Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4029

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201307172/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:10348, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201307172/1/V2.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2013 in zaak nr. 12/38493 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2012 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, de vreemdeling opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en tegen hem inreisverbod uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in het eerste deel van de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de veiligheidssituatie voor Tamils die terugkeren naar Sri Lanka is verslechterd. Hij betoogt hiertoe, mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 juli 2013, GJ and Others (post-civil war: returnees) Sri Lanka CG [2013] UKUT 00319 (IAC) (https://tribunalsdecisions.service.gov.uk), dat uit de door de vreemdeling overgelegde en door de rechtbank bij haar oordeel betrokken stukken en het algemeen ambtsbericht inzake Sri Lanka van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2011 niet blijkt dat iedere Tamil bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en evenmin dat de risicofactoren, die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) heeft genoemd, anders moeten worden beoordeeld. In het licht hiervan bestaat volgens de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen reden te twijfelen aan de volledigheid en juistheid van dit ambtsbericht.

2.1. De in het eerste deel van de grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 20 juni 2014 in zaak nr. 201400058/1/V2 . Hieruit volgt dat dit deel van de grief slaagt.

3. De staatssecretaris klaagt in het tweede deel van de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer naar Sri Lanka geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank heeft, zo voert de staatssecretaris aan, niet onderkend dat hij terecht heeft geconcludeerd dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de door hem aangevoerde omstandigheden bij terugkeer naar Sri Lanka in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal staan.

3.1. De staatssecretaris heeft zich, mede in het licht van voormelde Afdelingsuitspraak van 20 juni 2014, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De vreemdeling heeft weliswaar aangetoond dat hij een litteken heeft, maar hij heeft niet toegelicht hoe dit litteken is ontstaan, noch aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten hiervan bij terugkeer op de hoogte raken en hem in dat geval wegens dit litteken zullen willen detineren. Ook anderszins heeft de vreemdeling nog immer niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan of bij terugkeer zal komen te staan. De staatssecretaris heeft zijn besluit, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dan ook deugdelijk gemotiveerd.

Ook dit deel van de grief slaagt.

4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 6 december 2012 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris bij zijn asielaanvraag ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2010 in zaak nr. 201000606/1/V1.

5.1. De door de vreemdeling opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord bij uitspraak van 6 april 2012 in zaak nr. 201110688/1/V2. Hieruit volgt dat de staatssecretaris terecht niet ambtshalve heeft getoetst of de vreemdeling vanwege zijn betoog, dat hij tevens verblijf heeft beoogd bij zijn gezin, in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Bovendien houdt dit betoog, anders dan het geval was in de door de vreemdeling aangehaalde uitspraak, geen direct verband met het verbod op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

6. Anders dan de vreemdeling voorts aanvoert, heeft de staatssecretaris zich gelet op artikel 5.1b, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6.1, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals deze bepalingen luidden ten tijde van belang, op de aan de vreemdeling tegengeworpen, door hem niet bestreden gronden, terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, zodat hij hem in redelijkheid een vertrektermijn heeft kunnen onthouden.

7. De vreemdeling voert verder aan dat de staatssecretaris bij het opleggen van het inreisverbod ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:9 van de Awb.

7.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 3 december 2013 in zaak nr. 201205979/1/V2), wordt een zienswijze op een voornemen tot afwijzing van een aanvraag van een vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, schriftelijk uitgebracht. Reeds nu de staatssecretaris de vreemdeling in zijn voornemen van 25 oktober 2012 uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om in de zienswijze individuele omstandigheden aan te voeren, heeft hij terecht geen aanleiding gezien de vreemdeling daarnaast in de gelegenheid te stellen mondeling zijn zienswijze, op het voornemen een inreisverbod uit te vaardigen, kenbaar te maken.

8. Voorts voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris vanwege zijn gezinsleven in Nederland had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod, dan wel de duur hiervan had moeten verkorten.

8.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 6 december 2012 terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling de relatie met zijn partner, noch de biologische band met zijn dochter heeft aangetoond, en evenmin heeft toegelicht op welke wijze hij de relatie met beiden invult. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij zich in aanvulling hierop terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de in beroep overgelegde foto en geboorteakte zijn gezinsleven evenmin heeft aangetoond of toegelicht. Reeds omdat de vreemdeling niet heeft aangetoond dat hij in Nederland gezinsleven uitoefent, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen omstandigheid heeft aangevoerd om af te zien van het opleggen van het inreisverbod, dan wel de duur hiervan te verkorten. Overigens heeft de vreemdeling niet toegelicht waarom zijn gestelde gezinsleven aan het opleggen van het inreisverbod in de weg zou moeten staan (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2013 in zaak nr. 201304058/1/V3).

9. De vreemdeling voert tot slot aan dat de staatssecretaris ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom het inreisverbod voor de maximale duur van twee jaren is opgelegd.

9.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 juni 2012 in zaak nr. 201201202/1/V4) kan de staatssecretaris, behoudens het geval dat zich omstandigheden als bedoeld in het tweede tot en met zesde lid van artikel 6.5a van het Vb 2000, dan wel bijzondere individuele omstandigheden voordoen, in beginsel een duur van twee jaar aan het inreisverbod verbinden. Aangezien de staatssecretaris zich gelet op het vorenstaande terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die aanleiding geven de duur van het inreisverbod te verkorten, heeft hij het inreisverbod terecht voor de duur van twee jaren opgelegd.

10. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond komt de Afdeling niet toe. Over die grond is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die grond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop deze betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geding.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 12 juli 2013 in zaak nr. 12/38493;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Loon

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

284-802.