd). Het bestreden besluit is in zoverre dan ook genomen in strijd met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

31. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft artikel 16, lid 16.2.4, van de planregels, voor zover deze bepaling van toepassing is op het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" aan de Heijtmorgen (ongenummerd), is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

Het beroep van [appellant sub 15]

32. [ appellant sub 15] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 45" ter plaatse van de helihaven aan de Zeelandsedreef te Schaijk ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert hij aan dat ten onrechte geen aan- en afvliegroutes voor de helihaven zijn vastgelegd, waardoor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en de veiligheid, onder meer voor de paarden die hij ter plaatse houdt, niet zijn gewaarborgd.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het bestaande en toegestane gebruik van de helihaven in het plan als zodanig is bestemd. De raad heeft daarbij de bestaande beperkingen overgenomen in het plan. Voor het gebruik van de helihaven moet verder op grond van de Wet luchtvaart een luchthavenregeling worden vastgesteld door provinciale staten.

32.2. De helihaven, behorend bij [het bedrijf] aan de [locatie 11], heeft de bestemming "Bedrijf" met onder meer de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 45" en een bouwvlak. Het bedrijf van Swanenberg heeft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 44".

Ingevolge de tabel in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 45" toegestaan een bedrijfsgebonden helihaven behorende bij "specifieke vorm van bedrijf - 44", uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang tussen 7:00 en 19:00 uur, en maximaal 4 vliegbewegingen (2 starts en landingen) per dag.

32.3. De Afdeling stelt vast, onder verwijzing naar haar uitspraak van 18 april 2007 (zaak nr. 200605069/1;www.raadvanstate.nl), dat in het plan het gebruik van de helihaven is toegestaan, voor zover dat onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan viel. De in het plan opgenomen beperkingen komen daarmee overeen. Voor de helihaven is door provinciale staten geen luchthavenregeling vastgesteld op grond van de Wet luchtvaart. Voorts is niet gebleken dat in het besluit op grond van het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen dat voor de helihaven is genomen, regels over aan- en afvliegroutes zijn opgenomen.

De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 15] aldus dat hij wenst dat in het plan tevens de richtingen waarin de helikopters stijgen en landen worden vastgelegd. Daargelaten of in een plan dergelijke aan- en afvliegroutes voor de helikopters kunnen worden voorgeschreven, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval van het opnemen daarvan niet in redelijkheid heeft kunnen afzien, gelet op de omvang van het toegestane gebruik. Dat ter plaatse paarden staan die hinder kunnen ondervinden van de helikopter is daarvoor onvoldoende. [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de helihaven, dat reeds is beperkt tot bedrijfsgebonden gebruik en tot maximaal vier vliegbewegingen per dag, zodanige gevolgen heeft voor de geluidbelasting ter plaatse dat het woon- en leefklimaat en de gebruiksmogelijkheden van zijn gronden onaanvaardbaar worden aangetast indien geen aan- en afvliegroutes worden opgenomen. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat het niet opnemen van deze beperkingen tot zodanig onveilige situaties leidt dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

33. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 15] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 16] en anderen

34. [ appellante sub 16] en anderen betogen dat de raad het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ter plaatse van het Recreatieoord De Maashorst aan de Palmstraat 7 te Schaijk, voor zover het betreft de gronden die in het ontwerpplan de bestemming "Bos" hadden, ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de aanwezigheid van een blijvende forse omringende beplanting van het recreatieterrein niet meer is gewaarborgd. Zij vrezen daardoor een aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woning aan de [locatie 12] en de bedrijfswoning aan de [locatie 13], en een beperking van de bedrijfsmogelijkheden van hun bedrijf aan de [locatie 13] te Schaijk. Zij wijzen erop dat evenementen en de huisvesting van arbeidsmigranten met een tijdelijk contract mogelijk zijn binnen de recreatieve bestemming. De bestemming leidt bovendien tot een aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) ter plaatse in strijd met de Verordening 2012.

