Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:4003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201403873/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Groendijck-Oost, Driebruggen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403873/1/R6.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

2. [appellant sub 2a] en [appellant sub 2b], beiden wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna gezamenlijk: [appellant sub 2]),

3. [appellant sub 3a] en [appellante sub 3b], beiden wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna gezamenlijk: [appellant sub 3]),

4. [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b], beiden wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna gezamenlijk: [appellant sub 4]),

5. [appellante sub 5], gevestigd te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, en andere (hierna gezamenlijk: [appellante sub 5]),

6. [appellant sub 6], wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

7. [appellant sub 7] en anderen, allen wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk (hierna gezamenlijk: [appellant sub 7]),

8. [appellant sub 8], wonend te Driebruggen, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

en

de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "De Groendijck-Oost, Driebruggen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 4], [appellante sub 5] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 5], vertegenwoordigd door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Rotterdam, vergezeld door [gemachtigden], [appellant sub 7], bij monde van [appellant sub 7], bijgestaan door mr. R. Brouwer, advocaat te Zoetermeer, [appellant sub 8], [appellant sub 6], vertegenwoordigd door mr. H.C. Vroege, advocaat te Leusden, [appellant sub 4], [appellant sub 2], bij monde van [appellant sub 2b], bijgestaan door mr. J.C. Blonk, werkzaam bij DAS, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.B. van Rijn, advocaat te Leiden en de raad, vertegenwoordigd door mr. Th. L. van Deursen en drs. E. van Dijk, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daarnaast is de [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Bevoegdheid van de Afdeling

1. [appellant sub 7] betoogt dat de raad het bestemmingsplan voorwaardelijk heeft vastgesteld en dat de voorwaarden nog niet zijn vervuld, zodat geen sprake is van een appellabel besluit. [appellant sub 7] wijst hiertoe op een eveneens op 5 maart 2014 door de raad aangenomen motie waarin het college van burgemeester en wethouders wordt opgedragen op een vijftal punten die verband houden met het plan nader onderzoek te doen.

1.1. Uit het bestreden besluit blijkt dat de raad heeft besloten het bestemmingsplan "De Groendijck-Oost" vast te stellen. Gelet hierop is sprake van een besluit in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Het betoog faalt.

Toetsingskader en planbeschrijving

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2.1. Het plan biedt een juridisch-planologisch kader voor de bouw van een kerkgebouw en maximaal 86 woningen in Driebruggen.

Ontvankelijkheid

3. De raad betwist de ontvankelijkheid van het door [appellant sub 1] ingestelde beroep op de grond dat hij niet tijdig een zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht.

3.1. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gelezen in verbinding met de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

3.2. Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 18 juli 2013 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde op 28 augustus 2013.

[appellant sub 1] heeft geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. De door [appellant sub 1] bedoelde reacties van 11 en 13 maart 2014 dateren van na de datum van het bestreden besluit.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze bij de raad naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Het betoog van [appellant sub 1] dat de aan zijn bedrijf toegekende milieucategorie is gewijzigd, heeft betrekking op het bestemmingsplan "Driebruggen" en niet op het thans voorliggende plan. Voorts kunnen de twee inspraakavonden die het gemeentebestuur heeft georganiseerd na afloop van de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht, niet worden aangemerkt als een nieuwe gelegenheid waarop zienswijzen in de zin van afdeling 3.4 van de Awb naar voren konden worden gebracht. Voor zover [appellant sub 1] erop wijst dat de plantoelichting van het vastgestelde plan is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, overweegt de Afdeling dat de plantoelichting, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), geen onderdeel uitmaakt van het plan, zodat daaraan geen juridisch bindende betekenis toekomt. In zoverre is [appellant sub 1] door deze wijzigingen niet in een nadeliger positie komen te verkeren. Ten slotte kan geen betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat de verbeelding en de planregels gedeeltelijk gewijzigd zijn vastgesteld ten opzichte van het ontwerp, nu het beroep van [appellant sub 1] niet is gericht tegen deze wijzigingen.

3.3. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

4. De raad betwist de ontvankelijkheid van het door [appellant sub 8] ingestelde beroep op de grond dat het beroep niet tijdig is ingediend.

4.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.

Ingevolge artikel 6:8, vierde lid, vangt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een besluit dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 aan met ingang van de dag na die waarop het besluit overeenkomstig 3:44, eerste lid, onderdeel a, ter inzage is gelegd.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

4.2. Het bestreden besluit is ter inzage gelegd met ingang van 3 april 2014, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, vierde lid, van de Awb is begonnen op 4 april 2014 en geëindigd op 15 mei 2014.

Het beroepschrift is blijkens de poststempel ter post bezorgd op 15 mei 2014 en door de Afdeling ontvangen op 16 mei 2014. Het beroepschrift van [appellant sub 8] is dan ook tijdig ingediend.

5. De raad betwist voorts de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 8] op de grond dat [appellant sub 8] zijn beroepsgrond dat de woningen op te korte afstand van zijn bedrijf zijn voorzien niet in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht.

5.1. De Afdeling overweegt dat binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden geen rechtsregel eraan in de weg staat dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende plandeel naar voren zijn gebracht. Nu de mede door [appellant sub 8] ingediende zienswijze onder meer is gericht tegen de in dit plan voorziene woningbouw en zijn beroepschrift meer specifiek is gericht tegen de in het plan nabij zijn bedrijf voorziene woningbouw, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de beroepsgrond buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zou moeten blijven of dat het beroep niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

De Crisis- en herstelwet

6. [appellant sub 3], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] betogen dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), anders dan in de bekendmaking van het vastgestelde plan staat, niet op het besluit van toepassing is, aangezien een minimum aantal woningen in het plan ontbreekt en de woningen gefaseerd zullen worden gebouwd.

6.1. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang bezien met categorie 3, onder 3.1, van bijlage I van de Chw is afdeling 2 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

Aangezien het plan de bouw van maximaal 86 woningen mogelijk maakt, is de Chw hierop van toepassing. Het ontbreken van een minimum aantal woningen en de gefaseerde bouw van de woningen doen hieraan niet af.

Artikel 1.6a van de Chw

7. De raad betoogt dat het aanvullend beroepschrift van [appellant sub 6], gelet op artikel 1.6a van de Chw, buiten bespreking dient te blijven.

