Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3960

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401117/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401117/1/R4.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DCB Energy B.V., gevestigd te Spijkenisse,

appellante,

en

de raad van de gemeente Binnenmaas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Binnenmaas" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft DBC beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C.E.M. Vaassen en K. van Gammeren, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een juridisch planologisch kader voor het landelijk gebied van Binnenmaas en is conserverend van aard.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. DCB betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.8, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) al op 23 december 2013 is gepubliceerd. De raad had toestemming moeten vragen aan het college van gedeputeerde staten voor het eerder bekendmaken dan na de in artikel 3.8, vierde lid, van de Wro bedoelde zes weken, aldus DCB.

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Het betoog faalt.

4. DCB kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover dit betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Agrarisch" dat ziet op haar gronden bij de carpoolplaats ten zuiden van de rotonde van de Provincialeweg N217 ter plaatse van de Kreekkade en de Oud-Heinenoordseweg. Zij voert hiertoe aan dat de raad ten onrechte heeft volstaan met het standpunt dat het plan conserverend is en met een onjuiste verwijzing naar eerdere besluitvorming van de raad, terwijl de raad ten tijde van het vaststellen van het plan bekend was met het voornemen van DCB om een duurzaam brandstofverkooppunt te realiseren. Bij haar zienswijze heeft DCB een ruimtelijke onderbouwing overgelegd waarin volgens haar is aangetoond dat het initiatief niet zal leiden tot aantasting van de landschappelijke waarden. Verder voert zij aan dat het brandstofverkooppunt passend is in het gemeentelijke, provinciale en Europese duurzaamheidsbeleid. Gelet hierop had de raad de door haar gewenste ontwikkeling in het plan moeten opnemen in plaats van te verwijzen naar een eventuele aparte procedure, aldus DCB.

4.1. De raad stelt dat ten tijde van het vaststellen van het plan onvoldoende zekerheid bestond over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het initiatief. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij met zijn verwijzing naar eerdere besluitvorming heeft bedoeld te verwijzen naar de inhoud van het eerder genomen principebesluit van het college van burgemeester en wethouders, en naar het advies van de raadscommissie met betrekking tot het open landschap. Het initiatief kan opnieuw worden beoordeeld als er een nieuwe aanvraag komt waarin wordt aangetoond dat het open landschap niet wordt aangetast. Hierbij zal sprake moeten zijn van een andere locatie, aldus de raad.

4.2. Het plan voorziet voor de gronden van DCB in de bestemming "Agrarisch". Vast staat dat deze bestemming niet voorziet in de mogelijkheid een brandstofverkooppunt te realiseren.

4.3. In bijlage 1 bij de plantoelichting (beleidskader) is vermeld dat op het grondgebied van de gemeente Binnenmaas de Structuurvisie Binnenmaas 2020 ‘Binnenmaas geeft je de ruimte!’, die is vastgesteld op 20 maart 2013 (hierna: de structuurvisie) van toepassing is. Voorts is daarin vermeld dat op grond van de structuurvisie geldt dat het open polderlandschap van de gemeente Binnenmaas hoofdzakelijk een agrarisch landschap is en blijft. Een gezonde agrarische sector zorgt als medebeheerder voor het open landschap en is van belang voor de biodiversiteit. Verspreid liggende glastuinbouwbedrijven op kwetsbare locaties zijn gesaneerd zodat het open karakter van het landschap wordt versterkt. Voorts volgt uit de structuurvisie dat solitaire bebouwing in het buitengebied niet wordt toegestaan om het open polderlandschap te behouden.

4.4. Niet in geschil is dat het concrete initiatief van DCB door de raad bij de vaststelling van het plan in ogenschouw is genomen. Het enkele feit dat DCB reeds in 2010 haar initiatief kenbaar heeft gemaakt en bij haar zienswijze een ruimtelijke onderbouwing van RBOI adviseurs ruimtelijke ordening, gedateerd 8 mei 2012, heeft overgelegd, rechtvaardigt op zichzelf niet het oordeel dat dit concrete initiatief ook in het plan dient te worden opgenomen. Weliswaar dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan met een concreet en tijdig kenbaar gemaakt initiatief rekening te houden, maar dit houdt slechts in dat de raad dient te bezien of dat initiatief strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en, gelet op alle daarbij betrokken belangen, in het bestemmingsplan kan worden opgenomen. Uit deze belangenafweging kan voortvloeien dat niet elk concreet initiatief ook in een bestemmingsplan wordt opgenomen.

Gezien hetgeen is vermeld in de structuurvisie is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het behoud van het open landschap dan aan het belang van DCB bij realisatie van de door haar gewenste ontwikkeling. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het initiatief van DCB dan ook niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het betoog dat de raad het brandstofverkooppunt ten onrechte niet in het plan heeft mogelijk gemaakt, faalt derhalve.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, griffier.

w.g. Van der Wiel w.g. Van Leening

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

545-808.