Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:397

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201302162/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Montferland" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet aanpassing bestuursprocesrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/229
ABkort 2014/80
H.J. de Vries annotatie in TBR 2014/47

Uitspraak

201302162/1/R2.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Didam, gemeente Montferland,

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen Montferland" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [appellante B] en bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door P.Th.M. Overbeek en ing. L.J. van Ree-van Oyen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Met het plan wordt beoogd een aantal verouderde bestemmingsplannen die zien op zeven bedrijventerreinen in Didam en ‘s-Heerenberg te actualiseren. Het plan is overwegend conserverend van aard.

3. [appellanten] kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover dit betrekking heeft op de milieuzonering van het deelgebied De Fluun II, een bedrijventerrein in Didam. Zij betogen daartoe dat het gebied ten noorden van de Lichtenhorststraat in dit deelgebied bestemd is voor bedrijven van maximaal milieucategorie 3.2, en het gebied ten zuiden van de Lichtenhorststraat voor bedrijven van maximaal milieucategorie 4.1, terwijl daarbij niet aan de richtafstanden tot omliggende woningen aan de Oude Beekseweg zoals die volgen uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure) kan worden voldaan. Voorts gaat de raad er daarbij ten onrechte vanuit dat de woningen ter plaatse van de Oude Beekseweg in een gemengd gebied liggen, aldus [appellanten]. Zij verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2001, in zaak nr. E01.98.0577, en het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten van Gelderland van 28 juli 1998 nr. RE 98.2604, waaruit naar hun mening volgt dat de omgeving rond de Oude Beekseweg dient te worden getypeerd als rustige woonomgeving. Ook wijzen zij erop dat de omgeving van de Oude Beekseweg louter een woonfunctie heeft en dat andere functies niet voorkomen in dit gebied. [appellanten] voeren verder aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat niet is gebleken van nut en noodzaak om van de VNG-brochure af te wijken.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste zoals dat is neergelegd in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hier van toepassing is.

3.2. Vaststaat dat het besluit op 30 januari 2013 bekend is gemaakt. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (hierna: de Wab) in werking getreden. Op het besluit is het recht, zoals dat geldt sinds 1 januari 2013 van toepassing.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

[appellanten] voeren bezwaren aan met betrekking tot de milieuzonering van de bedrijven die zich op het bedrijventerrein de Fluun II bevinden. Zij vrezen ten gevolge van de aan de bedrijven toegekende milieucategorisering voor overlast ter plaatse van de bestaande woningen aan de Oude Beekseweg, nu niet aan de richtafstanden zoals die volgen uit de VNG-brochure is voldaan. De bezwaren met betrekking tot de woningen aan de Oude Beekseweg zien niet op de woningen van [appellanten], die verderop in het centrumgebied van Didam liggen. De bezwaren ten aanzien van de bestaande woningen hebben dan ook geen betrekking op het eigen belang van [appellanten]. De afstandsnormen uit de VNG-brochure hebben in relatie tot de bestaande woningen aan de Oude Beekseweg niet de strekking het eigen belang van [appellanten] te beschermen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgronden buiten beschouwing zal laten, nu artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd.

3.3. Ter zitting hebben [appellanten] aangevoerd dat zij ter plaatse van de Oude Beekseweg een landbouwperceel in eigendom hebben. Voor dit perceel hebben zij al langere tijd woningbouwplannen, die zij op termijn wensen te realiseren.

Het vorenstaande maakt dat [appellanten] vanwege het plan vrezen voor nadelige gevolgen ten aanzien van ontwikkelingen op gronden waarop zij rechten hebben. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de door [appellanten] ingeroepen normen voor zover het hun landbouwperceel betreft kennelijk niet strekken ter bescherming van hun belang.

3.3.1. De raad heeft gesteld dat woningbouw ter plaatse van het landbouwperceel is uitgesloten. Voor wat betreft de bedrijven op het bedrijventerrein De Fluun II is er voorts geen sprake van een verruimde milieuzonering, maar van een beperking ten opzichte van wat het vorige plan mogelijk maakte, aldus de raad.

3.3.2. Vaststaat dat het plan niet op het landbouwperceel van [appellanten] aan de Oude Beekseweg ziet. Niet in geschil is dat woningbouw op het landbouwperceel thans niet mogelijk is, gelet op de bestemming "Agrarisch" die aan het perceel in het daarvoor geldende bestemmingsplan "Woonwijken Didam", vastgesteld door de raad op 28 juni 2012, is toegekend. Verder is niet gebleken van concrete plannen van [appellanten] tot woningbouw op hun landbouwperceel. Gelet hierop heeft de raad bij afweging van de belangen een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen van de op het bedrijventerrein De Fluun II aanwezige bestaande bedrijven dan aan de belangen van [appellanten] bij eventuele woningbouw op hun landbouwperceel. Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande, is het beroep ongegrond.

4.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Broekman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

12-704.