7.1. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

7.2. Na afloop van de beroepstermijn kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nog nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

[appellant sub 6] betoogt in zijn beroepschrift kortweg dat het plan een levensgevaarlijke verkeerssituatie in het leven roept. Deze beroepsgrond heeft hij na afloop van de beroepstermijn nader onderbouwd in een aanvullend beroepschrift van 6 juni 2014. Nog daargelaten dat [appellant sub 6] in zijn beroepschrift tevens heeft verzocht zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen, bevat het aanvullende beroepschrift nadere argumenten en nadere stukken ter onderbouwing van zijn beroepsgrond dat het plan een levensgevaarlijke verkeerssituatie in het leven roept. In zoverre bestaat geen aanleiding om dit aanvullende beroepschrift op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten bespreking te laten. Nu het aanvullende beroepschrift op 6 juni 2014 door de Afdeling is ontvangen en op 10 juni 2014 onder partijen is verspreid en de raad daarop nog schriftelijk heeft gereageerd, bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat het nadere stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Overige procedurele aspecten

Gewijzigde vaststelling

8. [appellant sub 3] betoogt dat het vastgestelde plan aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan en dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan ten onrechte geen reële mogelijkheid is geboden om op de beoogde wijzigingen in te spreken.

8.1. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.

Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Deze wijzigingen ten opzichte van het ontwerp zijn naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestemmingsvlak "Maatschappelijk" weliswaar ongeveer 20 meter in westelijke richting is verschoven, maar dat de hoofdfuncties van het gebied, te weten woningbouw en maatschappelijke voorzieningen, niet zijn gewijzigd. Daarnaast is de omvang van het plangebied nauwelijks gewijzigd en is aan het grootste deel van het plangebied overeenkomstig het ontwerpplan de bestemming "Woongebied" toegekend. Het betoog faalt.

De motie van 5 maart 2014

9. [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 4] en [appellant sub 8] betogen dat het college van burgemeester en wethouders nog geen gevolg heeft gegeven aan de op 5 maart 2014 door de raad aangenomen motie, zodat de raad het plan ook nog niet had kunnen vaststellen.

9.1. De raad heeft op 5 maart 2014, derhalve op dezelfde dag als waarop hij het bestemmingsplan heeft vastgesteld, een motie aangenomen waarin het college wordt opgeroepen:

1. op korte termijn tot een oplossing te komen voor een parkeergelegenheid voor de bewoners aan de Zuidkade binnen het bestemmingsplan Groendijck-Oost;

2. aansluitend hierop tot afwikkeling te komen van procedures met de bewoners rondom het toegangspad;

3. in gesprek te gaan en tot een oplossing te komen met Waterlinie B.V.

4. te bekijken of de kerk en bebouwing direct op dan wel naast omwonenden zodanig kan worden ingericht dat de privacy van de omwonenden gewaarborgd wordt;

5. de raad op korte termijn te informeren over de daadwerkelijke milieucategorieën van de diverse bedrijven op het bedrijventerrein.

9.2. De Afdeling overweegt dat een motie alsmede de vraag of een motie naar behoren is uitgevoerd alleen van betekenis is in de verhouding tussen de raad en het college van burgemeester en wethouders. Een motie leidt niet tot een juridische verplichting die de raad bij de vaststelling van het plan in acht dient te nemen. De motie staat op zichzelf dan ook niet aan de vaststelling van het plan in de weg.

10. [appellant sub 8] en [appellant sub 2] betogen dat de door de raad op 5 maart 2014 aangenomen motie ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen met het vastgestelde plan.

10.1. Nog daargelaten dat de motie geen op het plan betrekking hebbend stuk is, heeft deze beroepsgrond betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dan ook geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

De bestemming "Maatschappelijk"

De bestemmingsomschrijving

11. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] betogen dat het begrip ‘maatschappelijke voorzieningen’ in artikel 5, lid 5.1, van de planregels te ruim is omschreven, waardoor het plan er niet aan in de weg staat dat een andere functie dan een kerk op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" wordt gerealiseerd. [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen voorts dat onduidelijk is wat met ‘openbare dienstverlening’ wordt bedoeld. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat het plan er niet aan in de weg staat dat een drugsverslaafdenopvang, militair (oefen)terrein of gevangenis wordt gerealiseerd, welke functies niet thuishoren in een woonwijk.

11.1. De raad stelt dat uit een oogpunt van flexibiliteit niet slechts de bouw van een kerk mogelijk wordt gemaakt, maar ook de realisatie van andere maatschappelijke functies. De raad wijst hierbij op de door hem in andere bestemmingsplannen gehanteerde systematiek. Met ‘openbare dienstverlening’ wordt dienstverlening door de overheid bedoeld, aldus de raad.

11.2. Blijkens de verbeelding is aan een deel van de gronden in het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor maatschappelijke voorzieningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 1, lid 1.34, worden onder ‘maatschappelijke voorzieningen’ verstaan educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen.

11.3. Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat rechtsonzeker is welke functies ter plaatse van de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" kunnen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat het begrip ‘maatschappelijke voorzieningen’ is gedefinieerd in artikel 1, lid 1.34, van de planregels. Voor de uitleg van de in artikel 1, lid 1.34, gehanteerde begrippen kan van hun gangbare betekenis worden uitgegaan. De door de raad gegeven uitleg van ‘openbare dienstverlening’, namelijk dienstverlening door de overheid, acht de Afdeling in dit verband niet onjuist. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip ‘maatschappelijke voorzieningen’ en de definitie hiervan in artikel 1, lid 34, in strijd met de rechtszekerheid zijn vastgesteld.

Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 3] betogen dat ter plaatse in ruimtelijk opzicht ongewenste functies kunnen worden gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat de raad zijn onderzoek naar de ruimtelijke gevolgen heeft gebaseerd op de verwachting dat op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" een kerkgebouw met ruimte voor 700 bezoekers zal worden gebouwd. De ruimtelijke gevolgen van een andere invulling van deze locatie zijn door de raad niet in ogenschouw genomen. Nu het plan er niet aan in de weg staat dat ter plaatse een andere functie dan een levensbeschouwelijke voorziening wordt gerealiseerd en de raad niet heeft onderzocht of ook bij de realisatie van een andere toegelaten functie een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de omliggende woningen is gewaarborgd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is voorbereid.

Behoefte

12. [appellant sub 3] betoogt dat er geen behoefte is aan een kerk met de beoogde omvang. Hiertoe voert hij aan dat sprake is van teruglopend kerkbezoek en dat in de omgeving, waaronder in Waarder waar de kerkelijke gemeente is gevestigd die de kerk wil bouwen, reeds diverse kerkgebouwen leegstaan.