34.1. Over evenementen heeft de raad zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzitter van 11 december 2013 (zaak nr. 201307671/2/R3; www.raadvanstate.nl) op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van [appellante sub 16] en anderen, op het standpunt gesteld dat in het plan onvoldoende regels zijn opgenomen om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de ter plaatse toegestane evenementen te waarborgen.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

34.2. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de gewijzigde vaststelling geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat bij de woning aan de [locatie 12] en de bedrijfswoning aan de [locatie 13] met zich zal brengen. De afstand tot het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" vanaf de woning aan de [locatie 12] is ongeveer 45 m en vanaf de bedrijfswoning aan de [locatie 13] ongeveer 66 m. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van 30 m voor kampeerterreinen uit de Brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, editie 2009 (hierna: VNG-brochure). Nu permanente bewoning van de recreatieverblijven expliciet is uitgesloten, levert de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten voorts geen beperking op van de bedrijfsmogelijkheden van [appellante sub 16] Volgens de raad wordt de EHS ter plaatse voldoende beschermd door de omgevingsvergunningplicht op grond van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning natuur". Ook zijn in de Verordening 2012 rechtstreeks werkende regels opgenomen waaraan moet worden voldaan.

34.3. De betreffende gronden hebben bij de vaststelling van het plan de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" gekregen en de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - 8" en "wro-zone - aanlegvergunning natuur".

Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verblijfsrecreatieve voorzieningen; (…)

c. huisvesting van tijdelijke werknemers; (…)

e. ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning natuur" behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden ter bescherming van de EHS; (…)

met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen (…).

Ingevolge het bepaalde onder c is toegestaan de huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op tijdelijke arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die maximaal 6 maanden (tijdelijk) beschikbaar is, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

1. maximaal 20% van de standplaatsen mag hiervoor worden gebruikt, met dien verstande dat dit nooit meer mag bedragen dan 10 standplaatsen;

2. het aantal tijdelijke werknemers dat wordt gehuisvest, mag niet meer bedragen dan 40.

Ingevolge lid 18.3.1 wordt onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval begrepen gebruik en/of laten gebruiken van gronden en/of opstallen voor:

a. woondoeleinden, met uitzondering van een op grond van het bepaalde in 18.2.2 toegestane bedrijfswoning;

b. permanente bewoning van kampeermiddelen en recreatieve nachtverblijven;

c. huisvesting van tijdelijke werknemers die werken op zowel tijdelijke als structurele arbeidsplaatsen, te weten een arbeidsplaats die maximaal 6 maanden (tijdelijk) of langer dan 6 maanden (structureel) beschikbaar is.

Uit het schema in 18.5.4 volgt dat ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning natuur" voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100 m², het afgraven, vergraven, ophogen en egaliseren van de bodem en het dempen van poelen, sloten en greppels een omgevingsvergunning is voorgeschreven. Als criterium geldt dat de werkzaamheden geen onevenredige aantasting tot gevolg hebben van de in 18.1 omschreven waarden. Voor het aanbrengen van oppervlakteverhardingen geldt voorts dat de werkzaamheden noodzakelijk zijn voor het op de bestemming gerichte gebruik.

34.4. In het vorige plan "Buitengebied" hadden de gronden de bestemming "Multifunctioneel Bos", waarbinnen geen bebouwing was toegestaan. Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college van gedeputeerde staten goedkeuring onthouden aan de tevens in het vorige plan toegekende medebestemming "Recreatieve doeleinden", zodat alleen de bosbestemming gold.

34.5. Wat betreft de vrees van [appellante sub 16] en anderen voor het woon- en leefklimaat bij de woning aan de [locatie 12] en de bedrijfswoning aan de [locatie 13] wordt overwogen dat de afstanden tot het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" ongeveer 43 onderscheidenlijk 67 m zijn. In de VNG-brochure wordt voor de categorie kampeerterreinen en vakantiecentra voor gemengd gebied een richtafstand van 30 m aanbevolen. Niet is in geschil dat het ter plaatse een gemengd gebied is, als bedoeld in de VNG-brochure. In het aangevoerde wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de raad zich, nu ruim aan de richtafstand wordt voldaan, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat met zich zal brengen. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat tussen de woning aan de [locatie 12] en het recreatieoord gronden met de bestemming "Bos" liggen, waardoor een zekere afscherming door bos is gewaarborgd en dat, gelet op hetgeen is overwogen in 34.1, op grond van dit plan evenementen ter plaatse niet meer mogelijk zullen zijn. Het betoog faalt.

