Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201307391/2/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Florence Nightingale Park" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307391/2/R6.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C], allen wonend te Den Haag (hierna: [appellant sub 1]),

2. de vereniging Bewonersvereniging Centraal Wonen Houtwijk, gevestigd te Den Haag (hierna: Bewonersvereniging CWH),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Florence Nightingale Park" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2013, waar [appellant sub 1], in de personen van [appellant sub 1A]. en [appellant sub 1B], bijgestaan door [gemachtigde] en de raad vertegenwoordigd door drs. J.E. Leenders, mr. R. Sakkee, beiden werkzaam bij de gemeente, ing. W.K. Drost en drs. A.J. Everts, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 5 februari 2014, in zaak nr. 201307391/1/R6, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen veertien weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin geconstateerde gebreken in het besluit van 13 juni 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad ter uitvoering van voormelde tussenuitspraak het bestemmingsplan "Florence Nightingale Park" gewijzigd.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant sub 1] zienswijzen naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

Bewonersvereniging CWH heeft tegen het besluit van 24 april 2014 beroep ingesteld.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 16 oktober 2014, waar [appellant sub 1], in de personen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bijgestaan door [appellant sub 1A], Bewonersvereniging CWH, vertegenwoordigd door drs. C.J.G. Duurkoop en de raad vertegenwoordigd door drs. J.C.M. Stam, mr. R. Sakkee, beiden werkzaam bij de gemeente, ing. W.K. Drost en drs. A.J. Everts, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Tussenuitspraak

2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak ten aanzien van de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-4" en "Gemengd-1" in de overwegingen 5.4 en 6.2 overwogen dat de beoogde trapsgewijze verhoging van de bouwhoogte niet duidelijk volgt uit het plan, en dat de planregels en de verbeelding in zoverre evenmin in overeenstemming zijn met het raadsbesluit. In zoverre is volgens de Afdeling sprake van een rechtsonzeker plan. Voorts heeft de Afdeling ten aanzien van deze plandelen in de overwegingen 5.5, 5.6, 5.7, 5.8 en 6.3 - kort weergegeven - overwogen dat de raad onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd dat de binnen de genoemde plandelen voorziene ontwikkelingen geen onevenredige gevolgen zullen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de [locaties], zodat de raad in zoverre het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft vastgesteld.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen veertien weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van overwegingen:

- 5.4 en 6.2 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling voor de binnen de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-4" en "Gemengd-1" toegestane bouwhoogten, - 5.5, 5.6, 5.7 en 5.8 alsnog te onderzoeken en te motiveren waarom de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" voorziene ontwikkelingen geen onevenredige gevolgen zullen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de [locaties] te Den Haag. In het bijzonder dient te worden ingegaan op de ligging, vorm en hoogte van de binnen de bestemming "Gemengd-4" mogelijk gemaakte bebouwing, de mogelijkheid van het aanleggen van erftoegangswegen, alsmede op de door [appellant sub 1] gestelde schaduw-, geluid- en windhinder, aantasting van hun privacy en uitzicht als gevolg van de binnen deze bestemming voorziene ontwikkelingen dan wel een gewijzigde planregeling vast te stellen,

- 6.3 alsnog te onderzoeken en te motiveren waarom de bouwhoogte van de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-1" mogelijk gemaakte bebouwing geen onevenredige gevolgen zal hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de [locaties] te Den Haag. In het bijzonder dient te worden ingegaan op de door [appellant sub 1] gestelde schaduw- en windhinder, aantasting van hun privacy en uitzicht als gevolg van de binnen deze bestemming voorziene bebouwing, dan wel een gewijzigde planregeling vast te stellen.

Besluit van 24 april 2014

4. Bij besluit van 24 april 2014 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Florence Nightingale Park", voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4" op de volgende onderdelen gewijzigd vastgesteld:

- artikel 4, lid 4.2.1, onder b, van de planregels is gewijzigd in: "ter plaatse van de op de plankaart aangegeven maatvoeringsvlakken mogen de bouwhoogten binnen het betreffende maatvoeringsvlak niet minder bedragen dan de minimale bouwhoogte en niet meer bedragen dan de maximale bouwhoogte die in die vlakken zijn aangeduid".

