Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401257/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het college aan de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Noord Oost Achterhoek te Borculo bouwvergunning verleend voor het vergroten van een schoolgebouw op het perceel Zonnekamp 13 te Geesteren (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401257/1/A1.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] en [appellant D], allen wonend te Geesteren, gemeente Berkelland (hierna: [appellant] en anderen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 januari 2014 in zaak nr. 13/3967 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Berkelland.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het college aan de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Noord Oost Achterhoek te Borculo bouwvergunning verleend voor het vergroten van een schoolgebouw op het perceel Zonnekamp 13 te Geesteren (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 januari 2009 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, het besluit van 27 juni 2008 ingetrokken en de van rechtswege verleende bouwvergunning in stand gelaten.

Bij uitspraak van 31 maart 2010, in zaak nr. 09/211, heeft de rechtbank Zutphen het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 januari 2009 vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het college het besluit van 27 juni 2008 heeft herroepen en de van rechtswege verleende bouwvergunning in stand heeft gelaten, en het bezwaar gegrond verklaard, voor zover gericht tegen de weigering van het college om over te gaan tot vergoeding van de kosten die [appellant] en anderen in bezwaar hebben gemaakt.

Bij uitspraak van 29 december 2010, in zaak nr. 201004410/1/H1, heeft de Afdeling het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 31 maart 2010 vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 27 juni 2008 gemaakte bezwaar en dit bezwaar gegrond verklaard, voor zover het betrekking heeft op de strijdigheid met het bestemmingsplan en voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft in aanvulling op het besluit van 27 juni 2008 met toepassing van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) ontheffing verleend van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 14 januari 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 mei 2013 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2014, waar het college, vertegenwoordigd door G.J. Bomer, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het college heeft aan het besluit van 27 mei 2013, dat is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ten grondslag gelegd dat het bouwplan 0,25 cm buiten het bouwvlak is gelegen en derhalve in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Geesteren". Om medewerking te kunnen verlenen aan het realiseren van het bouwplan heeft het college met toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro, in samenhang gelezen met artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) ontheffing van het bestemmingsplan verleend.

2. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 27 mei 2013 in stand heeft gelaten. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat een vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is verleend, dan wel verleend zou moeten worden, omdat deze besluitvorming door de wetgever is toegekend aan een overheidsorgaan. Zij voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 20 van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro 1985). Volgens hen is van een uitbreiding als bedoeld in dat artikel geen sprake. Zij betogen verder dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven, omdat de rechtbank niet heeft overwogen dat zij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

[appellant] en anderen betogen voorts dat geen noodzaak bestond om af te wijken van het bestemmingsplan, omdat binnen het bouwvlak voldoende ruimte is voor het bouwplan. Volgens hen is het afwijken van het bestemmingsplan onevenredig en in strijd met het gemeentelijk beleid, dat gericht is op een stringente handhaving van het bestemmingsplan. Zij voeren aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van het bouwplan voor de waarde van hun woning, de lichtinval, schaduwhinder en privacy.

2.1. Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wro in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.11, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2008, 180; hierna: de Invoeringswet) wordt een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO gelijkgesteld met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.23 van de Wro.

Ingevolge het tweede lid blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend voor dat tijdstip.

2.2. Vast staat dat de aanvraag om bouwvergunning, die ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, mede wordt geacht een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO in te houden, dateert van voor 1 juli 2008. Gelet op artikel 9.1.11, tweede lid, van de Invoeringswet is daarop de WRO van toepassing. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college ten onrechte ontheffing krachtens artikel 3.23 van de Wro heeft verleend. Het heeft het besluit van 27 mei 2013 terecht vernietigd.

Nu ingeval een besluit wordt vernietigd, de rechtbank de mogelijkheden van finale geschilbeslechting dient te onderzoeken, heeft de rechtbank terecht onderzocht of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 27 mei 2013 in stand te laten. Niet in geschil is dat het college bevoegd is om krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling voor het bouwplan te verlenen, indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 20 van het Bro 1985. De rechtbank heeft bij haar beoordeling of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten, terecht ambtshalve getoetst of het bouwplan voldoet aan de vereisten voor het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO en terecht geconcludeerd dat daaraan wordt voldaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, anders dan [appellant] en anderen betogen, het bouwplan, dat een lokaal en een werkplek omvat, is aan te merken als een uitbreiding als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van het Bro 1985 van de bestaande school. Ook overigens is niet gebleken dat niet is voldaan aan de vereisten voor het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO.

Dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb niet heeft vermeld, betekent niet dat de rechtbank aan die wettelijke bevoegdheid geen toepassing zou kunnen geven. Anders dan [appellant] en anderen betogen, is hierin geen grond gelegen om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

2.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college gehouden is te beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. Dat het mogelijk was om het bouwplan binnen het bouwvlak te realiseren, zoals [appellant] en anderen betogen, is daarom niet van belang. Zij hebben voorts hun stelling dat het afwijken van het bestemmingsplan strijdig is met het gemeentelijk beleid, niet nader onderbouwd. Dat het gemeentelijk beleid is gericht op handhaving van het bestemmingsplan, zoals zij betogen, betekent niet dat het college niet bevoegd is om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van [appellant] en anderen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de overschrijding van het bouwvlak met 0,25 cm gering is, dat in de gevels van het bouwplan die naar de woningen van [appellant] en anderen zijn gericht, matglas is aangebracht en dat het college zich onbestreden op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan al enkele jaren in gebruik is en niet is gebleken van (geluid)overlast. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het bouwplan een onevenredige aantasting vormt van hun privacy en de lichtinval in hun woningen, dan wel dat het bouwplan een zodanige waardevermindering van hun woningen tot gevolg heeft, dat het college in verband daarmee in redelijkheid geen vrijstelling voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

2.4. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 27 mei 2013 terecht in stand gelaten.

De betogen falen.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, griffier.

w.g. Kranenburg w.g. Van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

651.