Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201401033/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201401033/1/A1.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2013 in zaken nrs. 13/5178 en 13/5756 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2013 heeft het CBR [appellant] een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd en de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

Bij besluit van 29 augustus 2013 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 december 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. X.B. Sijmons, advocaat te Amersfoort, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw) is het een ieder verboden een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat:

a. het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, dan wel

b. het alcoholgehalte van zijn bloed bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wvw doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid is op de eerste vordering van de in artikel 159, aanhef en onder a, bedoelde personen, de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs. Ingevolge het derde lid wordt de in het tweede lid bedoelde vordering gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de geschiktheid.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, wordt bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor een of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde lid of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt.

Ingevolge het derde lid worden bij ministeriële regeling nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid.

In de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 zijn nadere regels vastgesteld ter uitvoering van de artikelen 130, eerste en derde lid en artikel 131, eerste en derde lid.

Ingevolge artikel 1 van deze regeling wordt verstaan onder:

[..];

d. ademalcoholgehalte: het ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wvw; […].

Ingevolge artikel 2, eerste lid, wordt een vermoeden, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw gebaseerd op feiten of omstandigheden, als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kunnen feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 2 blijken uit:

a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, geschiedt een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de Wvw in de volgende gevallen: (..)

j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰; (..).

Ingevolge artikel 6 schorst het CBR in de gevallen, bedoeld in artikel 5, overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de Wvw de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de Wvw.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, besluit het CBR dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw, indien bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰.

Bijlage 1, onder B, onderdeel III bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 noemt als feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen, met uitzondering van de categorie AM, dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰ (..).

Ingevolge artikel 163, eerste lid, van de Wvw kan bij de verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 de opsporingsambtenaar hem bevelen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a.

Ingevolge het tweede lid is de bestuurder aan wie het in het eerste lid bedoelde bevel is gegeven verplicht ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle door de opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Ingevolge het vierde lid kan, indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, de opsporingsambtenaar de verdachte vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b.

Ingevolge het vijfde lid kan, indien de bestuurder zijn op grond van het vierde lid gevraagde toestemming niet verleent, de officier van justitie, een hulpofficier van justitie of een van de daartoe bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, hem bevelen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek.

Ingevolge het zesde lid is de bestuurder wie is bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen verplicht aan dit bevel gevolg te geven en zijn medewerking te verlenen.

Ingevolge het tiende lid worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van dit artikel.

In het Besluit alcoholonderzoeken zijn nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van artikel 163 van de Wvw.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van dat besluit blaast de verdachte op aanwijzing van een opsporingsambtenaar, zo nodig viermaal, ononderbroken een zodanige hoeveelheid ademlucht in het ademanalyse-apparaat als voor het onderzoek nodig is. Het blazen kan worden beëindigd, zodra twee meetresultaten verkregen zijn.

Ingevolge het derde lid wordt het alcoholgehalte bepaald door toepassing van een door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde correctie op het rekenkundig gemiddelde van beide meetresultaten, met dien verstande dat het verschil tussen de meetresultaten niet groter mag zijn dan een door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde waarde.

Ingevolge artikel 9 kan, indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald.

2. Op verdenking dat [appellant] een voertuig heeft bestuurd in strijd met artikel 8 van de Wvw, is hem op grond van artikel 163, eerste en tweede lid, van de Wvw bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wvw door in een voor dat onderzoek bestemd apparaat ademlucht te blazen en gevolg te geven aan de ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

Volgens een mededeling van de regiopolitie Utrecht van 20 maart 2013, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw, is bij [appellant] op 16 maart 2013 een ademalcoholgehalte van 825 µg/l geconstateerd. Naar aanleiding van deze mededeling heeft het CBR het in bezwaar gehandhaafde besluit genomen.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het CBR het geconstateerde ademalcoholgehalte van 825 µg/l niet aan haar besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, nu het ademonderzoek onder meer niet overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van het Besluit alcoholonderzoeken is uitgevoerd. Daartoe voert hij aan dat dit ademalcoholgehalte pas is geconstateerd bij de zesde keer blazen, nadat vijf eerdere pogingen niet tot een voltooid ademonderzoek hadden geleid. [appellant] wijst er op dat hij door het Gerechtshof Arnhem bij arrest van 14 februari 2014 is vrijgesproken van overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wvw 1994, nu er geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in dat artikel.

