Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401834/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2013, kenmerk RWS-2013/62889, heeft de minister het projectplan "Zomerbedverlaging Beneden-IJssel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6494
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401834/1/R6.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], waarvan de maten zijn [maat 1A] en [maat 1B], gevestigd te Zalk, gemeente Kampen, (hierna: [appellante sub 1]),

2. [appellante sub 2], waarvan de maten zijn [maat 2A] en [maat 2B], gevestigd te Zalk, gemeente Kampen, (hierna: [appellante sub 2]),

en

1. de minister van Infrastructuur en Milieu,

2. de staatssecretaris van Economische Zaken,

3. het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

4. het college van burgemeester en wethouders van Kampen,

5. het dagelijks bestuur van het Waterschap Groot Salland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2013, kenmerk RWS-2013/62889, heeft de minister het projectplan "Zomerbedverlaging Beneden-IJssel" vastgesteld.

Ten behoeve dan wel ter uitvoering van het projectplan zijn onder meer de hieronder genoemde besluiten genomen.

Bij besluit van 18 november 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan Rijkswaterstaat een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Bij besluit van 19 december 2014, kenmerk DGNR-RRE/13180835, heeft de staatssecretaris een vergunning verleend krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor de zomerbedverlaging en de herinrichting van de uiterwaarden van de IJssel.

Tegen het projectplan en deze uitvoeringsbesluiten hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 2] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2014, waar [appellante sub 2], in de persoon van maat 2A], bijgestaan door B. Lowijs, werkzaam bij Lowijs Advies, het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, mr. R.D. Reinders, mr. L. van der Meulen, allen advocaat te Den Haag, ing. R. Jager, ing. J. Vosselman, M.A. Schipper en R. Provoost, het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door Aerts, Reinders en Van der Meulen, voornoemd, ing. L. Bruinsma, ing. P. Jesse, ing. J.J.M. Verheij, T.G.J. van Hattum, ir. J. Olthof, ir. P.J.H. Buskens, ing. H.J. van Leeuwen, ir. P. Nijhout en ir. M.G. Steenvoorden, het dagelijks bestuur, de minister en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door Aerts, Reinders en Van der Meulen voornoemd, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van artikel 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). De besluiten zijn vervolgens gelijktijdig bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd te oordelen over geschillen waarop artikel 3.35, eerste lid, van de Wro van toepassing is.

2. Het project strekt ter uitvoering van de Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier". Het projectplan en de uitvoeringsbesluiten voorzien in de vergraving van het zomerbed van de IJssel over een lengte van 7,5 km, tussen de Molenbrug bij Kampen en de Eilandbrug bij de monding van de rivier. Hiermee wordt een verlaging van de waterstand beoogd. Het projectplan strekt tevens tot het leveren van een bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het projectgebied. Hiertoe wordt onder meer voorzien in de opwaardering van de uiterwaarden van de IJssel, waarmee een versterking van de natuur- en landschapswaarden wordt nagestreefd.

Het beroep van [appellante sub 1]

3. [appellante sub 1] exploiteert een melkrundveehouderij op het perceel [locatie 1] in Zalk. Zij betoogt dat de omgevingsvergunning leidt tot een ernstige beperking van haar bedrijfsvoering. De omgevingsvergunning heeft tot gevolg dat een deel van de door [appellante sub 1] gepachte gronden in de uiterwaard Zalkerbosch onttrokken wordt aan de agrarische bedrijfsvoering. Het gaat om een oppervlakte van 11 ha. Volgens [appellante sub 1] dient de herinrichting van de uiterwaarden enkel het belang van de natuurontwikkeling. De herinrichting is niet noodzakelijk voor de veiligheid bij overstromingen. De gewenste natuurontwikkeling kan ook worden bereikt door minder belastende maatregelen. [appellante sub 1] is bereid om het agrarische gebruik van haar gronden aan te passen teneinde de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te versterken.

3.1. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat de maatregelen die gericht zijn op de opwaardering van de uiterwaarden tot gevolg hebben dat een deel van de gronden die thans door [appellante sub 1] worden gepacht niet meer gebruikt kan worden voor agrarische activiteiten. Volgens het college van burgemeester en wethouders zijn de door [appellante sub 1] voorgestane maatregelen niet mogelijk, omdat de beoogde natuurontwikkeling niet kan worden gecombineerd met een agrarisch gebruik van de gronden.

