Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3977

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201402029/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden vanwege in de voortuin van [belanghebbende] geplaatste bamboestokken afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6517
TBR 2014/205 met annotatie van B. Rademaker
JOM 2014/1170
JG 2015/14 met annotatie van mw. mr. ing. J.J. Thoonen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402029/1/A4.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Amstelveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2014 in zaak nr. 13/1237 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2013 heeft het college een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden vanwege in de voortuin van [belanghebbende] geplaatste bamboestokken afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2014, waar [appellant], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. In de voortuin van [belanghebbende] staan vaste plantenbakken. In de bakken is een aantal bamboestokken geprikt ter ondersteuning van de in de bakken geplante planten. [appellant] heeft het college verzocht handhavend op te treden, omdat voor het plaatsen van die bamboestokken niet de ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) vereiste omgevingsvergunning voor bouwen van een bouwwerk is verleend.

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het in de grond prikken van de bamboestokken, en er aan de bovenkant omheen wikkelen van een ijzerdraadje, niet het bouwen van een bouwwerk is. Het college heeft gelet daarop volgens de rechtbank terecht het verzoek om handhaving vanwege het bouwen zonder omgevingsvergunning afgewezen.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zijn handhavingsverzoek niet slechts zag op de bamboestokken, maar ook op de plantenbakken. In dit verband betoogt hij dat in het handhavingsverzoek staat dat de bamboestokken en de plantenbakken samen een erfafscheiding vormen. Hij heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat ook uit de door hem over het ontwerp van het besluit van 3 januari 2013 naar voren gebrachte zienswijze blijkt dat het verzoek mede op de plantenbakken zag.

3.1. Het handhavingsverzoek bevat de volgende passages:

"Cliënten hebben geconstateerd dat hun buurvrouw, [belanghebbende], wonende te Amstelveen aan de [locatie] een 40-tal bamboestokken van meer dan 2 meter hoog heeft geplaatst in de plantenbakken van haar voortuin. Deze plantenbakken zijn vastgemaakt aan de erfafscheiding. Foto’s van deze nieuwe situatie zijn reeds in uw bezit. Namens cliënten stel ik mij op het standpunt dat er sprake is van een bouwwerk.

(...)

Aangezien de bamboestokken aan deze definitie (lees: definitie van het begrip bouwwerk) voldoen is er sprake van een bouwwerk. Nu dit bouwwerk is gerealiseerd zonder omgevingsvergunning bouwen is er thans sprake van een illegale situatie. Deze situatie kan niet gelegaliseerd worden aangezien de stokken in strijd zijn met de redelijke eisen van welstand en met de bestemmingsplan voorschriften."

3.2. Gezien de bewoordingen van het verzoek kan het niet anders worden begrepen dan een verzoek om op te treden tegen de plaatsing van slechts de bamboestokken. Weliswaar vermeldt het handhavingsverzoek ook de plantenbakken, maar alleen omdat het feit dat de bamboestokken daarin zijn geprikt volgens [appellant] meebrengt dat de bamboestokken een bouwwerk zijn. Uit de zienswijze blijkt niets anders.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het verzoek van [appellant] slechts betrekking heeft op de bamboestokken en niet op de plantenbakken als zodanig.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat de bamboestokken reeds bouwwerken zijn omdat zij zijn geprikt in de plantenbakken en duidelijk is dat de plantenbakken in ieder geval bouwwerken zijn. Daartoe wijst hij erop dat in een uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2013 in zaak nr. 201300743/1/A1 is geoordeeld dat een draagconstructie voor planten die aan palen van een carport is bevestigd een bouwwerk is.

4.1. De situatie in de door [appellant] genoemde uitspraak en de huidige situatie zijn echter niet vergelijkbaar. In dit geval gaat het niet om een constructie die duurzaam bevestigd is aan een al bestaand bouwwerk, nu de bamboestokken niet aan de plantenbakken zijn bevestigd.

Het betoog faalt.

5. Vervolgens betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de bamboestokken ook op zichzelf beschouwd een bouwwerk zijn.

5.1. Het begrip bouwwerk is in de Wabo als zodanig niet omschreven. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 september 2012 in zaak nr. 201112262/1/A1), kan voor de uitleg van het begrip bouwwerk in de Wabo aansluiting worden gezocht bij de definitie van dit begrip in de modelbouwverordening. Deze luidt: "elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren".

5.2. In de plantenbakken staan 12 setjes van drie stokken. Bij ieder setje worden de stokken aan de bovenzijde met een ijzerdraadje bij elkaar gehouden. De setjes zijn niet onderling verbonden, en zijn daarom niet samen als één constructie aan te merken. Daarom staat ter beoordeling of elk setje op zichzelf beschouwd een bouwwerk is.

De Afdeling is, in aanmerking genomen de geringe omvang van de samenstellende delen (de bamboestokken) en de wijze waarop een setje bijeengehouden wordt (met een ijzerdraadje), van oordeel dat een setje bamboestokken niet een constructie van enige omvang is waarop de krachtens de Woningwet en de Wabo gestelde regels voor bouwen van toepassing zijn. Het college en vervolgens de rechtbank zijn derhalve terecht tot het oordeel gekomen dat de setjes bamboestokken geen bouwwerken zijn.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

262-784.