Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:399

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201302212/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college de locatie WW354 aangewezen als aanbiedplaats voor minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201302212/1/A4.

Datum uitspraak: 12 februari 2104

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Amstelveen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college de locatie WW354 aangewezen als aanbiedplaats voor minicontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 december 2013 waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.C.R. Oudendijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10, vierde lid, van de Afvalstoffenverordening 2012 van de gemeente Amstelveen (oud) kan het college regels stellen omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden.

Ingevolge het zesde lid is het verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald.

2. De aanbiedplaats voor minicontainers WW354 is gesitueerd op het verhoogde gedeelte van de T-splitsing Jasmijnlaan-Marjoleinlaan, nabij de woning van [appellant]. De aanwijzing geldt voor het aanbieden van groente-, fruit- en tuinafval en papier.

3. [appellant] betoogt dat de aanbiedplaats een gevaar voor de volksgezondheid oplevert, nu deze is gelegen aan de rand van agrarisch bouwland en daardoor ongedierte aantrekt. Hij wijst erop dat niet iedereen zijn afval door middel van de minicontainers aanbiedt en dat afval vaak naast de minicontainers wordt gezet.

3.1. Ingevolge artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit inzameling huishoudelijke afvalstoffen (hierna: Uitvoeringsbesluit) in samenhang gelezen met de gemeentelijke afvalkalender wordt de aanbiedplaats ten hoogste één dag per twee weken gebruikt voor het aanbieden van groente-, fruit- en tuinafval en één maal per vier weken voor het aanbieden van papier.

Ingevolge artikel 2 dienen de huishoudelijke afvalstoffen voor 7.30 uur op de inzameldag te worden aangeboden.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, moet de container bij het overdragen of ter inzameling aanbieden goed gesloten zijn zonder dat er afval uitsteekt.

Ingevolge het derde lid moeten de containers zo spoedig mogelijk na lediging door de inzameldienst, doch uiterlijk op het eind van de inzameldag, van de openbare weg zijn verwijderd.

3.2. Het college heeft zich bij de aanwijzing van de aanbiedplaats gebaseerd op door hem vastgestelde inrichtingscriteria. Het aantrekken van ongedierte en de daarmee verband houdende risico's voor de volksgezondheid zijn geen vastgestelde inrichtingscriteria.

Het college stelt zich onder verwijzing naar de van toepassing zijnde bepalingen van het Uitvoeringsbesluit op het standpunt dat door het gesloten houden van de containers en de beperkte duur van de aanwezigheid daarvan, de aantrekkingskracht van de aanbiedplaats op ongedierte beperkt zal zijn. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Voor zover de aanbiedplaats of de minicontainers feitelijk worden gebruikt op een wijze die niet in overeenstemming is met het Uitvoeringsbesluit, betreft dit een kwestie van handhaving.

Gelet op het vorenstaande kan in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het college vanwege het gevaar voor de volksgezondheid de aanbiedplaats niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

De beroepsgrond faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2104

190-792.