3.2. In het bestemmingsplan "Uiterwaarden" vastgesteld door de raad van de gemeente Kampen op 25 september 2003 was aan de door [appellante sub 1] in de uiterwaard Zalkerbosch gepachte gronden de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden" toegekend.

Ingevolge artikel 5, onder A, van de planvoorschriften waren deze gronden bestemd voor:

- de uitoefening van het agrarisch bedrijf […];

- het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, zoals deze tot uitdrukking komen in het verkavelingspatroon, de openheid dan wel de relatieve openheid (half open landschap), het (micro-)reliëf, het beplantingspatroon, de wateroppervlakten (met name in de vorm van kolken), de flora en de fauna;

[…].

3.3. In afwijking van het bestemmingsplan "Uiterwaarden" voorziet de omgevingsvergunning in een gebruik van de door [appellante sub 1] gepachte gronden voor de ontwikkeling van de natuurtypen hardhoutooibos, stroomdalgrasland, natuurlijk grasland en plas-drassituaties en het omvormen van agrarisch beheer naar natuurbeheer ten behoeve van de instandhouding (beheer) van deze natuurtypen.

3.4. De uiterwaard Zalkerbosch maakt deel uit van het Natura 2000-gebied "Uiterwaarden IJssel". Het gebied is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103), zoals vervangen door Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010 L 20). Het gebied is tevens aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).

De instandhoudingdoelstellingen voor dit gebied hebben onder meer betrekking op de voor verzuring gevoelige habitattypen stroomdalgraslanden (H6120) en droge hardhoutooibossen (H91F0). Uit het aanwijzingsbesluit volgt dat voor beide habitattypen als doelstelling is opgenomen de uitbreiding van de oppervlakte en de verbetering van de kwaliteit. Blijkens het Profielendocument is de landelijke staat van instandhouding van beide habitattypen zeer ongunstig.

3.5. In het projectplan en de omgevingsvergunning staat dat voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het projectgebied de uiterwaarden meer ruimte krijgen, waardoor de bijzondere natuur- en landschapswaarden behouden blijven en worden versterkt. Daarbij is de insteek de landschappelijke en ecologische waarden ook beleefbaar te maken, door de recreatieve toegankelijkheid te vergroten. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door het treffen van uiterwaardmaatregelen.

De maatregelen voor de uiterwaard Zalkerbosch worden nader beschreven in het rapport "Deelrapport 1E: Uiterwaardmaatregelen" van Royal HaskoningDHV van oktober 2013 (hierna: rapport Uiterwaardmaatregelen). Hierin staat dat de maatregelen in de uiterwaard Zalkerbosch hoofdzakelijk zijn gericht op de ontwikkeling van twee beschermde en betrekkelijk zeldzame habitattypen: hardhoutooibos en stroomdalgrasland. Door het effect van de zomerbedverlaging verslechteren de condities voor deze habitattypen in de beneden-IJssel. Door middel van eenvoudige ingrepen zijn de condities in het Zalkerbosch ook na aanleg van de zomerbedverlaging zeer geschikt voor de ontwikkeling van hardhoutooibos en stroomdalgrasland. Voor de ontwikkeling van stroomdalgrasland dient de bovenste bodemlaag te worden afgegraven, waardoor de bodem voedselarmer wordt en de kalkrijke onderlaag aan de oppervlakte komt te liggen. Ook dient de aanvoer van fosfaat en stikstof te worden beëindigd. Hieruit volgt dat de bemesting van deze gronden gestaakt dient te worden. Voor de aanleg van het hardhoutooibos worden de graszoden omgeploegd en verwijderd. Het gebied wordt afgerasterd zodat de jonge bomen zich kunnen ontwikkelen. Een agrarisch (mede)gebruik van de gronden waarop het habitattype hardhoutooibossen wordt ontwikkeld is niet mogelijk.

Uit het voorgaande volgt dat het college van burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de beoogde ontwikkeling van de natuurfunctie niet verenigbaar is met het agrarisch gebruik van de door [appellante sub 1] gepachte gronden. Het college van burgemeester en wethouders heeft in redelijkheid het belang bij de ontwikkeling van zeldzame habitattypen in de uiterwaard Zalkerbosch zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van [appellante sub 1] bij een ongestoorde voortzetting van haar agrarische bedrijfsvoering. Het betoog faalt.