12.1. De raad stelt dat de kerk al een aantal jaren haar diensten houdt in een bedrijfspand aan de Esdoornstraat in Driebruggen, maar dat deze locatie ongeschikt is wat betreft de ontsluiting en het parkeren. Met het plan wordt voorzien in de verplaatsing van de kerk binnen de kern naar een meer geschikte locatie, aldus de raad. Daarnaast stelt de raad dat alle kerken in de omgeving, waaronder in Waarder, al in gebruik zijn.

12.2. [appellant sub 3] heeft met zijn algemene stelling dat sprake is van teruglopend kerkbezoek geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de bouw van de kerk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad onweersproken heeft toegelicht dat de kerkelijke gemeente momenteel haar diensten houdt in een bedrijfspand aan de Esdoornstraat in Driebruggen. Daarnaast heeft [appellant sub 3] zijn stelling dat in de omgeving reeds diverse kerkgebouwen leegstaan niet geconcretiseerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan de bouw van de kerk.

De ruimtelijke gevolgen

13. [appellant sub 3] betoogt dat de kerk op te korte afstand van zijn woning kan worden gebouwd. Hierdoor ontstaat geluidoverlast, schaduwwerking en een beperking van zijn vrij uitzicht. Daarnaast leidt de kerk tot horizonvervuiling en dreigt lichthinder van parkerende auto’s door de ligging van het naastgelegen parkeerterrein, aldus [appellant sub 3].

13.1. De raad stelt dat in het vorige plan aan dit perceel een agrarische bestemming en een bouwvlak waren toegekend en dat geen maximum bouwhoogte was opgenomen. De raad wijst erop dat de ontwikkeling past in het bebouwingslint waar meerdere grotere gebouwen zijn gerealiseerd. Mede vanwege de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing op de beoogde locatie van de kerk en de planologische mogelijkheden op grond van het vorige plan, acht de raad de in dit plan voorziene bouwmogelijkheden aanvaardbaar.

13.2. Blijkens de verbeelding is aan de gronden met de bestemming "Maatschappelijk" gedeeltelijk een bouwvlak toegekend. De kortste afstand tussen het bouwvlak en de woning van [appellant sub 3] bedraagt ruim 10 meter.

Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, van de planregels mogen binnen deze bestemming gebouwen ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte hiervan niet meer bedraagt dan 1.000 m²;

b. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 7 m;

c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 13 m, met dien verstande dat:

1. de bouwhoogte van een kerktoren ten behoeve van een kerkgebouw maximaal 5 meter hoger mag zijn dan de in c. genoemde bouwhoogte van gebouwen;

2. de kerktoren geen grotere omvang mag hebben dan 10% van het bebouwd oppervlak van een kerkgebouw.

13.3. De raad heeft een bezonningsonderzoek laten uitvoeren waaruit volgt dat sprake is van schaduwwerking van het kerkgebouw op het perceel van [appellant sub 3] tot ongeveer 10.00 uur in de ochtend op 19 februari en 21 oktober. Uit dit bezonningsonderzoek volgt voorts dat op 19 februari en 21 oktober na 10.00 uur en op 21 juni niet of nauwelijks sprake is schaduwhinder op het perceel van [appellant sub 3]. Gelet op de uitkomsten van dit bezonningsonderzoek heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bouw van de kerk niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder op het perceel van [appellant sub 3].

13.4. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat het plan leidt tot horizonvervuiling en een beperking van zijn uitzicht, overweegt de Afdeling dat de kerk is voorzien op de locatie van een voormalig agrarisch bouwvlak waarbinnen een aantal voormalige agrarische bedrijfsgebouwen staan. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouw van het kerkgebouw niet leidt tot een onevenredige aantasting van het uitzicht van [appellant sub 3].

13.5. Bij de beoordeling van het plan heeft de raad verder aansluiting gezocht bij de richtafstanden uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten 2009 (hierna: VNG-brochure). Het begrip gemengd gebied wordt in de VNG-brochure als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen".

Volgens de VNG-brochure wordt een kerkgebouw ingedeeld in milieucategorie 2. De richtafstand tussen bedrijven uit milieucategorie 2 en de gevels van woningen bedraagt in een gemengd gebied 10 meter.

13.6. De aan De Groendijck en het Westeinde gelegen percelen kennen verschillende functies, waaronder wonen, agrarische activiteiten en bedrijvigheid. Gelet hierop heeft de raad de omgeving van De Groendijck kunnen aanmerken als gemengd gebied.

De gevel van de woning van [appellant sub 3] ligt op een afstand van ten minste 10 meter van de gronden waarop de bouw van de kerk mogelijk is, zodat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. De raad heeft voorts ter zitting toegelicht dat het perceel van [appellant sub 3] met een groensingel van het kerkgebouw en het bijbehorende parkeerterrein zal worden gescheiden, zodat geen lichthinder vanwege het parkeerterrein te verwachten is. Daarnaast zal het kerkgebouw zodanig worden ingericht dat de privacy van de omwonenden wordt gewaarborgd. Nu de gronden in eigendom zijn van de gemeente en het gemeentebestuur het hierdoor in zijn macht heeft om bedoelde maatregelen te nemen en niet is gebleken van belemmeringen die zich hiertegen verzetten, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 3] is gewaarborgd.

Alternatieven

14. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte geen alternatieve locaties voor de bouw van de kerk in ogenschouw heeft genomen. Hiertoe voert hij aan dat deze locatie ongeschikt is voor een kerk met de beoogde omvang.

14.1. De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

De raad heeft toegelicht dat de in de zienswijzen aangedragen alternatieve locaties voor de kerk zijn beoordeeld maar dat de bouw van een kerk op die locaties om diverse redenen niet realiseerbaar is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de voor- en nadelen van alternatieven niet toereikend in zijn belangenafweging heeft betrokken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant sub 3] in zijn beroepschrift noch ter zitting heeft geconcretiseerd welke alternatieven de raad niet of onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken.