- in artikel 7, lid 7.1 van de planregels wordt toegevoegd na het woord "erftoegangswegen": "met dien verstande dat erftoegangswegen niet gelegen mogen zijn binnen een afstand van 15 m vanaf de grens van het bouwvlak waarin de woningen aan [locaties] zijn gelegen".

- artikel 7, lid 7.2.1, onder b en onder f, van de planregels is gewijzigd in:

"b. ter plaatse van de op de plankaart aangegeven maatvoeringsvlakken mogen de bouwhoogten binnen het betreffende maatvoeringsvlak niet minder bedragen dan de minimale bouwhoogte en niet meer bedragen dan de maximale bouwhoogte die in die vlakken zijn aangeduid;

f. in uitzondering op het bepaalde onder b mag ter plaatse van het maatvoeringsvlak waarbij naast een minimum en maximum bouwhoogte tevens een afwijkende maximale bouwhoogte en een maximum bebouwingspercentage is opgenomen, het maatvoeringsvlak tot het aangegeven percentage worden bebouwd tot een maximale bouwhoogte van 30 meter".

- aan artikel 7, lid 7.2.1 van de planregels wordt sub i tot en met k toegevoegd. Deze luiden als volgt:

"i. artikel 24 onder b, is uitsluitend van toepassing op die delen van het bouwvlak waarin een maatvoeringsvlak is opgenomen met een maximale bouwhoogte van 30 meter en een maximum bebouwingspercentage, met dien verstande dat de afstand tussen de in artikel 24 onder b, toegestane bouwdelen en de zuidwestelijke grens van het bouwvlak waarin de woningen aan [locaties] zijn gelegen, niet minder dan 37 meter mag bedragen;

j. artikel 27.1 onder a, is uitsluitend van toepassing op die delen van gebouwen die gelegen zijn op ten minste 37 meter van de zuidwestelijke grens van het bouwvlak waarin de woningen aan [locaties] zijn gelegen;

k. artikel 27.1 onder b, is uitsluitend van toepassing op bouwvlakken en maatvoeringsvlakken die gelegen zijn op ten minste 12 meter van de zuidwestelijke grens van het bouwvlak waarin de woningen aan [locaties] zijn gelegen".

- op de verbeelding zijn de bouwhoogten binnen de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4" gewijzigd en aangeduid met maatvoeringsvlakken. Daarbij is tevens het binnen de bestemming "Gemengd-4" toegekende bouwvlak verkleind en ligt deze op grotere afstand van de woningen aan de [locaties] dan het geval was in het besluit van 13 juni 2013.

Verder heeft de raad nader toegelicht dat het plan met voornoemde wijzigingen geen onevenredige nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat, de privacy en het uitzicht ter plaatse van de woningen aan de [locaties]. Daartoe heeft de raad door Peutz nieuwe onderzoeken laten verrichten ter bepaling van de schaduw- en windhinder, waaruit volgens de raad volgt dat voldaan kan worden aan de gestelde gemeentelijke normen. De volledige rapporten van deze onderzoeken zijn als bijlagen 8 en 9 toegevoegd aan de plantoelichting en de resultaten zijn tevens weergegeven in de paragrafen 4.10 en 4.11 van de plantoelichting.

4.1. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4.2. Hieruit volgt dat het beroep van [appellant sub 1] van rechtswege mede betrekking heeft op het besluit van 24 april 2014 tot wijziging van het besluit van 13 juni 2013.

Het beroep van Bewonersvereniging CWH heeft alleen betrekking op het besluit van 24 april 2014.