3.1. Het bij [appellant] op 16 maart 2013 verrichte onderzoek naar het alcoholgehalte in zijn adem heeft geresulteerd in 6 afdrukken van het bij het onderzoek gebruikte ademanalyse-apparaat met de volgende gegevens:

nr. 2057: één meetresultaat van 1035 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie";

nr. 2058: één meetresultaat van 1066 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie";

nr. 2059: geen meetresultaten en ademonderzoekresultaat "alcohol in omgeving";

nr. 2060: geen meetresultaten en ademonderzoekresultaat "kalgas- verschil";

nr. 2061: één meetresultaat van 978 µg/l en ademonderzoekresultaat "interferentie";

Nr 2062: twee meetresultaten , 985 µg/l en 970 µg/l, en ademonderzoekresultaat 825 µg/l.

3.2. Vast staat dat het eerste en tweede ademonderzoek met de nummers 2057 en 2058 beide slechts één meetresultaat hebben opgeleverd. Deze ademonderzoeken voldoen daarmee niet aan artikel 8, tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken, waarin is bepaald dat twee meetresultaten zijn vereist. Ingevolge artikel 9 van het Besluit alcoholonderzoeken kan het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald. Het onderzoek dat is verricht na het eerste en tweede ademonderzoek en waarbij een ademalcoholgehalte van 825 µg/l is geconstateerd is daarmee derhalve niet in overeenstemming. Gelet hierop kon het CBR dit onderzoeksresultaat niet aan het in het besluit op bezwaar gehandhaafde besluit van 4 april 2013 ten grondslag leggen.

3.3. De stelling van het CBR dat voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid en de schorsing van de geldigheid van het rijbewijs als hier aan de orde niet is vereist dat de in het Besluit alcoholonderzoeken neergelegde procedure volledig wordt nageleefd, nu deze maatregelen zijn gebaseerd op een vermoeden dat [appellant] niet geschikt is om te rijden, wordt niet gevolgd. Dat vermoeden ziet volgens de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 en Bijlage I op de ongeschiktheid om te rijden, als een bepaald ademalcoholgehalte is geconstateerd en niet op de procedure voor het vaststellen van het ademalcoholgehalte. Onder verwijzing naar de uitspraak van 1 april 2014, in zaak nrs. 201400191/1/A1 en 201400191/2/A1 overweegt de Afdeling voorts dat de wet geen grondslag biedt voor het oordeel dat de in het Besluit alcoholonderzoeken met waarborgen omklede procedure niet, of niet volledig in de onderhavige bestuursrechtelijke procedure hoeft te worden nageleefd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 1, onder d, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 onder ademalcoholgehalte dient te worden verstaan het ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a van de Wvw.

Dat [appellant], als gesteld door het CBR, niet heeft gekozen voor de hem nadrukkelijk voorgehouden optie van een bloedonderzoek, maakt voorts niet dat het CBR aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 4 april 2013 het geconstateerde ademalcoholgehalte van 825 µg/l ten grondslag mocht leggen. De uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2007, in zaak nr. 200605966/1, waarnaar het CBR in dit verband heeft verwezen, ziet niet op een situatie als de onderhavige, waarin geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wvw. In deze situatie dient de in artikel 163 van de Wvw neergelegde procedure van het bloedonderzoek te worden gevolgd, hetgeen niet is gebeurd. De voorzieningenrechter heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren, het besluit van 29 augustus 2013 vernietigen en, zelf voorziend, het besluit van 4 april 2013 herroepen.

De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

5. Het CBR zal op na te vermelden wijze tot vergoeding in de kosten worden veroordeeld die bij [appellant] in verband met de behandeling van zijn beroep en hoger beroep zijn opgekomen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2013 in zaken nrs. 13/5178 en 13/5756;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het CBR van 29 augustus 2013,

kenmerk 2013005630/LJ;

V. herroept het besluit van het CBR van 4 april 2013,

kenmerk 2013005630;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 augustus 2013, kenmerk 2013005630/LJ;

VII. veroordeelt het CBR tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.990,22 (zegge: negentienhonderdnegentig euro en tweeëntwintig cent), waarvan € 1.948,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het CBR aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 399,00 (zegge: driehonderdnegenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Driel

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

407-757.