Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201405450/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorgcentrum, Heerjansdam" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201405450/2/R4.

Datum uitspraak: 30 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), beiden wonend te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

en

de raad van de gemeente Zwijndrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonzorgcentrum, Heerjansdam" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 oktober 2014, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.M. Beukers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door E.V.P.E. Deleij, R.S.N. van der Kuijp en M.R. Hoogendoorn, allen werkzaam bij de gemeente, alsook D. Nelemans, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord Woningbouwvereniging Heerjansdam, vertegenwoordigd door M. Volugo en J. van Nes.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het plan voorziet onder meer in de bouw van een woonzorgcentrum aan de Sportlaan te Heerjansdam.

3. [verzoeker] richt zich tegen het plan, voor zover dat voorziet in de bouw van een woonzorgcentrum.

4. [verzoeker] betoogt dat ter plaatse van zijn woning geen goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. [verzoeker] wijst er in dit kader op dat hij naast een school woont en dat hij thans al veel geluidoverlast van het gebruik van deze school ervaart. Hij vreest dat de geluidbelasting toeneemt door reflectie van geluid via de gevel van het voorziene woonzorgcentrum. Voor zover de raad stelt dat de geluidbelasting op de gevel van zijn woning slechts met 0,2 dB toeneemt en dat een dergelijke toename niet relevant is, betoogt [verzoeker] dat de richtwaarde van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt overschreden, en dat bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als hier aan de orde in zijn woning geen aanvaardbaar binnenniveau kan worden gewaarborgd.

4.1. De raad heeft ter zitting toegelicht dat een verschil in geluidniveau van 0,2 dB een uitkomst van de berekening van de geluidbelasting is, maar dat dit verschil voor het menselijk gehoor niet waarneembaar is.

4.2. Door [verzoeker] is vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat de geluidbelasting vanwege de - buiten het plangebied gelegen - school op de gevel van zijn woning als gevolg van het plan toeneemt met meer dan 0,2 dB.

4.3. In het door de raad aan het plan ten grondslag gelegde onderzoek "Akoestisch onderzoek schoolplein Sportlaan 6 te Heerjansdam" van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid van 14 april 2014 is vermeld dat mensen een verschil in geluidbelasting van 2 dB met moeite waarnemen en dat een toename van 0,2 dB derhalve als verwaarloosbaar wordt beschouwd. Gelet hierop en op de toelichting van de raad ter zitting acht de voorzitter het niet aannemelijk dat de toename van de geluidbelasting ter plaatse van de gevel van de woning van [verzoeker] zodanig zal zijn dat daarin aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen.

5. [verzoeker] betoogt voorts dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen van het plan zijn voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen in het woonzorgcentrum.

5.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.2. [verzoeker] beroept zich met dit betoog op de van een goede ruimtelijke ordening, als bepaald in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, deel uitmakende norm die ziet op de bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het woonzorgcentrum. Nu zijn betoog geen betrekking heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn eigen woning, strekt deze door [verzoeker] ingeroepen norm kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen, maar tot bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van het woonzorgcentrum. De voorzitter gaat er daarom van uit dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat de door [verzoeker] ingeroepen norm niet strekt tot bescherming van het belang waarvoor hij in deze procedure bescherming zoekt, zodat in het geval de beroepsgrond zou slagen, artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan vernietiging van het plandeel in de weg zou staan.

6. [verzoeker] betoogt voorts dat bij de bepaling van de parkeerbehoefte ten onrechte is uitgegaan van toetsing aan de norm van CROW, kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur, voor zorgwoningen. Hiertoe voert hij aan dat de planregels niet uitsluiten dat het voorziene gebouw wordt bewoond door bewoners zonder zorgvraag, zodat had moeten worden getoetst aan de normen voor reguliere woningen.

6.1. Aan een deel van de gronden zijn de bestemming "Maatschappelijk" en een bouwvlak toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

b. zorgwoningen;

c. nutsvoorzieningen;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 1, lid 1.30, wordt onder zorgwoning verstaan: zelfstandige woning die specifiek geoormerkt is voor mensen met een zorgvraag. Deze woningen zijn blijvend geschikt of eenvoudig geschikt te maken voor bewoners van alle leeftijden met een zorgvraag.

6.2. Gelet op de omschrijving van het begrip zorgwoning in artikel 1, lid 1.30, van de planregels zijn de gronden naar het oordeel van de voorzitter specifiek bestemd voor bewoning door mensen met een zorgvraag. De voorzitter ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet heeft mogen uitgaan van de norm van CROW voor zorgwoningen.

7. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Kuipers

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2014

271-786.