Bouwhoogte

5. [appellant sub 1] voeren aan dat de verbeelding niet in overeenstemming is met het besluit van 24 april 2014 nu op de verbeelding de maatvoering ontbreekt op een van de maatvoeringsvlakken binnen het bouwvlak van het plandeel met de bestemming "Gemengd-4". Het maatvoeringsvlak in het achterste gedeelte van het betreffende bouwvlak, dat grenst aan de A.M. Schirmweg, bevat geen aanduiding voor de minimaal en maximaal toegestane bouwhoogte, zodat volgens [appellant sub 1] voor dat deel van het bouwvlak teruggevallen wordt op de Bouwverordening en een maximale bouwhoogte van 15 m is toegestaan. Verder voeren [appellant sub 1] ten aanzien van dit maatvoeringsvlak aan dat daarin ten onrechte een maximale bouwhoogte van 30 m is gekoppeld aan een bebouwingspercentage van 12 procent, terwijl uit het besluit van 24 april 2014 volgt dat een bouwhoogte van 30 m uitsluitend op een afstand van 30 m van de zuidwestelijke gevel van de woning aan de [locatie] is toegestaan.

5.1. De raad erkent dat de maatvoering in het desbetreffende maatvoeringsvlak niet juist op de verbeelding is weergegeven en de verbeelding in zoverre niet in overeenstemming is met het besluit van 24 april 2014. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het de bedoeling is om een bouwhoogte van 30 m toe te staan op een afstand van ten minste 30 m van de woning aan de [locatie]. Op grond van artikel 7, lid 7.2.1, onder g, van de planregels is echter een bouwhoogte van 30 m toegestaan op minder dan 30 m afstand tot de desbetreffende woning. De raad heeft ter zitting erkend dat deze planregel evenmin in overeenstemming is met het besluit van 24 april 2014.

5.2. In hetgeen [appellant sub 1] hebben aangevoerd en het verhandelde ter zitting ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 24 april 2014 en het plan in onderlinge samenhang bezien in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt.

Bebouwingspercentage

6. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH voeren aan dat de raad door de verhoging van de bebouwingspercentages van 9 naar 12 procent en van 25 naar 40 procent binnen de bestemming "Gemengd-4" voor bebouwing met een maximale bouwhoogte van 30 m buiten de opdracht van de Afdeling is getreden en dat het besluit van 24 april 2014 reeds daarom dient te worden vernietigd.

6.1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen alsnog te onderzoeken en te motiveren waarom de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" voorziene ontwikkelingen geen onevenredige gevolgen zullen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen aan de [locaties] te Den Haag dan wel een andere planregeling vast te stellen. De raad heeft de planregeling voor dit plandeel gewijzigd vastgesteld. Naar het oordeel van de Afdeling passen de wijzigingen in bebouwingspercentages binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" binnen de in de tussenuitspraak geformuleerde opdracht aan de raad.

De betogen falen.

Geluid

7. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH voeren aan dat door de intensivering van de bebouwingspercentages binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" een ander bouwplan kan worden gerealiseerd dan voorheen mogelijk was. Volgens hen is niet duidelijk of de raad zich bij het besluit van 24 april 2014, gelet op de wijzigingen, nog steeds kon baseren op het akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 13 juni 2013.

Daarnaast betogen zij dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 110c, eerste lid, van de Wet geluidhinder, nu het ontwerpbesluit tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (hierna: hogere waarden) dat is genomen ten behoeve van het plan, niet tegelijkertijd met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen. Verder is volgens [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH ten onrechte in het plan niet gewaarborgd dat de geluidwerende maatregelen aan de woningen, zoals voorgeschreven in het besluit tot vaststelling van hogere waarden van 12 juni 2013, worden uitgevoerd voordat de reconstructie van de Escamplaan wordt uitgevoerd.

7.1. De raad stelt dat de wijzigingen in bebouwingspercentages binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" geen invloed hebben op de uitkomsten in het aan het besluit van 13 juni 2013 ten grondslag gelegde akoestisch rapport. Volgens de raad is bij de berekeningen in het betreffende rapport reeds uitgegaan van een hoogte van 30 m aan de Escamplaan, omdat destijds de exacte locatie van deze hoogte niet bekend was. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat een bouwhoogte van 30 m aan de achterzijde van het betreffende bouwvlak niet leidt tot een andere weerkaatsing van het geluid aan de zijde van de Escamplaan, zodat het niet nodig was opnieuw een akoestisch onderzoek te verrichten. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging hebben deze toelichting van de raad niet weersproken. Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling bij de vaststelling van het besluit van 24 april 2014 in redelijkheid kunnen baseren op het akoestisch rapport dat ten grondslag lag aan het besluit van 13 juni 2013.

