Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201113339/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2011:9367, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdeling ongewenst verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113339/1/V2.

Datum uitspraak: 6 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2011 in zaken nrs. 09/37105 en 09/39239 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2005 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie de vreemdeling ongewenst verklaard.

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 21 september 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie de tegen deze besluiten door de vreemdeling gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij tussenuitspraak van 12 oktober 2010 heeft de rechtbank de minister van Justitie in de gelegenheid gesteld om aan die besluiten klevende gebreken te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 14 januari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de besluiten nader gemotiveerd. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 30 november 2011 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 21 september 2009 door de vreemdeling ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, het besluit van 18 juli 2005 herroepen en bepaald dat de minister voor Immigratie en Asiel een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens heeft de Afdeling partijen medegedeeld dat zij de behandeling van de zaak aanhoudt in afwachting van de beantwoording van aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof) gestelde prejudiciële vragen.

Bij arrest van 12 maart 2014, C-457/12, S. en G., ECLI:EU:C:2014:136, (hierna: het arrest) heeft het Hof deze vragen beantwoord.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Hetgeen in de eerste grief is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de richtlijn) naar analogie van toepassing is. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de omstandigheid dat een burger van de Unie, zoals referente, de Nederlandse nationaliteit heeft en in Nederland woont, maar in België arbeid heeft verricht, niet maakt dat die burger van de Unie daardoor als begunstigde in de zin van de richtlijn moet worden aangemerkt.

3.1. In het arrest heeft het Hof, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

"37. Uit een letterlijke, een systematische en een teleologische uitlegging van richtlijn 2004/38 blijkt dat daarop geen afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie, in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit heeft, kan worden gefundeerd.

38. Artikel 3, lid 1, van die richtlijn omschrijft immers als „begunstigden" van de daarbij verleende rechten „iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen".

39. Richtlijn 2004/38 voorziet dus uitsluitend dan in een afgeleid verblijfsrecht voor derdelanders die familielid zijn van een burger van de Unie in de zin van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn, wanneer laatstgenoemde zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend door zich te vestigen in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit heeft (zie in die zin arrest Metock e.a., reeds aangehaald, punt 73; arrest van 15 november 2011, Dereci e.a., C-256/11, Jurispr. blz. I-11315, punt 56; arrest Iida, reeds aangehaald, punt 51, en arrest van 6 december 2012, O. e.a., C-356/11 en C-357/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41)."

3.2. Uit deze overwegingen volgt dat de richtlijn niet van toepassing is op een burger van de Unie die in zijn lidstaat van nationaliteit verblijft. Nu referente, partner van de vreemdeling, de Nederlandse nationaliteit heeft en zij in Nederland woonachtig is, is zij geen begunstigde van de richtlijn en bestaat er reeds hierom geen afgeleid verblijfsrecht voor de vreemdeling op grond van die richtlijn. De grief slaagt derhalve.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.

5. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris hem ten onrechte ongewenst heeft verklaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat referente gebruik heeft gemaakt van haar recht van vrij verkeer van werknemers en dat hij als haar partner een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht. Nu hij geen actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor het fundamenteel belang van de samenleving vormt, het criterium dat het Unierecht voorschrijft in zaken als deze, had de staatssecretaris niet tot ongewenstverklaring kunnen overgaan, aldus de vreemdeling.

5.1. Daargelaten of een afgeleid verblijfsrecht voor de vreemdeling noodzakelijk was om te garanderen dat referente daadwerkelijk gebruik heeft kunnen maken van haar recht van vrij verkeer, zoals het geval kan zijn in bepaalde situaties zoals het Hof heeft toegelicht in voormeld arrest van 12 maart 2014, is niet in geschil dat referente sinds 1 juni 2009 niet meer in dienst is bij de werkgever voor wie zij werkzaamheden in België verrichtte. Reeds hierom had de vreemdeling ten tijde van het besluit van 21 september 2009, waarbij het bezwaar tegen de ongewenstverklaring ongegrond is verklaard, geen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en heeft de staatssecretaris terecht niet het door de vreemdeling genoemde criterium toegepast. Het betoog faalt.

6. Verder heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft afgezien van ongewenstverklaring, nu hij staatloos is als gevolg van het niet-verkrijgen van het Nederlanderschap en hij derhalve niet aan zijn vertrekplicht kan voldoen. Daartoe heeft hij betoogd dat het hem ondanks vele pogingen niet is gelukt een reisdocument te verkrijgen. Ter onderbouwing heeft de vreemdeling een brief van het Consulaat-Generaal van de Republiek Suriname van 9 maart 2011 overgelegd waarin is vermeld dat hij niet voorkomt in de bevolkingsregisters van Suriname, waardoor zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld.

6.1. Met de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 september 2010, ECLI:NL:RBZLY:2010:BN6285, is in rechte komen vast te staan dat de vreemdeling niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De staatssecretaris heeft dan ook terecht geconcludeerd dat de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit niet van rechtswege heeft kunnen verliezen door verkrijging van het Nederlanderschap. De vreemdeling heeft niet gesteld dat hij afstand heeft gedaan van zijn Surinaamse nationaliteit. Uit voormelde brief van het Consulaat Generaal van de Republiek Suriname van 9 maart 2011 blijkt voorts niet dat de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit niet heeft, maar dat, nu hij niet voorkomt in de bevolkingsregisters, zijn nationaliteit niet kan worden vastgesteld. Omdat de vreemdeling betoogt dat hij niet aan zijn vertrekplicht kan voldoen, is het, zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt, aan de vreemdeling dit aannemelijk te maken. Daarom ligt het op zijn weg om in contact te treden met de Surinaamse autoriteiten en deze te confronteren met voormelde uitspraak van de rechtbank, zijn geboorteakte en zijn Surinaamse paspoort, waarvan zich kopieën in het dossier bevinden. Dit heeft de vreemdeling niet gedaan. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan zijn vertrekplicht kan voldoen. Het betoog faalt.

