Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4026

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
201209477/2/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:4448, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201209477/2/A2.

Datum uitspraak: 12 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2012 in zaak nr. 11/942 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 18 januari 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 16 februari 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen de door de rechtbank geconstateerde gebreken aan het besluit van 18 januari 2011 te herstellen.

Bij brief van 3 april 2012 heeft het college, gebruik makend van die gelegenheid, een nadere motivering ingediend. Bij brief van 22 mei 2012 heeft [appellant] hierover een zienswijze ingediend.

Bij uitspraak van 16 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 januari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. de Vet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.I. Siem en J.E.S. Heesen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 16 april 2014, nr. 201209477/1/A2, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 18 januari 2011 te herstellen en een nieuw besluit te nemen en dit tevens aan de Afdeling toe te zenden. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 in zaak nr. 201209477/3/A2 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 18 september 2014.

Bij besluit van 16 september 2014 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2011 ingetrokken, aan [appellant] een vergoeding voor planschade ten bedrage van € 19.500,00 inclusief wettelijke rente vanaf de datum ontvangst planschadeverzoek toegekend en besloten de kosten van het rapport "schaduwberekening inzake bebouwing naast perceel [locatie] te Rotterdam" (hierna: het rapport schaduwberekening) te vergoeden.

[appellant] heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het college aan de afwijzing van het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade een onjuiste planologische vergelijking ten grondslag heeft gelegd. Het college heeft die afwijzing daarom ten onrechte bij het besluit op bezwaar van 18 januari 2011 gehandhaafd.

2. Het hoger beroep is gezien de tussenuitspraak gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van [appellant] bij de rechtbank gegrond verklaren en het besluit van het college van 18 januari 2011 wegens strijd met artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigen.

3. Het college heeft aan het nieuwe besluit op bezwaar van 16 september 2014 een door de Johan van Oldenbarnevelt Stichting (hierna: de stichting) opgesteld advies van 27 augustus 2014 ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld dat [appellant] ten gevolge van de planologische verandering een planologisch nadeel ten bedrage van € 19.500,00 lijdt. De stichting heeft geadviseerd dit bedrag als tegemoetkoming in planschade, vermeerderd met de rente en de kosten van het rapport schaduwberekening, aan [appellant] toe te kennen.

Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro, kent het college degene die in de vorm van een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.5, aanhef en onder a, vergoedt het college, indien het een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van rechtsbijstand en andere deskundige bijstand.

Ingevolge die aanhef en onder b, vergoedt het college, indien het een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 6.1 toekent, daarbij tevens de wettelijke rente, te rekenen met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag.

5. Het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte een tegemoetkoming in de planschade ten bedrage van € 19.500,00 inclusief rente heeft toegekend, slaagt. Daartoe wordt overwogen dat volgens het advies van de stichting het bedrag van € 19.500,00 alleen het planologisch nadeel betreft dat [appellant] ten gevolge van de planologische verandering lijdt of zal lijden en dat het college volgens het besluit van 16 september 2014 het advies van de stichting in zijn geheel heeft overgenomen. Reeds hierom diende het college, gelet op artikel 6.5, aanhef en onder b, van de Wro, tevens de over het bedrag van € 19.500,00 te berekenen wettelijke rente aan [appellant] te vergoeden.

6. [appellant] betoogt voorts dat het college ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van een door hem ingeschakelde deskundige heeft toegekend. Hij voert aan dat hij de bijstand door de deskundige in ieder geval bij de laatste hoorzitting en de daarop volgende heropname nodig had.

[appellant] heeft bij de zienswijze een nota (hierna: de nota) van Kolpa taxatie en advies B.V. (hierna: de deskundige) ten bedrage van € 1.016,40 gevoegd. Volgens de op de nota vermelde specificatie betreffen dit de kosten van

Taxatieopzet maken inclusief opname 2 uren

Hoorzitting 09-12-2013 2 uren

2e hoorzitting 01-08-2014 2 uren

Heropnemen met deskundigen van de Gemeente 20-08-2014 1 uur

tegen een uurtarief van € 120,00, tot een totaalbedrag van € 840,00 exclusief BTW en de over dat bedrag berekende BTW van 21% ten bedrage van € 176,40.