De betogen falen in zoverre.

7.2. Voorts stelt de raad dat de beroepen van [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH ten aanzien van de gronden over artikel 110c van de Wet geluidhinder en het treffen van gevelmaatregelen niet-ontvankelijk zijn, omdat het plan op deze punten niet is gewijzigd bij het besluit van 24 april 2014.

7.3. De hogere waarden die bij besluit van 12 juni 2013 ten behoeve van onderhavig plan zijn vastgesteld, zijn niet gewijzigd naar aanleiding van de bij besluit van 24 april 2014 vastgestelde wijzigingen van het plan. Gelet daarop begrijpt de Afdeling deze beroepsgronden aldus dat deze zijn gericht tegen het besluit van 13 juni 2013.

[appellant sub 1] hebben met deze beroepsgronden hun beroepsgronden uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Bewonersvereniging CWH heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 13 juni 2013 en heeft daarin derhalve berust. Nu de raad voor de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4" een gewijzigde planregeling heeft vastgesteld en een verbeterde motivering aan deze plandelen ten grondslag heeft gelegd, kan Bewonersvereniging CWH niet worden tegengeworpen dat zij vanwege deze plandelen geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 13 juni 2013. De beroepsgronden over de procedure tot vaststelling van hogere waarden en de te treffen gevelmaatregelen hebben echter geen betrekking op de gewijzigde planregeling.

Het voorgaande betekent dat de beroepsgronden over artikel 110c van de Wet geluidhinder en de te treffen gevelmaatregelen buiten inhoudelijke bespreking blijven.

Bezonning en wind

8. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH betogen dat het gewijzigde plan negatieve gevolgen heeft voor de ter plaatse van hun woningen ondervonden schaduw- en windhinder en dat dit door de raad onvoldoende is onderzocht. [appellant sub 1] betogen in dit kader dat de aan het besluit van 24 april 2014 ten grondslag gelegde onderzoeken naar schaduw- en windhinder ondeugdelijk zijn, omdat daarin geen rekening is gehouden met de algemene bouwregels en afwijkingsregels in het plan en niet is uitgegaan van de maximaal mogelijke bouwmassa. Hierdoor staat niet vast dat voldaan kan worden aan de gemeentelijke bezonningsnorm, aldus [appellant sub 1].

8.1. Aan het besluit van 24 april 2014 heeft de raad een bezonningsonderzoek en een windklimaatonderzoek ten grondslag gelegd. De resultaten van deze onderzoeken zijn vervat in de door Peutz opgestelde rapporten "Bestemmingsplan Florence Nightingalepark e.o. Den Haag, bezonningsonderzoek woningen [locaties]" van 3 maart 2014 en "Bestemmingsplan Florence Nightingalepark e.o. Den Haag, windklimaatonderzoek woningen [locaties]" van 3 maart 2014. De raad erkent met betrekking tot deze rapporten dat daarin niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden en dat de woningen aan de Albert Schweitzerlaan daarin niet zijn betrokken. In hetgeen [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 24 april 2014 in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De betogen slagen. De Afdeling ziet aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen worden gelaten. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

8.2. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt dat het plan geen onevenredige gevolgen heeft voor de ter plaatse van de woningen van appellanten ondervonden schaduw- en windhinder heeft de raad in zijn nadere stukken nieuwe door Peutz opgestelde rapporten toegezonden.

