Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4036

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201306395/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2013, nummer 08, heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Rhenoy 2013" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1188

Uitspraak

201306395/3/R2.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rhenoy, gemeente Geldermalsen,

en

de raad van de gemeente Geldermalsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2013, nummer 08, heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Rhenoy 2013" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2014, waar [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant], bijgestaan door mr. A.W. van Ojen, en de raad, vertegenwoordigd door drs. F. Schmidt, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 26 maart 2014 in zaak nr. 201306395/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van  28 mei 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 3 juli 2014 heeft de raad te kennen gegeven het gebrek in het besluit te hebben hersteld.

[appellant] is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. [appellant] heeft daarvan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in overweging 12.4 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 28 mei 2013 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Zij heeft daartoe overwogen dat de raad er geen blijk van heeft gegeven zich ervan te hebben vergewist of, in aanmerking genomen de milieuhygiënische gevolgen van de fruitboomgaard voor de omgeving, in redelijkheid doorslaggevend belang kan worden toegekend aan het voortzetten van de bestaande situatie ter plaatse.

2. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2013 is gegrond. Het besluit dient, voor zover het ziet op de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch - Dorpsgebied" voor het perceel Dorpsstraat 20-22 en de bestemming "Wonen", voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van voornoemde plandelen, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twintig weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van overweging 12.4, alsnog toereikend te motiveren dat in redelijkheid doorslaggevend belang kon worden toegekend aan het voortzetten van de bestaande situatie, dan wel het bestreden besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

4. Bij brief van 3 juli 2014 heeft de raad te kennen gegeven het besluit van 28 mei 2013 naar aanleiding van de tussenuitspraak nader te hebben gemotiveerd. De raad stelt dat het een historisch gegroeide situatie betreft die veelvoorkomend is in de gemeente en in andere gemeenten. Volgens de raad dient aan het belang bij behoud van de bestaande situatie een groter gewicht te worden toegekend nu het alternatief van sanering van het fruitteeltbedrijf of de woningen te ingrijpend is, in het licht bezien van de huidige onzekerheid omtrent de effecten van bestrijdingsmiddelen voor de gezondheid. De raad verwijst in dit verband naar het rapport "Gewasbescherming en omwonenden" van de Gezondheidsraad van 29 januari 2014, waarin onder meer is vermeld dat nader onderzoek nodig is naar de effecten van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van omwonenden. De raad concludeert dat gelet op dit onderzoek niet in algemene zin kan worden vastgesteld dat de nadelige gevolgen van het laten voortbestaan van een bestaande historisch gegroeide situatie zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. Evenmin kan dit meer specifiek worden vastgesteld aan de hand van de door [appellant] overgelegde rapportages van Nicure, nu ook hierin geen eenduidige conclusies worden getrokken en hierbij bovendien methodische vraagtekens kunnen worden geplaatst nu daarin uitsluitend rekenkundige exercities zijn opgenomen zonder rekening te houden met mogelijk driftbeperkende maatregelen aan de kant van de fruitteler, aldus de raad.

5. [appellant] kan zich niet verenigen met de door de raad gegeven nadere motivering. Hiertoe voert hij aan dat de motivering geen ruimtelijke argumenten bevat die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het eigen gemeentelijk beleid met betrekking tot het aanhouden van een afstand van 50 meter tussen fruitboomgaard en gevoelige bestemmingen. Volgens hem had een groter belang moeten worden toegekend aan het voorkomen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden en dienen de financiële gevolgen van het aanhouden van een afstand van 50 meter ook in bestaande situaties voor rekening van de gemeente te komen. In zoverre kan worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan, aldus [appellant].

6. Uit artikel 3, lid 3.1.2, onder a, van de planregels in samenhang bezien met het verweerschrift van de raad, volgt dat de raad het noodzakelijk acht om in nieuwe situaties een afstand aan te houden van 50 meter tussen nieuwe boomgaarden en woningen. Nu het in dit geval gaat om een lang bestaande situatie, is het plan, anders dan [appellant] stelt, derhalve niet vastgesteld in strijd met het gemeentelijk beleid. De raad heeft bovendien gemotiveerd waarom een dergelijke afstandseis niet geldt in bestaande situaties. Hierbij is met name van belang dat de raad, onder verwijzing naar het rapport van de Gezondheidsraad en in reactie op de door [appellant] overgelegde rapporten van Nicure, heeft overwogen dat het belang bij behoud van de bestaande situatie in dit geval dient te prevaleren aangezien niet vaststaat dat de nadelige gevolgen hiervan vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht, waarbij de raad in zijn afweging heeft betrokken dat ook de financiële middelen ontbreken om de bestaande situatie te beëindigen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de belangenafweging van de raad onredelijk is noch dat de motivering geen ruimtelijke relevante argumenten bevat. Het betoog faalt.

7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven.

8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Geldermalsen van 28 mei 2013, nr. 08, voor zover het ziet op de plandelen met de bestemming "Agrarisch" en "Agrarisch - Dorpsgebied" voor het perceel Dorpsstraat 20-22 en de bestemming "Wonen", voor zover gelegen binnen een afstand van 50 meter van voornoemde plandelen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Geldermalsen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1251,44 (zegge: twaalfhonderdeenenvijftig euro en vierenveertig cent), waarvan € 1217,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Geldermalsen aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. N.S.J. Koeman en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.

w.g. Hagen w.g. Van Heusden

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

647.