Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401918/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het algemeen bestuur aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van de woning op de tweede verdieping in het gebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel), het realiseren van twee muurdoorbraken in die woning en het creëren van een zelfstandige woning op de zolderverdieping van het gebouw op het perceel.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Bouwbesluit 2003
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1169
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6504

Uitspraak

201401918/1/A1.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2014 in zaak nr. 13/1518 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid, thans het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Zuid (hierna: het algemeen bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2012 heeft het algemeen bestuur aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor het renoveren van de woning op de tweede verdieping in het gebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel), het realiseren van twee muurdoorbraken in die woning en het creëren van een zelfstandige woning op de zolderverdieping van het gebouw op het perceel.

Bij besluit van 12 februari 2013 heeft het algemeen bestuur het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 14 mei 2012 herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 28 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het algemeen bestuur heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2014, waar [appellant], vergezeld door C.B. Kwaaitaal en bijgestaan door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, en het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. G. van der Kuil, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is [belanghebbende], vergezeld door R. Wassenburg, ter zitting gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, betreffende het bouwen van een bouwwerk, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet.

2. Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003, zoals dat luidde ten tijde van belang, behoeft aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, niet te worden voldaan, voorzover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

Ingevolge artikel 1.11, eerste lid, kunnen burgemeester en wethouders bij het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk ontheffing verlenen van een bij of krachtens dit besluit vastgesteld voorschrift omtrent het bouwen van een bouwwerk tot het niveau van de desbetreffende voorschriften voor een bestaand bouwwerk, tenzij bij het voorschrift anders is aangegeven.

Ingevolge artikel 2.157, eerste lid, beginnen ter plaatse van een toegang van een subbrandcompartiment ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen.

Ingevolge het derde lid kunnen, in afwijking van het eerste lid, de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.

Ingevolge het vijfde lid kan, in afwijking van het derde lid, het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen indien de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m², geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfunctie hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m².

3. De op de vierde verdieping van het pand gelegen vloer ligt op 12,95 m boven het meetniveau en derhalve hoger dan 12,5 m. Onder deze omstandigheden is in beginsel op grond van artikel 2.157 een tweede vluchtweg vereist, tenzij wordt voldaan aan de uitzondering zoals omschreven in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 of het algemeen bestuur bereid is ontheffing te verlenen van artikel 2.157.

4. Het algemeen bestuur hanteert het "Beleid tweede vluchtweg". Volgens dat beleid geldt als algemene richtlijn dat geen sprake mag zijn van een achterwoning of andere onbereikbare woning. In het beleid is in dit verband toegelicht dat de woning rechtstreeks vanaf de openbare weg bereikbaar moet zijn voor de brandweer.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het algemeen bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan voorziet in het creëren van twee onzelfstandige woonruimtes. Hij voert daartoe aan dat de aanvraag ziet op het creëren van één woning. Deze woning heeft één entree, één badkamer en één toilet. Dat er twee pantry's zijn ingetekend op de bouwtekening doet daar niet aan af. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte de feitelijke situatie betrokken bij de vraag waarop de aanvraag betrekking heeft en bovendien miskend dat in de huidige situatie de zolderverdieping is ingericht en in gebruik is als een zelfstandige woning.

5.1. [appellant] heeft een aanvraag ingediend voor het wijzigen van de zolderverdieping. Op de aan de aanvraag ten grondslag gelegde bouwtekening van de zolderverdieping, laatstelijk gewijzigd in april 2012, is een hal ingetekend, die vanuit het trappenhuis bereikbaar is door een toegangsdeur. Vanuit die hal zijn twee kamers te bereiken, beide voorzien van een pantry. De kamer aan de voorkant van het pand heeft een oppervlakte van 20 m² en de kamer aan de achterkant heeft een oppervlakte van 16,6 m². Vanuit de hal zijn voorts een toilet en een badkamer bereikbaar.

Gelet op de indeling van de zolderverdieping op deze tekening is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de aanvraag voorziet in het realiseren van twee onzelfstandige woonruimtes, waarbij de bewoners elk een eigen kamer met pantry tot hun beschikking hebben en het gebruik van het toilet en de badkamer delen. Dat de zolderverdieping op dit moment door één persoon wordt gebruikt, doet daar niet aan af. Het betoog faalt.

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan voldoet aan de in het Beleid tweede vluchtweg vermelde eisen. Hij voert daartoe aan dat de achterste kamer rechtstreeks bereikbaar is vanaf de openbare weg. Er zitten volgens hem geen sloten op de deuren en hij zal er op toezien dat die niet worden geplaatst.

6.1. Volgens het beleid geldt als algemene richtlijn dat geen sprake mag zijn van een vanaf de openbare weg voor de brandweer onbereikbare achterwoning. Zoals hiervoor is overwogen, voorziet het bouwplan in twee onzelfstandige woningen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het algemeen bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat één van deze woningen is gelegen aan de achterzijde van het pand en niet rechtstreeks vanaf de voorzijde van het pand door de brandweer bereikbaar is, zodat niet aan de voorwaarde van het beleid wordt voldaan. De rechtbank heeft in de stelling van [appellant] dat de binnendeuren niet van sloten zijn voorzien terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel. Zij heeft daarbij het algemeen bestuur kunnen volgen in diens standpunt dat het aannemelijk is dat bij de bewoners een privacy behoefte zal bestaan en sloten zullen worden geplaatst op de binnendeuren. Zij heeft daarbij voorts kunnen betrekken dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij afdoende kan garanderen dat geen sloten op de deuren zullen worden plaatst. Het betoog faalt.

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat met het plaatsen van geschakelde rookmelders sprake is van een gelijkwaardige oplossing als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003. Hij wijst in dit verband op een e-mailbericht van G. Ruiter, werkzaam als adviseur bij MABR Brandveilig.

7.1. Dit betoog faalt. Artikel 2.157 van het Bouwbesluit 2003 heeft volgens de nota van toelichting als doel te waarborgen dat er vanuit een subbrandcompartiment veilige vluchtmogelijkheden zijn voor het geval van brand. Als hoofdregel geldt dat er vanaf de toegang moet kunnen worden gevlucht via twee verschillende rookvrije vluchtroutes (stb. 2001, 401, blz. 230). Zoals hiervoor onder 3 is overwogen, kan in beginsel niet op grond van artikel 2.157, vijfde lid, van deze hoofdregel worden afgeweken.

In aanmerking genomen de ter zitting van de Afdeling door het algemeen bestuur gegeven toelichting, is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank in het aangevoerde terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van geschakelde rookmelders in dit geval geen gelijkwaardig alternatief biedt voor het vereiste van een tweede vluchtweg, nu rookmelders zonder meer al vereist zijn en de aanwezigheid van geschakelde rookmelders niet betekent dat de bewoners van de twee woningen bij brand veilig via de enige aanwezige vluchtroute naar beneden kunnen vluchten. Het betoog faalt.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Pieters

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

473.