Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3974

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201402060/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Locatie [locatie 1] te [plaats]" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201402060/1/R4.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats], gemeente Achtkarspelen,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Locatie [locatie 1] te [plaats]" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2014, waar [appellant A] en [appellant B], in de persoon van [appellant A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.H. Zuur, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de Stichting Woningbouw Achtkarspelen (hierna: SWA), vertegenwoordigd door D.D. van der Werf.

Overwegingen

1. Het wijzigingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan "Twijzelerheide" (hierna: het bestemmingsplan), vastgesteld door de raad van de gemeente Achtkarspelen op 6 mei 2008. In het bestemmingsplan is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het wijzigingsplan voorziet in een wijziging van het bouwvlak ten behoeve van een door SWA te bouwen woning.

2. [appellant A] en [appellant B] wonen op [locatie 2] en betogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het alternatieve voorstel om het bouwvlak in de richting van het perceel [locatie 3] te verplaatsen is afgewezen. Zij betogen verder dat het wijzigingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van hun woongenot. Hiertoe voeren zij aan dat het aanzicht van, het uitzicht van en de lichttoetreding bij de woning worden beperkt ten opzichte van de bestaande situatie. Nu er geen plicht bestaat om een wijzigingsplan vast te stellen, had het college gezien deze belangen daarvan moeten afzien, aldus [appellant A] en [appellant B].

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het woongenot van [appellant A] en [appellant B] niet onevenredig wordt aangetast. Hiertoe stelt het college dat de afstand tussen het bouwvlak en de woning ruim is en dat de woning gezien de maximale bouwhoogte geen of nagenoeg geen verminderde lichtintreding bij de woning van [appellant A] en [appellant B] zal veroorzaken. In een bebouwd gebied als het dorp bestaat geen recht op een blijvend vrij uitzicht, aldus het college.

Met betrekking tot het alternatieve voorstel van [appellant A] en [appellant B] stelt het college dat de verplaatsing van het bouwvlak is gebaseerd op een aanvraag van SWA. Het voorstel om het bouwvlak in de richting van het perceel [locatie 3] te wijzigen is aan SWA voorgelegd. SWA heeft dit voorstel afgewezen omdat zij volgens het college voornemens is een ontsluitingsweg aan deze kant aan te leggen.

3. Het perceel [locatie 1] heeft op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Woondoeleinden".

Ingevolge artikel 3, lid 2, onder a, sub 6, van de planregels van het bestemmingsplan mag de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer dan 11 meter bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is.

Het bouwvlak is voorzien op een afstand van ten minste 3 meter vanaf de perceelsgrens met [locatie 2]. De afstand tussen de woning op dat perceel en het bouwvlak is ongeveer 10 meter.

3.1. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van hetgeen het wijzigingsplan mogelijk maakt binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke regeling is gerechtvaardigd.

De Afdeling overweegt dat SWA heeft kenbaar gemaakt dat zij voornemens is om op het perceel aan de zijde van [locatie 3] een ontsluitingsweg te realiseren. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat in het naar voren gebrachte alternatief geen reden lag om het wijzigingsplan ten opzichte van het initiatief van SWA gewijzigd vast te stellen. Gezien de, voor de wijk niet ongebruikelijke, afstand tussen het voorziene bouwvlak en de woning aan de [locatie 2] en het feit dat het een bebouwde omgeving betreft, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bebouwing die het wijzigingsplan mogelijk maakt niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van het woongenot van [appellant A] en [appellant B]. Dat een andere plaatsing van het bouwvlak voor [appellant A] en [appellant B] wellicht minder gevolgen zou hebben gehad, maakt dat niet anders.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Van Leening

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

545-808.