34.6. Het bedrijf [appellante sub 16] aan de [locatie 13], waarvoor een milieuvergunning is verleend door het college van gedeputeerde staten, ligt op een afstand van ongeveer 35 m van het bestemmingsvlak met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". In het ontwerpplan was deze afstand nog ongeveer 110 m. Door de gewijzigde vaststelling biedt het plan de mogelijkheid tot het oprichten en/of bouwen van recreatieverblijven tot op 35 m van het bedrijf. Daarmee is tevens de mogelijkheid gegeven dat op deze afstand arbeidsmigranten met een tijdelijk contract worden gehuisvest in de recreatieverblijven. Dit is van belang voor het bedrijf omdat, hoewel de recreatiewoningen ingevolge de planregels niet permanent mogen worden bewoond, achtereenvolgens arbeidsmigranten ter plaatse kunnen worden gehuisvest, waardoor gedurende het hele jaar personen ter plaatse gedurende langere periode kunnen verblijven. Nu het plan derhalve voor geluid beschermenswaardige objecten mogelijk maakt op kortere afstand van het bedrijf dan thans het geval is, is niet uit te sluiten dat het plan in zoverre zal leiden tot een beperking van de bedrijfsmogelijkheden van [appellante sub 16] De raad heeft dit, zoals hij ter zitting ook heeft erkend, niet onderzocht. Het plan is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

34.7. Ingevolge het kaartmateriaal behorende bij de Verordening 2012 liggen de gronden in de EHS.

Artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2012 bepaalt dat een bestemmingsplan dat is gelegen in de EHS:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden;

b. regels stelt ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en daarbij rekening houdt met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid bepaalt een bestemmingsplan, in afwijking van het eerste lid, zolang de EHS niet is gerealiseerd, dat de bestaande bebouwing en de bestaande planologische gebruiksactiviteit zijn toegelaten.

34.8. Op de gronden is in overeenstemming met de vorige bestemming een bos aanwezig zonder bebouwing. Het plan maakt zowel feitelijk als planologisch een nieuw gebruik en nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van recreatie en tijdelijke huisvesting. Gelet op deze gebruiks- en bouwmogelijkheden heeft de raad zich niet op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt tot het behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied en dat voldoende regels zijn gesteld ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van het gebied. De toegekende aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning natuur" biedt daarvoor onvoldoende bescherming. Weliswaar is voor een aantal werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist, waarbij geen onevenredige aantasting van de in artikel 18, lid 18.1, van de planregels omschreven waarden mag plaatsvinden, maar daarmee is een aantasting niet uitgesloten. [appellante sub 16] en anderen hebben bovendien gewezen op de mogelijkheid tot het plaatsen van stacaravans, waarvoor geen werkzaamheden behoeven te worden verricht waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, terwijl dit de waarden ter plaatse zou kunnen aantasten. Voor zover de raad stelt dat bescherming is geboden doordat de Verordening 2012 rechtstreeks werkende regels stelt, wat daar ook van zij, maakt dit niet dat het plan niet hoeft te voldoen aan artikel 4.2 van de Verordening 2012. Het betoog slaagt.

35. In hetgeen [appellante sub 16] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aan de Palmstraat 7 te Schaijk, voor zover het betreft de gronden die in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Bos" hadden, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 4.2, eerste lid, van de Verordening 2012. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 17]

36. [ appellante sub 17] betoogt dat de raad het plandeel met de bestemming "Bedrijf - agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49" aan de [locatie 14] te Zeeland ten onrechte heeft vastgesteld. Daartoe voert zij aan dat het toegestane maximale bebouwde oppervlakte te klein is. Het is ten onrechte minder dan de 5.000 m² die is toegestaan in de voor het bedrijf verleende bouwvergunning met vrijstelling. Volgens [appellante sub 17] is nieuwe bebouwing noodzakelijk voor de bedrijfsvoering. Verder voert zij aan dat de raad ten onrechte geen vormverandering van het bouwvlak mogelijk heeft gemaakt. Daarbij wijst zij erop dat de raad dit onder voorwaarden aanvaardbaar vindt en zij hiervoor concrete plannen heeft.