8.3. In het nader toegezonden rapport van Peutz van 1 juli 2014 "Bestemmingsplan Florence Nightingalepark e.o. Den Haag, bezonningsonderzoek woningen [locaties]" is geconcludeerd dat bij een maximale invulling van het plan de bezonning bij de woningen aan de [locaties] voldoet aan de binnen de gemeente gehanteerde zogenoemde Haagse bezonningsnorm. In het aanvullend rapport van Peutz "Windklimaat- en bezonningsonderzoek bestemmingsplan Florence Nightingale Park te Den Haag" van 18 augustus 2014 is ten aanzien van de woningen aan de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68 eveneens geconcludeerd dat voldaan wordt aan deze bezonningsnorm.

In het nader toegezonden rapport van Peutz van 2 juli 2014 "Bestemmingsplan Florence Nightingalepark e.o. Den Haag, windklimaatonderzoek woningen [locaties]" en het hiervoor genoemde aanvullende rapport van 18 augustus 2014 is over het windklimaat vermeld dat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving". In beide rapporten is geconcludeerd dat het windklimaat rond de woningen aan de [locaties] en de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68, beoordeeld als slentergebied, goed is. Het gunstige windklimaat in de bestemmingsplansituatie wordt volgens deze rapporten verklaard door het feit dat de hoogbouwdelen binnen het bestemmingsplan voor de belangrijke windrichtingen voorzien zijn van een ruime laagbouwvoet, dan wel op voldoende afstand en gunstig gelegen zijn voor de overheersende windrichting. Verder is volgens deze rapporten op basis van de berekeningen in het gebied rond de woningen geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten.

8.4. De in deze rapporten gehanteerde normen voor de beoordeling van de schaduw- en windhinder zijn door [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH niet bestreden. Ter zitting hebben [appellant sub 1] over deze rapporten naar voren gebracht dat hierin geen rekening is gehouden met de intensivering van de bebouwing. De raad heeft daarop onweersproken toegelicht dat in de rapporten is uitgegaan van een worstcase modellering van de bebouwing uitgaande van de maximale bouwhoogte op de rand van het maatvoeringsvlak. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH hebben niet aannemelijk gemaakt dat de conclusies in de nadere rapporten van Peutz niet juist zijn.

Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2014 in stand te laten, voor zover de beoordeling van de overige beroepsgronden zich daartegen niet verzet.

Woon- en leefklimaat

9. [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voeren aan dat de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" mogelijk gemaakte bebouwing negatieve effecten heeft op hun privacy en de ter plaatse van hun woningen aan de [locaties] onderscheidenlijk de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68 ondervonden wind-, schaduw- en geluidhinder. Verder voert Bewonersvereniging CWH aan dat de voorziene bebouwing met een hoogte van 30 m niet past binnen de groene woonbuurt aan de overzijde waar de bebouwing maximaal 4 woonlagen hoog is.

9.1. De raad stelt dat vanwege de privacy van de bewoners van de woningen aan de [locaties] het bouwvlak dat is toegekend aan het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" is verkleind ten opzichte van het plan van 13 juni 2013. Daarbij is de afstand tussen de betreffende woningen en het bouwvlak vergroot en is een bouwhoogte van 30 m op grotere afstand van deze woningen toegestaan. De afstand tussen het binnen de bestemming "Gemengd-4" gelegen bouwvlak en de woningen aan de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68 is volgens de raad niet veranderd. Om de te realiseren stedenbouwkundige massa nagenoeg gelijk te houden en evenveel woningen te kunnen realiseren zijn volgens de raad de bebouwingspercentages in de maatvoeringsvlakken waarin een afwijkende bouwhoogte van 30 m is toegestaan verhoogd van 9 naar 12 procent en van 25 naar 40 procent. Volgens de raad hebben deze wijzigingen van het plan ten opzichte van het plan van 13 juni 2013 positieve gevolgen voor zowel de omwonenden aan de [locaties] als die aan de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68, aangezien de hoogbouw tot 30 m op een minimale afstand van 30 m van de zuidwestelijke gevel van de woning aan de Escamplaan mag worden gerealiseerd. In het plan van 13 juni 2013 was dit al op een afstand van 22,5 m mogelijk, aldus de raad. Gelet op deze afstanden en de stedelijke omgeving is volgens de raad geen sprake van een onevenredige aantasting van de privacy. Verder stelt de raad onder verwijzing naar de verrichte geluid-, windklimaat- en bezonningsonderzoeken dat de binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" voorziene ontwikkelingen geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor de ter plaatse van de woningen aan de [locaties] en de Albert Schweitzerlaan 2 tot en met 68 ondervonden wind-, schaduw- en geluidhinder.