De bestemming "Woongebied"

Woningbehoefte

15. [appellant sub 7] en [appellant sub 2] betogen dat er geen behoefte bestaat aan de woningen, zodat leegstand en daarmee een aantasting van de woonomgeving dreigt. [appellant sub 7] voert aan dat de woningbehoefteraming uit 2010 wordt overschreden en dat reeds sprake is van een uitloop uit kleine kernen, zoals Driebruggen. [appellant sub 2] heeft ter onderbouwing van zijn betoog het van gemeentewege opgestelde rapport ‘Prioritering woningbouwprogramma per kern’ overgelegd. In het rapport worden op basis van een aantal criteria de wenselijkheid en de mogelijkheid om bouwplannen uit te stellen of te stoppen in kaart gebracht. Er wordt daarbij een onderscheid gemaakt per dorpskern. Voor Driebruggen wordt vermeld dat wordt voorzien in 379% van de eigen behoefte, doordat er recent veel woningen zijn opgeleverd en een grote bouwlocatie namelijk De Groendijck-Oost is voorzien. Dit leidt tot de conclusie dat er een behoefte van 39 woningen is terwijl er 149 woningen in de periode 2010-2019 zijn en worden gerealiseerd, hetgeen een verschil ten opzichte van de behoefte van 110 woningen oplevert. Door het schrappen van een ander project in Driebruggen wordt dit verschil teruggebracht tot 106 woningen, zodat er volgens [appellant sub 2] per saldo geen behoefte bestaat aan de 86 in het plan voorziene woningen.

Voorts betoogt [appellant sub 7] dat het plan in strijd met de Verordening Ruimte van Zuid-Holland (hierna: de Verordening Ruimte) is vastgesteld, nu geen regionale afstemming heeft plaatsgevonden.

15.1. De raad stelt dat de woningen gefaseerd worden gerealiseerd en dat elders binnen de gemeente woningbouwprojecten zijn geschrapt. Daarnaast volgt uit een drietal rapporten dat er binnen de planperiode feitelijk behoefte is aan het in het plan voorziene aantal woningen, aldus de raad. De conclusies in het rapport ‘Prioritering woningbouwprogramma per kern’ doen niet af aan deze rapporten ter onderbouwing van de behoefte, aangezien dit rapport betrekking heeft op een ander tijdvak, de bedoelde conclusie slechts de kern Driebruggen betreft en op basis van dit rapport door de raad is besloten een aantal woningbouwprojecten in de gemeente te schrappen, aldus de raad.

Voorts stelt de raad dat de voorgenomen woningbouwproductie regionaal is afgestemd zoals is voorgeschreven in de Verordening Ruimte.

15.2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte voorziet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een nieuwe ontwikkeling met wonen, bedrijven, zelfstandige kantoren, detailhandel en andere stedelijke voorzieningen in een aantoonbare behoefte en is gebaseerd op een regionale visie op het programma terzake of is tenminste regionaal afgestemd. De toelichting van het bestemmingsplan bevat hierover een verantwoording.

15.3. Uit een brief van 18 maart 2014 van het Intergemeentelijk samenwerkingsorgaan Midden-Holland aan het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk volgt dat is voldaan aan de eisen van regionale afstemming op grond van de Verordening Ruimte. Gelet op deze brief bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Verordening Ruimte is vastgesteld.

15.4. De raad heeft onderzoek laten doen naar de woningmarkt in Driebruggen. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een aantal rapporten.

In het rapport ‘Woningmarktanalyse’ van 23 november 2011, opgesteld door Companen wordt geconcludeerd dat in de voormalige gemeente Reeuwijk, waaronder ook Driebruggen valt, ruim 600 woningen zijn voorzien. De lokale behoefte voor de komende tien jaar bedraagt circa 280 woningen, zodat er sprake is van overcapaciteit. Rekeninghoudend met 30% planuitval is het wenselijk het programma terug te brengen tot circa 375 woningen voor de periode 2010-2020. Voorts wordt in dit onderzoek geconcludeerd dat de respons in de woningmarktonderzoeken onvoldoende is om een uitgebreide kwalitatieve vertaling te maken naar de dorpen, waaronder Driebruggen. Daarnaast wordt als een van de belangrijkste aandachtspunten voor de kleinste kernen gegeven dat in de twee kleine kernen van de voormalige gemeente Reeuwijk, waaronder Driebruggen, vooral behoefte aan eengezinshuurwoningen wordt gezien. Ook betaalbare eengezinswoningen in de koopsector zijn in deze dorpen kansrijk.

In het rapport ‘Woningmarktanalyse Driebruggen’ van 22 maart 2013, opgesteld door [belanghebbende], wordt geconcludeerd dat er gezien de goed functionerende woningmarkt in zowel Driebruggen als Waarder, de behoefte om in de dorpen te blijven wonen, het ontbreken van (concurrerende) nieuwbouwprojecten in de dorpen en de aantrekkingskracht van de (nieuwe) kerken er kansen zijn voor een goede afzet van nieuwbouwwoningen binnen De Groendijck-Oost. De vrije sector nieuwbouwwoningen zullen in kleine aantallen op de markt moeten worden gebracht om de goed functionerende markt niet te verstoren. Hierbij moet gedacht worden aan 10 tot 15 woningen per jaar. Binnen deze aantallen zal er een diversiteit aan woningtypen moeten worden aangeboden, waarbij voorlopig niet op vrijstaande woningen dient te worden ingezet. Naast de afzetpotentie voor vrije sector nieuwbouwwoningen is er, zoals ook geconcludeerd in de woningmarktanalyse van Companen van 23 september 2011, ruimte voor sociale (huur)woningen. Op dit moment wordt gedacht aan circa 20 woningen in het sociale segment.

Uit het rapport ‘kwalitatieve onderbouwing bestemmingsplan De Groendijck-Oost’ volgt dat wordt verwacht dat in De Groendijck-Oost vanaf 2015 het normaal jaarlijks aantal benodigde woningen van circa acht voor Waarder en Driebruggen kan worden afgezet, zodat circa 40 woningen zullen worden gebouwd in de periode 2015-2019. Hiermee wordt de behoefte tot en met 2019 overschreden met 40 woningen. Maar omdat het woningbouwprogramma voor 2010-2019 ook grotendeels voorziet in de invulling van de behoefte van vóór 2010, wordt er ruimte gezien om het gewenste woningbouwprogramma toch gefaseerd te realiseren. Daarbij wordt de komende jaren een relatief grote vraag vanuit de inwoners van Driebruggen en Waarder verwacht vanwege de wens van jonge inwoners om in de kernen te blijven wonen.

15.5. Het door [appellant sub 2] overgelegde rapport heeft betrekking op de periode 2010-2019, terwijl de door de raad genoemde rapporten betrekking hebben op de planperiode van 2014-2024. Daarnaast heeft het door [appellant sub 2] overgelegde rapport betrekking op de kern Driebruggen, terwijl in de andere rapporten de behoefte in breder verband in ogenschouw wordt genomen. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 7] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad bij de voorbereiding van het plan betrokken rapporten wat betreft de behoefte aan de woningen waarin het plan voorziet, zodanig afwijken van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten dat de raad zich hier bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid op heeft mogen baseren. Daarom heeft de raad zich op grond van deze onderzoeken op het standpunt kunnen stellen dat de woningbouw die het plan mogelijk maakt, voorziet in de binnen de planperiode verwachte behoefte.