36.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het maximale toegestane oppervlakte is bepaald aan de hand van het vergunde oppervlakte en een opmeting via een luchtfoto. Ten opzichte van de feitelijke situatie is nog 200 m² aan nieuwe bebouwing mogelijk. Voor zover in 2000 een groter oppervlakte aan bebouwing is vergund mag die bebouwing op grond daarvan nog steeds worden gebouwd, aldus de raad.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat een vormverandering van een bouwvlak kan leiden tot een uitbreiding of intensivering van de bedrijfsactiviteiten, hetgeen weer gevolgen kan hebben voor de omgeving en het milieu. Het college van burgemeester en wethouders heeft bij brief van 2 april 2013 aan [appellante sub 17] laten weten niet mee te willen werken aan de voorgestelde vormverandering.

36.2. Het perceel heeft de bestemming "Bedrijf - agrarisch verwant en technisch hulpbedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49".

Gelet op de in artikel 8, lid 8.1.2, onder a, van de planregels opgenomen tabel is ter plaatse een agrarisch loonbedrijf toegestaan met een maximale bebouwde oppervlakte van 4.585 m².

36.3. Bij besluit van 15 januari 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [appellante sub 17] een bouwvergunning met vrijstelling verleend voor de oprichting van diverse bedrijfsgebouwen.

De raad heeft in het verweerschrift aan de hand van de overgelegde bijbehorende bouwtekening gesteld dat het oppervlakte van de in 2000 vergunde bedrijfsbebouwing en de oppervlakte van de bestaande loods in totaal 4.604 m² betreft. [appellante sub 17] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze berekening van de raad onjuist is. Voor zover [appellante sub 17] een tekening heeft overgelegd, is niet gebleken dat die overeenkomt met de bouwtekeningen behorend bij de bouwvergunning. Derhalve heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat op grond van de bouwvergunning met vrijstelling geen bebouwde oppervlakte van 5.000 m² hoeft te worden toegestaan in het plan.

In de plantoelichting staat verder dat niet-agrarische bedrijven, waaronder ook agrarisch-verwante bedrijven, een bouwvlak op maat hebben gekregen en een maximale bebouwde oppervlakte in de planregels. Uitbreiding van de bebouwing is in het plan niet toegestaan. De Afdeling acht dit uitgangspunt vanwege de bescherming van de kwaliteit van het buitengebied niet onredelijk. Dat de Verordening 2012 onder voorwaarden een uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf toestaat, maakt niet dat de raad ook is gehouden dit als zodanig toe te staan. [appellante sub 17] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een groter bebouwde oppervlakte, mede gelet op de ruimte die het plan nog biedt ten opzichte van de feitelijke situatie, noodzakelijk is. Evenmin is gebleken dat zij zodanig concrete plannen had voor nieuwe bebouwing, dat de raad die bij de vaststelling van het plan had dienen te betrekken. Gelet daarop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien een groter maximale bebouwde oppervlakte toe te staan dan volgt uit de genoemde bouwvergunning met vrijstelling. Het betoog faalt.

36.4. Evenwel heeft de raad erkend dat de in de planregels opgenomen maximale bebouwde oppervlakte kleiner is dan de oppervlakte aan vergunde bebouwing. Bebouwing die op grond van een in rechte onaantastbaar geworden bouwvergunning, dan wel een omgevingsvergunning voor bouwen, kan worden gebouwd, dient in beginsel als zodanig te worden bestemd. Niet is gebleken waarom de raad dat in dit geval niet heeft gedaan. Dat de vergunde bebouwing nog niet volledig is gerealiseerd, is daarvoor onvoldoende, nu de bouwvergunning niet is ingetrokken en de bebouwing derhalve alsnog kan worden gebouwd. Gelet op het voorgaande heeft de raad het besluit in zoverre in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid genomen. Het betoog slaagt.

36.5. Over de door [appellante sub 17] gewenste vormverandering heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief van 2 april 2013 gesteld dat daaraan in principe geen medewerking wordt verleend. Uit de brief volgt dat dit te maken heeft met waardevolle zichtlijnen die kunnen verdwijnen en de omstandigheid dat de bedrijfsactiviteiten door de vormverandering op kortere afstand van woningen kunnen worden uitgevoerd. De Afdeling overweegt dat de raad op deze gronden, die tevens zijn genoemd in de nota van zienswijzen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vorm van het bouwvlak niet te veranderen.