9.2. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 1] en Bewonersvereniging CWH hebben aangevoerd geen aanleiding om de door de raad gegeven uiteenzetting onredelijk te achten. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een zodanige aantasting van de privacy en het uitzicht dat de raad in redelijkheid hieraan een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het hier gaat om een stedelijke omgeving.

Over de inpassing van de bebouwing in de omgeving heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat op het terrein van het ziekenhuis eveneens hoogbouw mogelijk is, zodat de bebouwing aan die zijde van Escamplaan forser is dan aan de overzijde van de Escamplaan. Mede gelet op de groene Escamplaan acht de raad dit stedenbouwkundig verantwoord. Dit standpunt van de raad acht de Afdeling niet onredelijk.

9.3. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

De betogen falen.

Bestemming "Gemengd-1"

10. [appellant sub 1] betogen ook nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat te ondervinden van de voorziene ontwikkelingen binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-1". Zij betogen daartoe in hun privacy te worden aangetast nu binnen de bestemming "Gemengd-1" bebouwing tot 77 m oftewel een gebouw met 25 verdiepingen mogelijk is van waaruit zicht bestaat op hun tuinen. Volgens hen is onvoldoende gemotiveerd dat in hun tuinen sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

10.1. De raad stelt dat de afstand tussen de voorziene bebouwing binnen de bestemming "Gemengd-1" en de tuinen van [appellant sub 1] ongeveer 70 m bedraagt. De raad acht, gelet op deze afstand en de omstandigheid dat het een stedelijke omgeving betreft, de gestelde aantasting van de privacy en het verblijfsklimaat in de tuinen, niet onaanvaardbaar. Ter onderbouwing heeft de raad naar diverse vergelijkbare andere situaties binnen de gemeente gekeken, die de raad aanvaardbaar heeft geacht. In hetgeen [appellant sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond het standpunt van de raad onredelijk te achten.

10.2. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1].

Het betoog faalt.

Financieel-economische uitvoerbaarheid

11. [appellant sub 1] voeren aan dat niet vaststaat dat het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" binnen de planperiode kan worden gerealiseerd. Daartoe hebben zij gewezen op diverse uitspraken onder meer gedaan door een wethouder en door bij de ontwikkeling van het plan betrokken personen. Verder voeren zij aan dat aannemelijk is dat de planschade vanwege de waardevermindering van hun woningen aanzienlijk is, zodat ook gelet daarop niet vaststaat dat de ontwikkeling van dit plandeel financieel uitvoerbaar is.

11.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de financieel-economische uitvoerbaarheid van dat plan slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode.

11.2. In hoofdstuk 6 van de plantoelichting is vermeld dat de gemeente een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten met Ontwikkelcombinatie Leyenburg voor de ontwikkeling van de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1","Gemengd-2", "Gemengd-3" en "Gemengd-4". Hiertoe is volgens de plantoelichting een integrale grond- en vastgoedexploitatie (business case) opgesteld waarin alle kosten en opbrengsten, die in de tijd toegerekend kunnen worden aan het project, inzichtelijk zijn gemaakt. Door optimalisatie van programma, geld en kwaliteit is er tot een sluitende business case gekomen. De gemeente levert daarbij bouwkavels in bouwrijpe staat tegen een marktconforme prijs aan Ontwikkelcombinatie Leyenburg die vervolgens de opstalexploitatie voert voor eigen rekening en risico, aldus de plantoelichting. Over het kostenverhaal is vermeld dat dit anderszins is verzekerd. De gemeente heeft voor het grootste deel van deze ontwikkellocaties de gronden in bezit en heeft in 2011 de benodigde dekking voor deze ontwikkeling vrijgespeeld. Voor de overige locaties heeft de gemeente anterieure overeenkomsten gesloten met zowel het HagaZiekenhuis als met de Ontwikkelingscombinatie Leyenburg. Ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Gemengd-4" is in de plantoelichting vermeld dat dit plandeel ook te realiseren is wanneer de binnen dat plandeel gelegen bestaande woningen niet worden verworven.

