Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401445/1/A4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:67, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college [appellant sub 2] krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor twee sleufsilo's op het perceel aan de [locatie] te Haghorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401445/1/A4.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek,

2. [appellant sub 2], wonend te Haghorst, gemeente Hilvarenbeek,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 januari 2014 in zaak nr. 13/2770 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft het college [appellant sub 2] krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor twee sleufsilo's op het perceel aan de [locatie] te Haghorst.

Bij besluit van 5 maart 2013 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 januari 2014 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2013 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 10 oktober 2014 gevoegd behandeld met zaak nr. 201402081/1/A4, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J. Gielen en B. Brok, werkzaam bij de gemeente Hilvarenbeek, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. P.R. Botman, advocaat te Tilburg, en ing. C.A.M. Spapens, werkzaam bij R&S Advies B.V., zijn verschenen. Voorts is ter zitting [wederpartij], bijgestaan door mr. J.T.F. van Berkel, gehoord. Na zitting is de behandeling van de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Voor het realiseren van de twee sleufsilo’s op het perceel heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor enerzijds het bouwen van de sleufsilo’s (op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo) en anderzijds voor het door plaatsing van de sleufsilo’s veranderen van de inrichting van [appellant sub 2] (op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e van de Wabo). Bij het besluit op bezwaar is deze vergunning gehandhaafd.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd omdat het college zou hebben miskend dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied" alleen binnen de bestemming "Agrarisch bouwblok" de bouw van sleufsilo’s toelaat, terwijl deze sleufsilo’s gedeeltelijk buiten deze bestemming zijn gelegen.

2. De grond dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen om het bouwplan aan te passen, heeft [appellant sub 2] ter zitting ingetrokken.

3. Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de sleufsilo’s ingevolge artikel 10.2.4 van de planvoorschriften ook buiten het bouwblok mogen worden gebouwd.

3.1. Niet in geschil is dat ingevolge het bestemmingsplan op de locatie waarop de sleufsilo’s zijn gesitueerd gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch gebied" en gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch bouwblok" rust.

In artikel 10.2.4 zijn regels gegeven over de hoogte van bouwwerken binnen de bestemming "Agrarisch bouwblok". Bij de hierover in het voorschrift opgenomen tabel is bij sleufsilo’s vermeld: "Sleufsilo’s mogen op een afstand van maximaal 10 m uit een "Agrarisch bouwblok" gesitueerd worden, mits het gronden betreft met de bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden" of "Agrarisch gebied"."

3.2. Hoewel de laatstgenoemde bepaling is opgenomen in artikel 10.2.4 over de bestemming "Agrarisch bouwblok", kan deze - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - niet anders worden begrepen dan dat met deze bepaling mede regels zijn gesteld over de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschapswaarden" en "Agrarisch gebied".

De bepaling moet naar het oordeel van de Afdeling aldus worden begrepen, dat de sleufsilo ook buiten een agrarisch bouwblok mag liggen, zij het dat de silo wel in de nabijheid - op maximaal 10 m - van dit bouwblok gesitueerd dient te worden. In de bepaling kan de Afdeling niet de door [wederpartij] veronderstelde beperking lezen dat de sleufsilo’s geheel binnen een strook van 10 m rondom het bouwblok moeten liggen.

Niet in geschil is dat de silo’s niet buiten een afstand van 10 m van het bouwblok zijn gesitueerd, reeds omdat zij gedeeltelijk binnen het bouwblok liggen. Gezien artikel 10.2.4 van de planvoorschriften, verzet het bestemmingsplan zich niet tegen de bouw van de sleufsilo’s. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat strijd met het bestemmingsplan bestaat.

Het betoog slaagt.

4. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige beroepsgronden van [wederpartij] tegen de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning behandelen.

5. [wederpartij] betoogt dat het college ten onrechte een omgevingsvergunning voor verandering van de inrichting heeft verleend. In dat verband betoogt hij dat de sleufsilo’s op een andere locatie zijn gesitueerd dan de in de eerder voor de inrichting verleende vergunning opgenomen locatie, en het college niet heeft onderzocht wat de gevolgen voor het milieu van de verandering zijn.

5.1. De omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, wordt ingevolge artikel 2.14, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 3.10, derde lid, van de Wabo, voor zover hier van belang, verleend indien de verandering niet leidt tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan volgens de geldende omgevingsvergunning is toegestaan.

5.2. De omgevingsvergunning is verleend voor het veranderen van de eerder vergunde inrichting, en wijkt daarmee - zoals [wederpartij] op zichzelf terecht heeft geconstateerd - af van de eerder verleende vergunning. Dit is gezien het hiervoor weergegeven wettelijke kader geen grond voor weigering van de vergunning.

Het college heeft bij het nemen van het besluit tot vergunningverlening uitgebreid gemotiveerd dat er wat de relevante milieuaspecten betreft geen andere of grotere milieugevolgen zijn dan volgens de eerder verleende vergunning zijn toegestaan. De enkele stelling van [wederpartij] dat deze conclusie niet op voldoende onderzoek berust, maakt niet aannemelijk dat het college zich niet op goede gronden op dit standpunt heeft gesteld.

Het betoog faalt.

6. De grond dat het college de aanvraag op grond van artikel 3.3 van de Wabo had moeten aanhouden, heeft [wederpartij] ter zitting ingetrokken.

7. [wederpartij] betoogt tot slot, zo begrijpt de Afdeling, dat bij de verlening van de vergunning voor het bouwen ten onrechte de inpassing in het landschap niet is onderzocht.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, kan de vergunning enkel worden geweigerd vanwege, kort weergegeven, strijdigheid met het Bouwbesluit, de bouwverordening, het ter plaatse geldende bestemmingsplan of de redelijke eisen van welstand. Gezien dit kader, heeft [wederpartij] ter zitting te kennen gegeven dat aan zijn betoog niet wordt toegekomen, zodat onderzoek daarnaar achterwege kon blijven.

Het betoog faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht brengt met zich dat het door [appellant sub 2] in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hem wordt terugbetaald.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 januari 2014 in zaak nr. 13/2770;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 493,00 (zegge: vierhonderddrieënnegentig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Van Sloten w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

262-769.