7. Voorts heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich geen bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb voordoen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op het feit dat hij heeft gedacht dat hij de Nederlandse nationaliteit bezat, hij niet kan terugkeren naar Suriname omdat hij niet langer de Surinaamse nationaliteit heeft en hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormt, de staatssecretaris zou moeten afzien van de ongewenstverklaring.

7.1. Zoals de staatssecretaris in het besluit van 21 september 2009, zoals nader gemotiveerd bij brief van 14 januari 2011, heeft gesteld, is de vreemdeling reeds op 13 februari 2003 door de afdeling Burgerzaken van de gemeente Almere mondeling ervan op de hoogte gesteld dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit. De vreemdeling was derhalve reeds toen hij het geweldsmisdrijf - diefstal in vereniging met geweld - pleegde waarvoor hij is veroordeeld tot 30 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ervan op de hoogte dat hij geen rechtmatig verblijf had, dan wel ten minste dat zijn verblijfsrecht onzeker was. Mede gelet op hetgeen onder 5.1. en 6.1. is overwogen, heeft de vreemdeling derhalve hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt. Het betoog faalt reeds hierom.

8. Ten slotte heeft de vreemdeling betoogd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zich niet verzet tegen ongewenstverklaring. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat hij twee keer is veroordeeld tot slechts een lage geldboete en dat één van die veroordelingen al van 23 januari 1998 dateert. Hij is weliswaar daarnaast eenmaal betrokken geweest bij diefstal met geweld in vereniging, maar hij heeft de aanwijzingen van de Reclassering goed opgevolgd en heeft niet nogmaals een dergelijke misstap begaan. Verder verblijft hij al sinds 1996 in Nederland en heeft hij lange tijd in de veronderstelling geleefd dat hij de Nederlandse nationaliteit had verkregen. In die periode heeft hij gezinsleven opgebouwd met zijn partner en samen kinderen gekregen. Naast de zorg over zijn drie kinderen met zijn partner, heeft hij ook een kind met een andere vrouw met wie hij een omgangsregeling heeft (hierna: het kind). Van zijn kinderen en zijn partner, die allen de Nederlandse nationaliteit hebben, kan niet worden verwacht dat zij hem volgen naar Suriname, aldus de vreemdeling.

8.1. In het besluit van 21 september 2009, zoals nader gemotiveerd bij brief van 14 januari 2011, heeft de staatssecretaris zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat inmenging in het recht op familie- en gezinsleven van de vreemdeling gerechtvaardigd is in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. Daarbij heeft de staatssecretaris betrokken dat de vreemdeling is veroordeeld voor drie misdrijven, waaronder een geweldsmisdrijf waarvoor de vreemdeling is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk. Daarnaast is de vreemdeling pas op 20-jarige leeftijd naar Nederland gekomen en is de totale duur van zijn verblijf in Nederland voorafgaand aan zijn ongewenstverklaring slechts achtenhalf jaar, waarvan hij ruim tweeënhalf jaar in de gevangenis heeft gezeten. Voorts heeft de staatssecretaris betrokken dat de partner en de kinderen van de vreemdeling de Nederlandse nationaliteit hebben en het op voorhand niet aannemelijk is te achten dat zij zich niet in enig ander land kunnen vestigen om daar invulling aan het gezinsleven met de vreemdeling te geven. Bovendien kunnen zij, nu zij de Nederlandse nationaliteit bezitten, naar het oordeel van de staatssecretaris desgewenst regelmatig terugkeren naar Nederland. Ten slotte heeft de staatssecretaris gesteld dat ongewenstverklaring niet in de weg staat aan omgang met het kind, nu dit kind met zijn moeder in België woont en de ongewenstverklaring alleen in Nederland geldt.

8.2. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft overwogen in onder meer het arrest van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, nr. 54273/00, (www.echr.coe.int) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het familie- of gezinsleven van de vreemdeling rechtvaardigt een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM in dat arrest een aantal zogenoemde "guiding principles" gedefinieerd. In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest van 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, nr. 46410/99, (www.echr.coe.int) nog twee criteria genoemd.

8.3. De rechter dient te beoordelen of de staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

8.4. Uit het besluit van 21 september 2009 en de brief van 14 januari 2011 blijkt dat de staatssecretaris alle door de vreemdeling gestelde belangen heeft betrokken bij de beoordeling of zich een schending van artikel 8 van het EVRM voordoet. Hij heeft hierbij niet ten onrechte doorslaggevend gewicht toegekend aan het belang van de openbare orde, nu de vreemdeling bij herhaling is veroordeeld en hem een forse vrijheidsstraf is opgelegd, hij relatief slechts een beperkt aantal jaren in Nederland heeft verbleven voorafgaand aan de ongewenstverklaring en zijn partner en kinderen ook in enig ander land invulling kunnen geven aan het gezinsleven met de vreemdeling. De staatssecretaris heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de ongewenstverklaring niet in strijd met artikel 8 van het EVRM is. Het betoog faalt.

9. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

10. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 november 2011 in zaken nrs. 09/37105 en 09/39239;

III. verklaart de in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 november 2014

638.