Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:396

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201301158/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:8188, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 april 2012 heeft de RDW een verzoek van [appellante] om het kentekenregister met terugwerkende kracht aan te passen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201301158/1/A1.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2012 in zaak nr. 12/4130 in het geding tussen:

[appellante]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2012 heeft de RDW een verzoek van [appellante] om het kentekenregister met terugwerkende kracht aan te passen, afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2012 heeft de RDW het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2012, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 november 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.M. van Angeren, advocaat te Amsterdam, en de RDW, vertegenwoordigd door mr. C. van der Berg, werkzaam bij de RDW, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wegenverkeerswet 1994, kan een kentekenbewijs, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels, ongeldig worden verklaard indien de eigenaar of houder van een voertuig onvrijwillig de beschikkingsmacht over dat voertuig heeft verloren, mits wordt voldaan aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde voorwaarden.

Ingevolge artikel 59, eerste lid, worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent het verval van de tenaamstelling in het kentekenregister. De tenaamstelling in het kentekenregister vervalt in ieder geval zodra het kentekenbewijs ongeldig is verklaard ingevolge artikel 58, tweede lid, onder e.

Ingevolge artikel 37, derde lid, aanhef en onder f, van het Kentekenreglement (hierna: het Kr), kan de RDW een kentekenbewijs ongeldig verklaren indien naar het oordeel van deze dienst blijkt dat de eigenaar of houder van het voertuig onvrijwillig het bezit of het houderschap van het voertuig heeft verloren.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder h, vervalt de tenaamstelling in het register zodra de RDW het kentekenbewijs ongeldig heeft verklaard, ingevolge artikel 37, derde lid.

2. [appellante] heeft op 5 augustus 2006 aangifte gedaan van diefstal van haar snorfiets met kenteken [..-...-.] (hierna: het voertuig). Bij brief van 23 maart 2012 heeft zij de RDW verzocht om met spoed te bewerkstelligen dat in het kentekenregister een registratie plaatsvindt inhoudende dat het voertuig met ingang van de aangiftedatum niet meer in haar bezit was, zodat voor haar met ingang van die datum met betrekking tot het voertuig geen verzekeringsplicht meer bestond en/of niet meer zal worden gecontroleerd of zij aan de verzekeringsplicht heeft voldaan.

3. De RDW heeft het kentekenbewijs voor het voertuig op 7 mei 2011 ongeldig verklaard, na het op dezelfde dag plaatsen van een zogeheten gestolensignaal in het kentekenregister van de RDW door de politie Amsterdam-Amstelland. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de RDW ten grondslag gelegd dat hij het beleid voert dat vervallenverklaring van de tenaamstelling in het kentekenregister door ongeldigverklaring van het rijbewijs in beginsel niet met terugwerkende kracht geschiedt. Wanneer het kentekenbewijs wel met terugwerkende kracht ongeldig wordt verklaard, wordt de suggestie gewekt dat de registratie op enig moment anders was dan zij in werkelijkheid is geweest. Hierdoor zou rechtsonzekerheid ontstaan ten aanzien van de tenaamstelling en registratie van het voertuig.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat in dit geval omstandigheden bestaan die afwijking van het door de RDW gevoerde beleid rechtvaardigen. Hiertoe voert zij aan dat zij tijdig aangifte van de diefstal heeft gedaan, dat die aangifte had moeten leiden tot aanpassing per die dag van de desbetreffende kentekenregistratie en dat de RDW dit ten onrechte heeft nagelaten. Nadat zij in 2011 bij brief van de RDW ervan op de hoogte was gesteld dat het op haar naam geregistreerde voertuig niet verzekerd was, heeft zij zich gemeld bij de politie, die naar aanleiding daarvan het voormelde gestolensignaal heeft geplaatst. Doordat het gestolensignaal niet met terugwerkende kracht per 5 augustus 2006 kon worden geplaatst, is [appellante] op zeker moment strafrechtelijk vervolgd wegens het onverzekerd zijn van het motorrijtuig. Hoewel zij bij mondeling vonnis van 12 januari 2012 door de kantonrechter is ontslagen van alle rechtsvervolging, acht zij niet uitgesloten dat zij, doordat het gestolensignaal tussen 5 augustus 2006 en 7 mei 2011 ten onrechte niet in het kentekenregister was opgenomen, opnieuw strafrechtelijk zal worden vervolgd, bijvoorbeeld doordat in die periode een aanrijding met het voertuig is veroorzaakt. Zij heeft er daarom, zo stelt zij, mede gelet op haar psychische gesteldheid - zij lijdt aan de persoonlijkheidsstoornis borderline en aan de stoornis ADHD - groot belang bij dat het kentekenregister met terugwerkende kracht wordt aangepast.

4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat niet kan worden geoordeeld dat het door de RDW gevoerde beleid om in beginsel geen terugwerkende kracht te verlenen aan met toepassing van artikel 40 van het Kr genomen besluiten, niet redelijk is. De zuiverheid van het kentekenregister en de rechtszekerheid van de tenaamstelling van voertuigen rechtvaardigen een dergelijk beleid (uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013 in zaak nr. 201208218/1/A3). Zoals de Afdeling in die uitspraak eveneens heeft overwogen, verleent de RDW terecht slechts bij hoge uitzondering terugwerkende kracht aan een besluit inhoudende de vervallenverklaring van de tenaamstelling van een voertuig.

4.2. De RDW heeft ter zitting verklaard dat door hem jaarlijks enkele malen wordt gecontroleerd of voor in het kentekenregister opgenomen motorvoertuigen een geldige verzekering is afgesloten, en dat, wanneer wordt vastgesteld dat een motorvoertuig als onverzekerd staat geregistreerd, de betrokkene daarover bij brief wordt bericht. De RDW heeft voorts, door [appellante] onweersproken, ter zitting desgevraagd verklaard dat [appellante] ook in de periode tussen de aangifte van de diefstal en de brief van 2011, door de RDW op vorenbedoelde wijze op de hoogte is gebracht van het onverzekerd zijn van het voertuig. De Afdeling is van oordeel dat het op de weg van [appellante] lag om, zodra zij de bedoelde informatie van de RDW ontving, te bewerkstelligen dat door de politie een gestolensignaal zou worden geplaatst, zoals uiteindelijk in 2011 is gebeurd. Dat zij dit heeft nagelaten, dient voor haar rekening en risico te komen. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen bijzondere omstandigheden aan de orde zijn die de RDW ertoe hadden moeten nopen van het door hem gevoerde beleid af te wijken. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat [appellante], mocht zij alsnog nadeel ervan ondervinden dat het voertuig in de periode 5 augustus 2006 tot 7 mei 2011 op haar naam heeft gestaan, met stukken kan onderbouwen dat het voertuig toen niet in haar bezit was, en dat zij zich in voorkomend geval tot de Belastingdienst of het Openbaar Ministerie kan wenden met een verzoek tot matiging of vernietiging van de gevolgen die eventueel door de tenaamstelling in de bedoelde periode zouden zijn veroorzaakt.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014