De afstand tot omliggende bedrijven

16. [appellante sub 5] en [appellant sub 8] betogen dat het plan voorziet in woningbouw op te korte afstand van hun bedrijven, waardoor zij in hun bedrijfsuitoefening dreigen te worden beperkt. [appellante sub 5] voert hiertoe aan dat haar bedrijf moet worden ingedeeld in milieucategorie 3.2, waarvoor volgens de VNG-brochure een richtafstand van 100 meter tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ geldt. Zij heeft hiertoe een advies van Geofox-Lexmond van 13 november 2013 overgelegd waarin de milieucategorie van het bedrijf is getoetst.

[appellante sub 5] betoogt voorts dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of de bouw van woningen zal leiden tot een beperking van de bedrijfsactiviteiten van [appellante sub 5]. Ter onderbouwing van haar stelling dat ter plaatse van de voorziene woningen sprake zal zijn van een te hoge geluidbelasting vanwege haar bedrijf, heeft [appellante sub 5] een akoestisch rapport van Akoestisch bureau Tideman overgelegd waarin de geluidsbelasting op de omgeving is berekend.

16.1. De raad stelt dat in het bestemmingsplan "Driebruggen" aan het bedrijfsperceel van [appellante sub 5] milieucategorie 3.1 is toegekend. Het gemeentebestuur heeft daarnaast onderzoek gedaan naar de bedrijfsactiviteiten op het perceel en geconcludeerd dat het activiteiten in milieucategorie 3.1 betreft. In de VNG-brochure wordt voor woningen ten opzichte van bedrijven in milieucategorie 3.1 een richtafstand van 50 meter geadviseerd. Aangezien binnen deze afstand geen woningen mogen worden gebouwd, is het plan in overeenstemming met de in de VNG-brochure genoemde richtafstand, aldus de raad.

De raad stelt voorts dat aan de Zuidkade reeds een woning staat, die bepalend is voor de door het bedrijf van [appellante sub 5] te produceren hoeveelheid geluid. Het plangebied ligt achter deze woning, zodat geen sprake is van een verdergaande belemmering voor het bedrijf van [appellante sub 5], aldus de raad.

16.2. Voor zover [appellante sub 5] zich richt tegen de in het bestemmingsplan "Driebruggen" aan haar perceel toegekende milieucategorie, gaat dit de omvang van dit geding te buiten. Dat in het bestemmingsplan "Driebruggen" bij recht bedrijfsactiviteiten tot en met milieucategorie 3.1 op het perceel van [appellante sub 5] zijn toegestaan, sluit echter niet uit dat [appellante sub 5] op grond van het overgangsrecht bestaand legaal gebruik mag voortzetten, ook als dit in een hogere milieucategorie valt. Derhalve lag het op de weg van de raad om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken of bij de bouw van nieuwe woningen op een afstand van 50 meter van het bedrijf van [appellante sub 5] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen is gewaarborgd en/of [appellante sub 5] door deze ontwikkeling niet onevenredig in haar bedrijfsactiviteiten wordt beperkt.

16.3. In opdracht van [appellante sub 5] is door Akoestisch Bureau Tideman onderzoek gedaan naar de geluidbelasting als gevolg van de bestaande activiteiten van het bedrijf van [appellante sub 5] op de omgeving. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Akoestisch rapport Freesbedrijf van der Steen B.V.’ van 18 maart 2014. In het rapport wordt geconcludeerd dat zowel ter plaatse van de bestaande woning ten oosten van het bedrijf als bij de nieuw te bouwen woningen de geluidbelasting hoger is dan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Naar aanleiding van dit rapport is [appellante sub 5] in overleg getreden met de Omgevingsdienst Midden-Holland over de mogelijkheid van het opleggen van maatwerkvoorschriften.

16.4. Het akoestisch rapport en het daarop volgende overleg met de Omgevingsdienst Midden-Holland bevestigen dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan niet kan worden geacht voldoende inzicht te hebben gehad in de aanvaardbaarheid van nieuwe woningen op een afstand van 50 meter van het bedrijf van [appellante sub 5]. Gelet op de inhoud van het akoestisch rapport, heeft [appellante sub 5] aannemelijk gemaakt dat het van gemeentewege ter plaatse verrichte onderzoek niet toereikend is geweest. Bovendien heeft de raad in zijn motie van 5 maart 2014 het college van burgemeester en wethouders opgeroepen hem op korte termijn te informeren over de daadwerkelijke milieucategorieën van de diverse bedrijven op het bedrijventerrein. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld. Gelet op het voorgaande kan het antwoord op de vraag of de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bedrijf van [appellante sub 5] een bedrijf in milieucategorie 3.1 is, in het midden blijven.

17. [appellante sub 5] betoogt dat de streepjeslijn op de verbeelding die betrekking heeft op de aanduiding "wonen uitgesloten" niet is verklaard in de legenda, zodat hieraan geen betekenis toekomt. Nu deze streepjeslijn geen betekenis heeft, komt aan de aanduiding "wonen uitgesloten" evenmin betekenis toe, aldus [appellante sub 5].

17.1. Ingevolge artikel 1.2.3, tweede lid, van het Bro is de digitale verbeelding beslissend. Blijkens de digitale verbeelding is binnen de bestemming "Woongebied" op een afstand tot 50 meter gemeten vanuit de bedrijven aan de Esdoornstraat, derhalve tot aan de door [appellante sub 5] bedoelde streepjeslijn, de aanduiding "wonen uitgesloten" toegekend. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, onder a, sub 6, van de planregels is op gronden met de aanduiding "wonen uitgesloten" de bouw van woningen niet is toegestaan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de aanduiding "wonen uitgesloten" geen betekenis toekomt.

18. [appellant sub 8] betoogt dat op zijn perceel een bedrijf in milieucategorie 2 is gevestigd. In het plan zijn woningen voorzien op een afstand van 10 meter van zijn bedrijf. Hij vreest dat hij hierdoor in zijn bedrijfsuitoefening zal worden belemmerd.