6.1. [appellant] heeft bij het gemeentelijke ‘Aanvraagformulier tegemoetkoming planschade’ een mede door de deskundige opgestelde toelichting met als datum 28 mei 2009 gevoegd. Op de laatste pagina van die toelichting is een tabel opgenomen waarin een taxatie van de waarde van het perceel van [appellant] vóór en na de bouw van de vier nieuwe woongebouwen, alsmede de waardevermindering zijn vermeld. In het advies van de stichting is met juistheid vermeld dat aan deze taxatie geen planvergelijking ten grondslag is gelegd en dat de taxatie niet is opgesteld in reactie op een in opdracht van het college opgesteld planschadeadvies. [appellant] heeft niet aangevoerd waarom het advies op dit punt gebreken bevat. Reeds hierom geeft het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat het college de kosten van deze taxatie ten onrechte niet heeft aangemerkt als redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand. Het college hoefde deze kosten niet te vergoeden.

Het betoog faalt in zoverre.

6.2. De overige op de nota vermelde kosten zijn gemaakt voor werkzaamheden van de deskundige in het kader van de voorbereiding van het nieuwe besluit op bezwaar. De Afdeling acht zowel de inschakeling van een deskundige in deze fase als de op de nota vermelde kosten voor het bijwonen van de twee hoorzittingen en de bezichtiging ter plaatse redelijk. Gelet op artikel 6.5, aanhef en onder a, van de Wro diende het college daarom tevens de door [appellant] redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand, bestaande uit de kosten van 5 uren x € 120,00 = € 600,00 en de kosten van 21% BTW over dit bedrag, zijnde € 126,00, in totaal een bedrag van € 726,00, te vergoeden.

Het betoog slaagt in zoverre.

7. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 16 september 2014 is gegrond. De Afdeling zal dat besluit wegens strijd met artikel 6.5 van de Wro vernietigen, voor zover daarbij niet tevens aan [appellant] over het als tegemoetkoming in de planschade toegekende bedrag van € 19.500,00 de wettelijke rente vanaf het indienen van de aanvraag tot aan de dag van betaling is toegekend en voor zover daarbij niet tevens de redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand ten bedrage van € 726,00 zijn toegekend. De kosten van het rapport schaduwberekening ten bedrage van € 635,46 zal het college blijkens het besluit van 16 september 2014 aan [appellant] vergoeden.

De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling zal bepalen dat het college over het als tegemoetkoming in de planschade toegekende bedrag van € 19.500,00 de wettelijke rente vanaf het indienen van de aanvraag tot aan de dag van betaling en de door [appellant] redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand, ten bedrage van € 726,00, aan [appellant] vergoedt.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 augustus 2012 in zaak nr. 11/942;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 18 januari 2011, kenmerk A.B.2010.2.4424/SG;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 16 september 2014, kenmerk 2012012762, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit, voor zover daarbij niet tevens aan [appellant] over het als tegemoetkoming in de planschade toegekende bedrag van € 19.500,00 de wettelijke rente vanaf het indienen van de aanvraag tot aan de dag van betaling en de redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand, ten bedrage van € 726,00, zijn toegekend;

VII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam over voornoemd bedrag van € 19.500,00 de wettelijke rente vanaf het indienen van de aanvraag tot aan de dag van betaling aan [appellant] vergoedt;

VIII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de door [appellant] redelijkerwijs gemaakte kosten van andere deskundige bijstand, ten bedrage van € 726,00, aan hem vergoedt;

IX. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 16 september 2014;

X. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.191,50 (zegge: tweeduizend honderdeenennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Oranje

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014

507.