De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad een wijzigingsbevoegdheid diende op te nemen om een andere vormverandering mogelijk te maken. Daarbij is van belang dat ook bij een wijzigingsbevoegdheid de ruimtelijke aanvaardbaarheid dient te worden beoordeeld. Een vormverandering van een bouwvlak kan ruimtelijke gevolgen hebben door een verplaatsing van bedrijfsactiviteiten en bedrijfsbebouwing of een wijziging in de bedrijfsvoering. De raad heeft, omdat niet kan worden uitgesloten dat het zou leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor het milieu, in redelijkheid geen wijzigingsbevoegdheden voor een vormverandering van bouwvlakken kunnen opnemen. Voorts volgde uit de zienswijze van [appellante sub 17] niet dat zij, indien de gevraagde vormverandering niet mogelijk zou zijn, een andere vormverandering wenst. Het betoog faalt.

37. In hetgeen [appellante sub 17] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van artikel 8, lid 8.1.2, onder a, van de planregels, voor zover het betreft het getal "4585" in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49", heeft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

38. Nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat het getal "4604" wordt opgenomen in de tabel in artikel 8, lid 8.1.2, onder a, van de planregels als maximale bebouwde oppervlakte behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49", en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van dit planonderdeel in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd.

Hierbij betrekt de Afdeling dat deze oppervlakte overeenkomt met de bebouwing die reeds vergund is en dat hiermee in verhouding tot het oorspronkelijke toegestane maximale oppervlakte slechts 19 m² meer aan bebouwing mogelijk wordt gemaakt.

Bestuurlijke lus

39. Met betrekking tot het verzoek van de raad om toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb, overweegt de Afdeling dat met betrekking tot enkele gebreken zelf in de zaak zal worden voorzien maar dat, gezien de aard en omvang van de overige geconstateerde gebreken, hiertoe dan wel voor een bestuurlijke lus geen aanleiding wordt gezien. Daarbij is nog van belang dat een herziening van het plan reeds wordt voorbereid en dat de geconstateerde gebreken hierbij kunnen worden hersteld. Voor zover [appellant sub 9] ten aanzien van zijn beroep hiertoe heeft verzocht, wordt nog overwogen dat de raad en [appellant sub 9] te kennen hebben gegeven dat bij een nieuw plan voor het perceel de uitbreiding van zijn veehouderij kan worden betrokken. Een dergelijke ontwikkeling leent zich naar het oordeel van de Afdeling, gelet op het daarvoor benodigde onderzoek, de tijd die daarmee gemoeid is en de belangen van derden, evenmin voor toepassing van een bestuurlijke lus.

Verwerken op de landelijke voorziening

40. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

41. Ten aanzien van de beroepen van Zorgboerderij Reek B.V, [appellant sub 2], de stichting, [appellant sub 5], [appellant sub 6], Landgoed de Princepeel B.V, [appellant sub 10] en [appellant sub 15] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Ten aanzien van de beroepen van Compliment B.V., [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 11] B.V, Starline Recreatie B.V., Starline Holding B.V. en [appellante sub 17] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 16] en anderen en [appellant sub 14] is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet gebleken.

41.1. De raad dient ten aanzien van Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het gaat hier om twee afzonderlijke beroepen die op dezelfde gronden tegen het bestreden besluit zijn ingediend. Ter zitting is Starline Recreatie B.V. en Starline Holding B.V. rechtsbijstand verleend. Dit is door één rechtsbijstandverlener geschied. Derhalve worden de beroepen ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht beschouwd als één zaak. Dit geeft aanleiding om te bepalen dat aan Starline Recreatie B.V. als Starline Holding B.V. tezamen een bedrag € 974,00 aan kosten voor verleende rechtsbijstand moet worden vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Zorgboerderij Reek B.V. niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van de besloten vennootschap met aansprakelijkheid Compliment B.V., [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellante sub 11a] en [appellant sub 11b], [appellante sub 16]. en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Recreatie B.V. en [appellant sub 12a], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Holding B.V. en [appellant sub 12a], [appellant sub 14], en [appellante sub 17] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Landerd van 23 mei 2013, kenmerk 2013/1333, voor zover:

a. de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" voor het plandeel aan het Voor-Oventje 33 te Zeeland; (COMPLIMENT B.V.)