18.1. De raad stelt dat het bedrijf van [appellant sub 8] een bedrijf in milieucategorie 2 is. Het noordelijk gelegen deel van het plangebied kan worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’, zodat wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure voor bedrijven in milieucategorie 2 en het bedrijf niet wordt beperkt in zijn mogelijkheden, aldus de raad.

18.2. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad aansluiting gezocht bij de richtafstanden uit de VNG-brochure. Zoals de Afdeling hiervoor onder 13.6 heeft overwogen, heeft de raad de omgeving van De Groendijck kunnen aanmerken als gemengd gebied. Het bedrijf van [appellant sub 8] en de door [appellant sub 8] bedoelde woningen liggen in dit gebied. Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijf van [appellant sub 8] een bedrijf in milieucategorie 2 is.

Volgens de VNG-brochure bedraagt de richtafstand van bedrijven uit categorie 2 tot de gevel van woningen gelegen in een gemengd gebied 10 meter. De gevels van de in het plan voorziene woningen liggen op een afstand van ten minste 10 meter van de gronden waarop [appellant sub 8] zijn bedrijf uitoefent. Gelet hierop wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure ten aanzien van het bedrijf van [appellant sub 8], zodat de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant sub 8] door de voorziene woningbouw niet in zijn bedrijfsactiviteiten wordt beperkt.

Maximale goot- en bouwhoogte

19. [appellant sub 2], [appellant sub 7] en [appellant sub 3] betogen dat ten onrechte geen maximale goot- en bouwhoogte voor hoofdgebouwen is opgenomen. Hierdoor kunnen hoofdgebouwen, met daarin gestapelde woningen, zonder beperking in bouwhoogte worden gebouwd. Deze onbeperkte bouwhoogte leidt tot een mogelijke onaanvaardbare beperking van de privacy en het uitzicht, aldus [appellant sub 2].

19.1. De raad stelt dat uit de opbouw van de bouwregeling volgt dat de goot- en bouwhoogte van toepassing is op alle woningen, waaronder hoofdgebouwen waarin woningen worden gestapeld.

19.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, aanhef en onder c en d, van de planregels geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat de goot- en bouwhoogte van woningen niet meer mag bedragen dan 6,5 meter onderscheidenlijk 11 meter.

Ingevolge artikel 1, lid 1.32, wordt onder hoofdgebouw verstaan een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Ingevolge lid 1.50 is een woning een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

19.3. Uit artikel 8, lid 8.2.2, van de planregels in samenhang met de definitiebepalingen volgt dat binnen hoofdgebouwen gestapelde woningen kunnen worden gerealiseerd. Anders dan voor woningen bevat het plan voor hoofdgebouwen geen maximum goot- en bouwhoogte. [appellant sub 2] en [appellant sub 7] betogen dan ook terecht dat het plan geen maximum goot- en bouwhoogte kent voor hoofdgebouwen. Nu de raad dit kennelijk niet heeft beoogd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is voorbereid.

Globaal plan

20. [appellant sub 7] betoogt dat de bestemming "Woongebied" te globaal is. Hij voert hiertoe aan dat de bestemming geen categorisering van type woningbouw kent en dat geen minimum aantal te realiseren woningen in het plan is opgenomen.

20.1. De raad stelt dat de maximum bebouwde oppervlakte van gestapelde woningbouw in het plan is beperkt tot 900 m2, waaruit volgt dat de overige gronden met de bestemming "Woongebied" met grondgebonden woningbouw wordt ingericht.

20.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, van de planregels mag het bebouwingspercentage van een bouwperceel per woning mag niet meer bedragen dan:

a. 60% voor grondgebonden woningen;

b. 80% voor nultredenwoningen en patiowoningen;

c. 80% voor gestapelde woningen, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van alle gestapelde woningen gezamenlijk, inclusief aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, niet groter mag zijn dan 900 m².

20.3. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de Wro brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen die niet meer behoeven te worden uitgewerkt. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient per geval aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. De raad heeft, nu de bouwplannen binnen het gebied nog niet concreet zijn ingevuld, in redelijkheid kunnen kiezen voor een globaal eindplan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de totale oppervlakte aan gestapelde woningbouw in het plan is gemaximeerd.

De aanduiding "ontsluiting"

21. [appellant sub 2] betoogt dat de aanduiding "ontsluiting" ten onrechte 5 meter in alle richtingen kan worden verplaatst. Hij voert hiertoe aan dat de locatie van de ontsluiting uitdrukkelijk is vastgelegd op de verbeelding en niet kan worden verplaatst. Daarnaast kan het verschuiven van de ontsluiting ertoe leiden dat gebouwen op kortere afstand van de woning van [appellant sub 2] worden gebouwd.

21.1. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder j, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting" mede bestemd voor ontsluitingswegen en verblijfsgebied in de vorm van een parkeerzone, met dien verstande dat de aanduiding in alle richtingen met maximaal 5 meter kan worden verschoven.

21.2. Nu de bestreden planregel niet tevens inhoudt aan wie de bevoegdheid tot het verschuiven van de aanduiding is toegekend en in welke gevallen van die bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt, is de Afdeling van oordeel dat artikel 8, lid 8.1, onder j, van de planregels in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld.

De verkavelingsrichting

22. [appellant sub 2] en [appellant sub 7] betogen dat de verkavelingsrichting ten onrechte niet is gewaarborgd in het plan. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat niet is uitgesloten dat de ontsluitingswegen in oost-westrichting worden gesitueerd, waardoor de voorgevels niet in oostelijke of westelijke richting georiënteerd kunnen worden. [appellant sub 7] voert aan dat het verkavelingsplan niet bindend is.

22.1. De raad stelt dat artikel 8, lid 8.2.2, van de planregels een voldoende waarborg voor de verkavelingsrichting bevat.

22.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.2.2, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen dat deze binnen de bestemming "Woongebied" worden gebouwd, met dien verstande dat de voorgevels van de hoofdgebouwen binnen de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - verkavelingsrichting" in oostelijke- en/of westelijke zijde georiënteerd dienen te worden overeenkomstig het in bijlage 1 bij de planregels opgenomen stedenbouwkundig plan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.46, wordt onder voorgevel verstaan een naar de openbare weg en/of fiets- en voetpad toegekeerde gevel van een hoofdgebouw.

22.3. Nu op grond van artikel 8, lid 8.2.2, aanhef en onder a, sub 2, van de planregels de voorgevels van hoofdgebouwen in oostelijke of westelijke richting georiënteerd dienen te worden overeenkomstig het in bijlage 1 opgenomen stedenbouwkundig plan, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de verkavelingsrichting overeenkomstig het stedenbouwkundig plan ontoereikend in het plan is gewaarborgd.