4. [appellante sub 1] betoogt dat in het kader van het projectplan ten onrechte niet voorzien is in compensatie van de schade die zij lijdt als gevolg van het verlies van landbouwareaal. De compensatie dient volgens haar te bestaan uit een volledige schadeloosstelling.

4.1. Volgens de minister wordt [appellante sub 1] gecompenseerd voor het verlies van haar landbouwgronden. Indien geen grondruil kan worden overeengekomen, zal aan [appellante sub 1] een financiële vergoeding worden aangeboden. De door [appellante sub 1] gepachte gronden zijn in eigendom van de (Rijks)overheid. Indien noodzakelijk, zal gebruik worden gemaakt van de wettelijke bevoegdheden de pachtovereenkomst zonder medewerking van [appellante sub 1] te doen beëindigen. De wet voorziet in dat geval in een recht op volledige schadeloosstelling, aldus de minister.

4.2. In artikel 7:377, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), is bepaald dat, indien de verpachter het verpachte of een gedeelte daarvan wil bestemmen voor niet tot de landbouw betrekkelijke doeleinden, en die bestemming in overeenstemming is met het algemeen belang, de rechter op vordering van de verpachter de pachtovereenkomst geheel of ten dele ontbindt met ingang van een bij de uitspraak te bepalen dag. De voorgenomen bestemming wordt geacht in overeenstemming met het algemeen belang te zijn, indien zij in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan.

Ingevolge het derde lid geldt dat indien de rechter de pachtovereenkomst op grond van het eerste lid ontbindt, hij de verpachter veroordeelt de pachter schadeloos te stellen over de tijd, welke de pachter bij niet-ontbinding ingevolge de pachtovereenkomst nog op het gepachte had kunnen blijven.

4.3. De wet voorziet in artikel 7:377 van het BW in de mogelijkheid de pachtovereenkomst zonder medewerking van de pachter te beëindigen. De aard en omvang van de financiële compensatie komt aan de orde in het kader van de eventuele procedure ter beëindiging van de pachtovereenkomst. Voor zover nodig bestaat derhalve voor [appellante sub 1] in dat kader reeds de mogelijkheid haar aanspraken, voor zover rechtens aanwezig, geldend te maken. Reeds gelet daarop behoefde de financiële compensatie niet te worden vastgelegd gelijktijdig met het projectplan. Het betoog faalt.

5. [appellante sub 1] heeft in het beroepschrift verder verwezen naar de inhoud van haar zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellante sub 1] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 1] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 2]

7. [appellante sub 2] betoogt dat de ontwikkeling van het beschermde habitattype stroomdalgraslanden in de uiterwaard Zalkerbosch leidt tot een ernstige beperking van de exploitatiemogelijkheden van haar veehouderij, gevestigd op en in de directe nabijheid van het perceel [locatie 2] in Zalk. Zij voert hiertoe aan dat stroomdalgrasland erg gevoelig is voor stikstof. Uit het rapport "Stikstofdepositie en ontwikkelkansen natuur in Zalkerbosch" (hierna: Rapport stikstofdepositie) dat deel uitmaakt van het rapport "Zomerbedverlaging Beneden IJssel, passende beoordeling" van Royal HaskoningDHV van mei 2013" (hierna: passende beoordeling), volgt dat in de uiterwaard Zalkerbosch de kritische depositiewaarde voor dit habitattype wordt overschreden. De overschrijding is volgens [appellante sub 2] groter dan berekend in het Rapport stikstofdepositie, omdat geen rekening is gehouden met onder meer de gevolgen van bemesting. De ontwikkeling van stroomdalgrasland is alleen mogelijk indien maatregelen worden genomen ter verlaging van de achtergronddepositie tot onder de kritische depositiewaarde. [appellante sub 2] vreest dat het bevoegd gezag beperkingen zal opleggen aan haar bestaande bedrijfsvoering, indien blijkt dat het habitattype stroomdalgraslanden niet tot ontwikkeling kan komen. De omgevingsvergunning heeft verder tot gevolg dat een uitbreiding van de agrarische bedrijfsactiviteiten is uitgesloten, aldus [appellante sub 2].