11.3. In aanvulling daarop heeft de raad ter zitting toegelicht dat weliswaar een van de partners uit de Ontwikkelcombinatie Leyenburg zich wil terugtrekken, maar dat in de onderhandelingen daarover de raad er vooralsnog van uitgaat dat de andere partij de voorziene ontwikkelingen realiseert. [appellant sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit niet zo is. Voor de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode is bovendien niet bepalend of Ontwikkelcombinatie Leyenburg de kosten van de realisatie van het plan kan dragen. Ook als dat niet het geval is, is het immers mogelijk dat de kosten gedeeltelijk door een andere partij worden gedragen of dat een andere ontwikkelaar de ontwikkeling van het plandeel realiseert als Ontwikkelcombinatie Leyenburg daartoe niet in staat blijkt te zijn. Voorts hebben [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat een zodanige planschadevergoedingsverplichting ontstaat dat geen van de bij de gesloten overeenkomst betrokken partijen die kosten zal kunnen dragen.

11.4. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode niet financieel uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

Conclusie

12. Gelet op de tussenuitspraak is het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen het besluit van 13 juni 2013 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4". Gelet op het vooroverwogene ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand te laten, doch niet voor zover het betreft artikel 7, lid 7.2.1 onder g, van de planregels en voor zover uit het besluit van 24 april 2014 andere rechtsgevolgen voortvloeien dan uit het besluit van 13 juni 2013.

13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] en het beroep van Bewonersvereniging CWH tegen het besluit van 24 april 2014 gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen in stand te laten, doch niet voor zover het betreft de aanduidingen die zijn toegekend aan het hierna in de beslissing aangeduide maatvoeringsvlak. Ten aanzien van dit maatvoeringsvlak ziet de Afdeling aanleiding zelf in de zaak te voorzien door voor dit maatvoeringsvlak een minimale bouwhoogte van 9 m en een maximale bouwhoogte van 12 m vast te stellen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 24 april 2014. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde-belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad.

14. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

15. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van Bewonersvereniging CWH is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1B] tegen het besluit van 13 juni 2013 gegrond;

II. vernietigt het besluit van 13 juni 2013, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4";

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 13 juni 2013 in stand blijven voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Gemengd-1" en "Gemengd-4", doch niet voor zover het betreft artikel 7, lid 7.2.1 onder g, van de planregels en voor zover uit het besluit van 24 april 2014 andere rechtsgevolgen voortvloeien dan uit het besluit van 13 juni 2013;

IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1B] en vereniging Bewonersvereniging Centraal Wonen Houtwijk tegen het besluit van 24 april 2014 gegrond;

V. vernietigt het besluit van 24 april 2014;

VI. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 24 april 2014 in stand blijven, doch niet voor zover het betreft de aanduidingen "maximum bebouwingspercentage terrein (%) 12" en "maximum bouwhoogte 30 m", voor zover deze aanduidingen zijn toegekend aan het zogenoemde maatvoeringsvlak binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart;

VII. bepaalt dat aan het onder VI bedoelde maatvoeringsvlak binnen het plandeel met de bestemming "Gemengd-4", zoals nader aangeduid op de bij deze uitspraak behorende kaart, de aanduidingen "minimum bouwhoogte 9 m" en "maximum bouwhoogte 12 m" worden toegekend;

VIII. bepaalt dat deze uitspraak voor zover het betreft het in onderdeel VII bedoelde plandeel in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

IX. draagt de raad van de gemeente Den Haag op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II, III, V, VI, VII en VIII worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Den Haag aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor vereniging Bewonersvereniging Centraal Wonen Houtwijk vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Alderlieste

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

590.