Bestaande waarden

23. [appellant sub 2] betoogt dat het plangebied in een stiltegebied ligt en dat woningbouw in dit gebied niet passend is. Daarnaast betoogt hij dat de realisatie van de woningbouw leidt tot een aantasting van het slagenlandschap en het open landschap.

23.1. Ingevolge artikel 5.1.1 van de Provinciale Milieuverordening zijn milieubeschermingsgebieden de gebieden die als zodanig zijn aangewezen in bijlage 6.

In kaart 6 van bijlage 6 is het zuidelijk deel van het plangebied als milieubeschermingsgebied voor stilte aangewezen.

Ingevolge artikel 5.5.2 van de Provinciale Milieuverordening gelden de in bijlage 10 omschreven regels voor zover deze regels in bijlage 6 voor dat gebied van toepassing zijn verklaard.

Ingevolge bijlage 6 is onderdeel A van bijlage 10 van toepassing op het milieubeschermingsgebied voor stilte.

23.2. De Afdeling ziet in onderdeel A van bijlage 10 bij de Provinciale Milieuverordening geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat deze aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Voorts heeft [appellant sub 2] geen aanknopingspunten gegeven voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij de bouw van 86 woningen en een kerkgebouw dan aan het door [appellant sub 2] bedoelde belang bij het behoud van het open slagenlandschap ter plaatse. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft voorzien in een voorgeschreven verkavelingsrichting waardoor de bebouwing in de lengterichting van het slagenlandschap dient te worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de raad onweersproken toegelicht dat er geen geschikte inbreidingslocatie in de kern Driebruggen is voor de voorziene ontwikkeling.

Het toegangspad aan de noordwestzijde van het plangebied

24. [appellant sub 2] en [appellant sub 7] betogen dat het plan ten onrechte de ontsluiting van de in het plan voorziene woningbouw via een achter hun woningen gelegen toegangspad mogelijk maakt. Zij voeren hiertoe aan dat de eigendomsverhoudingen ten aanzien van dit toegangspad in de weg staan aan een ontsluiting van het plangebied over dit toegangspad. Bovendien is het pad hierop niet ingericht en is een dergelijke ontsluiting in strijd met in 2005 gemaakte afspraken, aldus [appellant sub 2] en [appellant sub 7]. Verder voeren zij aan dat een ontsluiting van het plangebied over dit toegangspad zal leiden tot onaanvaardbare hinder ter plaatse van hun woningen. Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat een dergelijke ontsluiting zal leiden tot een forse waardedaling van zijn woning.

24.1. De raad stelt dat het toegangspad buiten het plangebied valt en dat het plangebied niet via het toegangspad zal worden ontsloten, maar via een aan de oostzijde van het plangebied voorziene ontsluitingsweg.

24.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 30 januari 2013 in zaak nr. 201208418/1/R4 is voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels.

De Afdeling stelt vast dat het plangebied niet mede het door [appellant sub 2] en [appellant sub 7] bedoelde toegangspad omvat. In het plan wordt in een ontsluiting voorzien aan de oostzijde van het plangebied, zodat het plan evenmin noopt tot een ontsluiting van het plangebied over het toegangspad. In zoverre staat de eigendom van het toegangspad niet aan de realisatie van de in het plan voorziene ontwikkeling in de weg. Gelet hierop bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de eigendom van het toegangspad aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

24.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] en [appellant sub 7] dat het plan er niet aan in de weg staat dat een aansluiting wordt gemaakt van het woongebied op het toegangspad, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat het toegangspad geen openbare weg is. De openbaarheid van een weg wordt geregeld in de Wegenwet en niet in een bestemmingsplan. Met de enkele aansluiting van het plangebied op het toegangspad, is nog geen sprake van het door [appellant sub 2] en [appellant sub 7] gevreesde gebruik van het toegangspad als openbare weg. Bovendien heeft de raad in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat het plangebied niet zal worden ontsloten over het toegangspad.

24.4. Gelet op het voorgaande behoeft het betoog ten aanzien van het toegangspad voor het overige, waaronder de inrichting van het toegangspad en de in 2005 gemaakte afspraken omtrent het gebruik hiervan, geen bespreking meer.

Het toegangspad aan de westzijde van het plangebied

25. [appellant sub 4] betoogt dat hij een recht van overpad heeft op het aan de westzijde van het plangebied gelegen toegangspad naar zijn woning. Hij vreest dat de realisatie van de in het plan voorziene ontwikkeling ertoe zal leiden dat hij geen onbelemmerde toegang meer tot zijn woning en de daarbij behorende parkeerplaats zal hebben.

25.1. Ter zitting is vastgesteld dat het desbetreffende toegangspad binnen het plangebied ligt. De raad heeft ter zitting bevestigd dat het op deze gronden ten behoeve van [appellant sub 4] gevestigde recht van overpad zal worden geëerbiedigd. Gelet hierop en nu het plan mogelijk maakt dat van de desbetreffende gronden gebruik wordt gemaakt ten behoeve van de ontsluiting van het perceel van [appellant sub 4], is zijn vrees dat hij vanwege het plan zijn woning en parkeerplaats niet meer zal kunnen bereiken ongegrond. Het betoog faalt.

Algemene beroepsgronden

Waterhuishouding

26. [appellant sub 2], [appellant sub 7] en [appellant sub 3] betogen dat het dempen van sloten in het plangebied zal leiden tot wateroverlast ter plaatse van hun percelen en dat de aanleg van voldoende vervangende waterberging onvoldoende in het plan is gewaarborgd. [appellant sub 7] voert hiertoe aan dat het plan in strijd met het advies van het waterschap is vastgesteld. [appellant sub 2] voert aan dat door het plan de afvoer van het water verslechtert, doordat het plan mogelijk maakt dat de watergang nabij zijn woning wordt onderbroken. Voorts voert [appellant sub 2] aan dat het plan gefaseerd zal worden uitgevoerd en dat onduidelijk is in welk stadium de vervangende waterberging zal worden gerealiseerd.

26.1. De raad stelt dat hij met het advies van het waterschap rekening heeft gehouden door in het plan te voorzien in de door het waterschap geadviseerde watercompensatie. Hiertoe heeft de raad de bestemming "Agrarisch" toegevoegd aan het plan. Daarnaast zal langs de weg van de vergunning op grond van de Waterwet worden bewerkstelligd dat het bestaande watersysteem op orde blijft en dat de voorgestelde watercompensatie tijdig wordt uitgevoerd, aldus de raad.