b. het betreft het plandeel met de aanduiding "Agrarisch - 2" aan het Voor-Oventje 33 te Zeeland voor zover het betreft de gronden buiten het bouwvlak waaraan niet de aanduiding "wro-zone - voorziening buiten het bouwvlak" is toegekend, zoals nader aangeduid op de aan deze uitspraak gehechte kaart; (COMPLIMENT B.V.)

c. het betreft het bouwvlak aan de [locatie 4] te Schaijk voor zover daarmee de bestaande tuin ter plaatse niet geheel als zodanig is bestemd; ([appellant sub 7])

d. het betreft de aanduiding "wro-zone - aanlegvergunning historisch geografisch waardevol" voor de [locatie 4] te Schaijk; ([appellant sub 7])

e. het betreft de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" voor de [locatie 4] te Schaijk; ([appellant sub 7])

f. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" en de aanduiding "grondgebonden veehouderij" aan de [locatie 5] te Schaijk; ([appellant sub 9])

g. het betreft artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels, voor zover het betreft de tekst "opslag antiek" in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17"; (appellant sub 11])

h. het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" aan de Dennenlaan 3 te Reek voor zover de bestaande schuur en paardenbak en het gebruik ten behoeve van een pensionstalling niet als zodanig zijn bestemd; (STARLINE RECREATIE B.V. EN STARLINE HOLDING B.V.)

i. het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aan de Palmstraat 7 te Schaijk, voor zover het betreft de gronden die in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming "Bos" hadden; ([appellant sub 16] EN ANDEREN)

j. het betreft artikel 16, lid 16.2.4, van de planregels, voor zover deze bepaling van toepassing is op het plandeel met de bestemming "Recreatie - Dagrecreatie" aan de Heijtmorgen (ongenummerd) te Reek; ([appellante sub 17])

k. het betreft artikel 8, lid 8.1.2, onder a, van de planregels, voor zover het betreft het getal "4585" in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49"; (appellant sub 17])

IV. bepaalt dat in artikel 7, lid 7.1.2, onder a, van de planregels in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 17" als type bedrijf wordt opgenomen "opslag antiek, groothandel in antiek" en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; ([appellant sub 11])

V. bepaalt dat in artikel 8, lid 8.1.2, onder a, van de planregels in de tabel behorend bij de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 49" als maximale bebouwde oppervlakte wordt opgenomen "4604" en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit; ([appellante sub 17])

VI. draagt de raad van de gemeente Landerd op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen in III, in a, b, c, e, f, h, en j en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VII. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat tot het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe besluit zoals bedoeld onder VI:

a. ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Agrarisch - 2" aan het Voor-Oventje 33 te Zeeland buiten het bouwvlak niet meer voorzieningen ten behoeve van opslag en stalling mogen worden aangebracht dan die reeds bestonden ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit; (COMPLIMENT B.V.)

b. de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied natuurontwikkeling" voor het plandeel aan de [locatie 4] te Schaijk blijft gelden; ([appellant sub 7])

VIII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], de stichting Stichting Natuur en Milieu Landerd, [appellant sub 5], [appellant sub 6], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed de Princepeel B.V. en [appellant sub 8a], [appellant sub 10] en [appellant sub 15] ongegrond;

IX. veroordeelt de raad van de gemeente Landerd tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. voor de besloten vennootschap met aansprakelijkheid Compliment B.V. een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. [appellant sub 7], een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. voor [appellant sub 9] een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. voor [appellante sub 11a] en [appellant sub 11b] een bedrag van € 531,47 (zegge: vijfhonderdeenendertig euro en zevenenveertig cent), waarvan € 487,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

e. voor de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Recreatie B.V. en [appellant sub 12a] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Holding B.V. en appellant sub 12a] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

f. voor [appellante sub 17] een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

X. gelast dat de raad van de gemeente Landerd aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Compliment B.V.;

b. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 7];

c. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 9];

d. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 11a] en [appellant sub 11b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

e. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 16]. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

f. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Recreatie B.V. en [appellant sub 12a];

g. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starline Holding B.V. en [appellant sub 12a];

h. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 14];

i. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 17], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

XI. draagt de raad van de gemeente Landerd op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de onderdelen genoemd in III, in d, h, i en k, in IV. en in V. worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van Ettekoven w.g. Vletter

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

653-459.