Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3991

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201402891/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402891/1/V6.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 februari 2014 in zaak nr. 13/5316 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2013 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2014, waar [appellante], bijgestaan door mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het Besluit) verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de staatssecretaris, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) moet de verzoeker in beginsel buitenlandse akten van de burgerlijke stand overleggen, waaronder een buitenlandse geboorteakte. Indien de overgelegde buitenlandse akten van de burgerlijke stand ten tijde van het verzoek om naturalisatie kunnen worden geaccepteerd als brondocument voor de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de GBA, thans: de basisregistratie personen), worden deze documenten ook aanvaard voor de verlening van het Nederlanderschap. Immers, in de regel vindt de verlening van het Nederlanderschap plaats op basis van de inschrijving in de GBA. Indien reeds in het verleden gelegaliseerde documenten zijn overgelegd en verwerkt in de GBA of in een akte van de burgerlijke stand in Nederland, wordt afgezien van het wederom laten overleggen van dezelfde documenten, aldus de Handleiding.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij met de door haar overgelegde documenten haar identiteit niet heeft aangetoond. Hiertoe voert zij aan dat niet is gebleken waarom de staatssecretaris naast het overgelegde Iraakse paspoort nog een gelegaliseerde geboorteakte eist. Niet valt in te zien op welke wijze de geboorteakte kan bijdragen aan het staven van haar identiteit, aangezien zij behalve het paspoort, een door haar op 14 oktober 2004 afgelegde verklaring onder ede over haar burgerlijke staat in het kader van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij de gemeente Eindhoven (hierna: de verklaring onder ede), een bewijs van vermissing betreffende haar Iraakse geboorteakte van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost van 4 mei 2012 en een verklaring van de Iraakse ambassade in Den Haag van 2 april 2013 heeft overgelegd, in welke documenten haar identiteitsgegevens zijn vermeld, aldus [appellante].

2.1. Volgens de Handleiding moet de verzoeker in beginsel een gelegaliseerde geboorteakte overleggen en volstaat een paspoort niet. Dit beleid is niet onredelijk en niet in strijd met de bepalingen van de RWN en het Besluit.

Het betoog van [appellante] dat zij haar identiteit heeft aangetoond met de door haar overgelegde documenten, faalt reeds omdat volgens het hiervoor weergegeven beleid naast het paspoort tevens een geboorteakte moet worden overgelegd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de geboortegegevens wel in het door [appellante] overgelegde paspoort zijn vermeld maar dat deze juist zijn ontleend aan haar Iraakse geboorteakte. Voorts heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 11 oktober 2013 terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring onder ede evenmin voldoende is, nu aan deze verklaring geen brondocumenten ten grondslag hebben gelegen. Dat [appellante] op basis van de onder ede afgelegde verklaring is ingeschreven in de GBA, maakt dat niet anders, reeds omdat een verklaring onder ede voor de naturalisatie niet op één lijn kan worden gesteld met een gelegaliseerde buitenlandse akte van de burgerlijke stand.

Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] met de door haar overgelegde documenten niet haar identiteit heeft aangetoond.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

32-800.