26.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf;

b. het behoud, het beheer en de versterking van de aanwezige landschappelijke en natuurlijke waarden;

c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals ontsluitingspaden, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen en voorzieningen voor de waterhuishouding.

Ingevolge artikel 7, lid 7.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de waterhuishouding, waterlopen en waterberging;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen, duikers, bruggen, bermen, keermuren, oevers/oeverbeschoeiingen, rietkragen en taluds.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder f, zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder bruggen.

26.3. De raad heeft beoogd de benodigde vervangende waterberging gedeeltelijk ter plaatse van de gronden met de bestemming "Agrarisch" te realiseren. De bestemming "Agrarisch" maakt echter slechts de realisatie van de bij deze bestemming behorende voorzieningen voor de waterhuishouding mogelijk en niet, zoals ter plaatse van de bestemmingen "Water" en "Woongebied", tevens waterlopen en waterberging onderscheidenlijk water. Het plan staat hiermee in de weg aan het realiseren van de door de raad beoogde waterberging ter plaatse van de gronden met de bestemming "Agrarisch". Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.

Verkeer

27. [appellant sub 6] betoogt dat een adequate, verkeersveilige ontsluiting van het plangebied onvoldoende in het plan is gewaarborgd. Hij voert hiertoe aan dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een verkeersonveilige situatie en dat de raad niet heeft onderzocht of, en zo ja op welke wijze, een verkeersveilige ontsluiting van het plangebied op De Groendijck kan worden gerealiseerd. Daarnaast voert hij aan dat de raad het aantal verkeersbewegingen niet heeft onderbouwd en de capaciteit van en de verkeersstromen op het Westeinde niet heeft onderzocht. Verder voert [appellant sub 6] aan dat de raad niet heeft onderzocht of De Groendijck de piekverkeersstroom vanwege de kerk kan verwerken.

27.1. De raad stelt dat de verkeersintensiteit op De Groendijck momenteel 3.850 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt en dat de in het plan voorziene ontwikkeling zal leiden tot ongeveer 722 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal. Aangezien de capaciteit van de weg 6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal bedraagt, kan De Groendijck deze verkeersstroom verwerken, aldus de raad. Daarnaast stelt de raad dat een verkeersveilige ontsluiting van het plangebied kan worden gerealiseerd door verkeersmaatregelen te treffen in het kader van het programma Duurzaam Veilig.

27.2. Aan de bestaande verkeersintensiteit op De Groendijck liggen tellingen uit juli 2013 ten grondslag. Uit deze tellingen volgt dat er gemiddeld 3.850 motorvoertuigbewegingen per etmaal worden gemeten. De raad heeft zich voorts onweersproken op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling zal leiden tot 722 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal op De Groendijck. De raad heeft de capaciteit van De Groendijck bepaald op 6.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal aan de hand van de door CROW opgestelde richtlijnen, die zijn neergelegd in het Handboek Wegontwerp-Erftoegangswegen (publicatie 164d). [appellant sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze door de raad gehanteerde getallen onjuist zijn. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de tellingen weliswaar uit de zomerperiode dateren, maar dat de raad zich ook in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat De Groendijck voldoende restcapaciteit heeft om ook de verkeersstromen buiten de zomerperiode op te vangen. In zoverre heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de capaciteit van De Groendijck toereikend is om het verkeer vanwege de in het plan voorziene ontwikkeling te verwerken.

Wat betreft de ontsluiting van het plangebied overweegt de Afdeling dat de raad onweersproken heeft toegelicht dat de ter plaatse van de ontsluiting in het plan en in het bestemmingsplan "Driebruggen" toegekende bestemmingen voldoende ruim zijn voor een verkeersveilige ontsluiting van het plangebied. Nu het plan mogelijk maakt dat het plangebied op een verkeersveilige wijze wordt ontsloten en de raad heeft toegelicht dat zo nodig verkeersmaatregelen zullen worden getroffen in het kader van het programma Duurzaam Veilig teneinde de verkeersveiligheid ter plaatse te bevorderen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de wijze van uitvoering van de ontsluiting niet heeft onderzocht of ten onrechte niet in het plan heeft vastgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ter plaatse van de ontsluiting van het plangebied op De Groendijck. Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden

28. Voor zover appellanten zich in het beroepschrift voor het overige hebben beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze, overweegt de Afdeling als volgt. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Appellanten hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Slotoverwegingen

29. De beroepen van [appellant sub 8] en [appellant sub 4] zijn ongegrond. De beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellante sub 5] en [appellant sub 3] zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 11.3, 16.4, 19.3, 21.2 en 26.3 is overwogen, gegrond. De Afdeling ziet aanleiding het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb onderscheidenlijk de rechtszekerheid. Hierbij merkt de Afdeling op dat nu de voor de gehele ontwikkeling benodigde vervangende waterberging niet op de door de raad beoogde gronden met de bestemming "Agrarisch" kan worden gerealiseerd, het gehele plan door de vernietiging wordt geraakt.

30. Gelet hierop behoeft het betoog van [appellant sub 2] voor zover dat betrekking heeft op de financiële uitvoerbaarheid van het plan geen bespreking meer. De raad zal de financiële uitvoerbaarheid van een eventueel nieuw vast te stellen plan opnieuw in ogenschouw moeten nemen.

31. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

32. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 8], [appellant sub 6] en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellante sub 5] en [appellant sub 7] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1], handelend onder de naam [appellant sub 1] garagebedrijf, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2a] en [appellant sub 2b], [appellant sub 3a] en [appellante sub 3b], [appellante sub 5] en andere, en [appellant sub 7] en anderen, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk van 5 maart 2014, waarbij het bestemmingsplan "De Groendijck-Oost, Driebruggen" is vastgesteld;

IV. draagt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III. wordt verwerkt op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. verklaart de beroepen van [appellant sub 4a] en [appellant sub 4b], [appellant sub 6] en [appellant sub 8] ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

- € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 2a] en [appellant sub 2b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 3a] en [appellante sub 3b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellante sub 5], en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; en

- € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, aan [appellant sub 7] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 2a] en mw. [appellant sub 2b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 3a] en [appellante sub 3b], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- € 328,00 (zegge: driehonderdachtentwintig euro) voor [appellante sub 5] en andere, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

- € 165,00 (zegge: honderdvijfenzestig euro) voor [appellant sub 7] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Kuggeleijn-Jansen

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

545-745.