7.1. Het college van burgemeester en wethouders stelt dat de ontwikkeling van stroomdalgrasland in de uiterwaard Zalkerbosch geen gevolgen heeft voor de bestaande bedrijfsvoering van [appellante sub 2]. De gronden van [appellante sub 2] maken geen deel uit van het projectgebied, zodat zij haar bestaande activiteiten ongewijzigd kan voortzetten. De uitbreidingsmogelijkheden van [appellante sub 2] worden volgens het college van burgemeester en wethouders reeds beperkt door de aanwezigheid van het habitattype stroomdalgaslanden in de uiterwaard Vreugderijkerwaard.

7.2. In het Rapport stikstofdepositie staat dat de kritische depositiewaarde voor het habitattype stroomdalgraslanden 1250 mol/ha/jaar bedraagt. De achtergronddepositie in de uiterwaard Zalkerbosch bedraagt ongeveer 1800 mol/ha/jaar. Dit betekent dat in de uiterwaard Zalkerbosch de kritische depositiewaarden voor het habitattype stroomdalgraslanden wordt overschreden.

7.3. Niet in geschil is dat het habitattype stroomdalgraslanden feitelijk niet aanwezig is in de uiterwaard Zalkerbosch. De omgevingsvergunning heeft tot doel de ontwikkeling van dit habitattype planologisch te faciliteren. In de noordoostelijke hoek van de uiterwaard Zalkerbosch worden de noodzakelijke abiotische condities geschapen voor de ontwikkeling van het habitattype stroomdalgraslanden. Dit betreft onder meer het verwijderen van de bovenste grondlaag, zodat de kalkhoudende laag aan de oppervlakte komt. De afstand tussen de gronden van [appellante sub 2] en het gebied waarin het stroomdalgrasland zal worden ontwikkeld bedraagt ongeveer 750 m. Het habitattype stroomdalgraslanden komt voor in de uiterwaard Vreugderijkerwaard, ten oosten van de IJssel. Het areaal ter plaatse heeft een oppervlakte van ongeveer 6 ha. De afstand tussen de gronden van [appellante sub 2] en het bestaande stroomdalgrasland bedraagt ongeveer 1 km.

7.4. De omgevingsvergunning heeft geen betrekking op de gronden van [appellante sub 2]. Deze gronden maken geen deel uit van het projectgebied.

7.5. Het college van burgemeester en wethouders heeft ter zitting toegelicht dat [appellante sub 2] in of omstreeks 2013 onderzoek heeft laten verrichten naar haar uitbreidingsmogelijkheden. Uit dit onderzoek is gebleken dat reeds vanwege de aanwezigheid van stroomdalgrasland in de uiterwaard Vreugderijkerwaard het bedrijf van [appellante sub 2] niet kan uitbreiden. [appellante sub 2] heeft deze toelichting niet weersproken. Zij heeft gesteld dat de omgevingsvergunning tevens voorziet in de beëindiging van een agrarisch bedrijf op het perceel [locatie 3] in Zalk, in de directe nabijheid van het gebied waarin het stroomdalgrasland zal worden ontwikkeld. Als gevolg hiervan wordt [appellante sub 2] een mogelijkheid ontnomen om in de toekomst zelf de emissierechten van dit bedrijf te verkrijgen en deze emissierechten bij wijze van saldering als bedoeld in artikel 19kd, eerste lid, onder b, van de Nbw 1998 in te zetten voor de verhoging van de stikstofuitstoot van haar eigen bedrijf. De Afdeling is van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders in redelijkheid geen rekening behoefde te houden met de omstandigheid dat [appellante sub 2] in zoverre een potentiële salderingsmogelijkheid wordt ontnomen, reeds omdat niet gebleken is van een concreet uitbreidingsvoornemen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

7.6. In het Rapport stikstofdepositie staat dat naar verwachting de achtergronddepositie in de uiterwaard Zalkerbosch zal dalen tot ongeveer 1520-1570 mol/ha/jaar in 2015 en tot ongeveer 1400-1450 mol/ha/jaar in 2030. Deze waarde ligt weliswaar boven de kritische depositiewaarde, maar volgens het college van burgemeester en wethouders betekent een overschrijding niet dat de ontwikkeling van stroomdalgrasland niet mogelijk is. Andere factoren zijn mede bepalend. In de passende beoordeling staat in dit verband dat het stroomdalgrasland in de uiterwaard Zalkerbosch naar verwachting tot ontwikkeling kan komen. Na het verwijderen van de bovenste grondlaag wordt de beschikbaarheid van fosfor verminderd en wordt de kalkrijke ondergrond aan de oppervlakte gebracht. De oeverwallen in de dynamische bocht van de IJssel zijn wat betreft de hoogteligging, bodemopbouw en morfologie geschikt voor stroomdalgrasland. In de passende beoordeling staat verder dat op andere plekken in het rivierengebied pioniersstadia van stroomdalgrasland tot ontwikkeling zijn gekomen, ondanks de overschrijding van de kritische depositiewaarde.

In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de enkele omstandigheid dat de achtergrondbelasting in het projectgebied de kritische depositiewaarde overstijgt, niet betekent dat nieuw stroomdalgrasland niet tot ontwikkeling kan komen. Het betoog faalt.

7.7. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college van burgemeester en wethouders zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling van nieuw stroomdalgrasland in de uiterwaard Zalkerbosch niet zal leiden tot rechtens niet aanvaardbare beperkingen van de exploitatiemogelijkheden van het bedrijf van [appellante sub 2].

8. [appellante sub 2] betoogt dat de ontwikkeling van stroomdalgrasland alleen mogelijk is indien de bemesting van de gronden in het projectplangebied wordt gestaakt en aan de beweiding beperkingen worden gesteld. Hiertoe hadden voorschriften opgenomen dienen te worden in de omgevingsvergunning, aldus [appellante sub 2].

8.1. Uit de omgevingsvergunning volgt dat voor de ontwikkeling en instandhouding van stroomdalgrasland natuurbeheer noodzakelijk is en dat het agrarische gebruik van de gronden gestaakt dient te worden. Dit betekent dat de bemesting en de beweiding van gronden in de uiterwaard Zalkerbosch op grond van de omgevingsvergunning niet is toegelaten, nu deze activiteiten gekwalificeerd dienen te worden als een agrarisch gebruik van de gronden. Gelet hierop is het opnemen van specifieke voorschriften in de omgevingsvergunning niet noodzakelijk. Het betoog faalt.

9. [appellante sub 2] betoogt dat de passende beoordeling onjuistheden bevat en dat deze niet ten grondslag gelegd had mogen worden aan de Nbw-vergunning. Volgens haar is de beoogde beëindiging van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 3] ten onrechte aangemerkt als een salderingsmaatregel in de zin van artikel 19kd, eerste lid, onder b, van de Nbw 1998, nu deze bedrijfsbeëindiging niet zeker is gesteld.

[appellante sub 2] betoogt verder dat de staatssecretaris de ontwikkeling van stroomdalgrasland in de uiterwaard Zalkerbosch ten onrechte heeft aangemerkt als een mitigerende maatregel. [appellante sub 2] betoogt verder dat de in de Nbw-vergunning vastgelegde voorschriften onvoldoende zijn om de ontwikkeling van stroomdalgrasland mogelijk te maken.

9.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten.

Ingevolge artikel 19f, eerste lid, maakt de initiatiefnemer voor projecten waarover het college van gedeputeerde staten een besluit op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, neemt, en die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het college van gedeputeerde staten een besluit neemt, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven op grond van artikel 19f, eerste lid, een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien het college van gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

Ingevolge artikel 19i zijn in de gevallen waarin de minister bevoegd is te besluiten op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, de artikelen 19e, 19f, 19g en 19h van overeenkomstige toepassing.

9.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201306580/1/R6 hebben de bepalingen van de Nbw 1998 met name ten doel om het algemene belang van bescherming van natuur en landschap te beschermen. Het belang waarvoor [appellante sub 2] in deze procedure bescherming zoekt is haar belang bij een ongestoorde voortzetting van haar agrarische activiteiten. Dit betreft een bedrijfseconomisch belang. De Afdeling is van oordeel dat de betrokken normen van de Nbw 1998 kennelijk niet strekken tot de bescherming van de bedrijfseconomische belangen van [appellante sub 2]. De beroepsgronden van [appellante sub 2] die gericht zijn tegen de Nbw-vergunning kunnen niet leiden tot vernietiging van dat besluit. De Afdeling ziet daarom af van een bespreking van deze beroepsgronden.

10. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] ongegrond.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Polak w.g. Melse

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

191-739.