Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3948

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201400350/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:9240, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het dagelijks bestuur de maximum snelheid op de Abram van Rijckevorselweg te Rotterdam verlaagd van 70 km per uur tot 50 km per uur en bepaald dat alle voorgaande besluiten met betrekking tot de maximum snelheid op de Abram Rijckevorselweg komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201400350/1/A1.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013 in zaak nr. 13/3034 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2012 heeft het dagelijks bestuur de maximum snelheid op de Abram van Rijckevorselweg te Rotterdam verlaagd van 70 km per uur tot 50 km per uur en bepaald dat alle voorgaande besluiten met betrekking tot de maximum snelheid op de Abram Rijckevorselweg komen te vervallen.

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2014, waar [appellant], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. M. Auw Yang Rolle, werkzaam bij de deelgemeente zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college hem terecht niet als belanghebbende bij het besluit van 11 april 2012 heeft aangemerkt.

Hij voert daartoe aan dat hij in de buurt van de Abram Rijckevorselweg woont en regelmatig gebruik maakt van de rijbaan en het fietspad. Verder voert hij aan dat door het verlagen van de maximum snelheid de luchtkwaliteit ter plaatse zal verslechteren.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 mei 2014 in zaak nr. 201306649/1 is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende om bezwaar te kunnen maken door de wetgever een begrenzing beoogd van de mogelijkheden om tegen een besluit rechtsmiddelen aan te wenden. Bij verkeersbesluiten dient te worden onderzocht of de belangen van de bezwaarmaker daarbij rechtstreeks zijn betrokken. Zoals de Afdeling in deze uitspraak voorts heeft overwogen is een persoon slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit, indien hij een bijzonder, individueel belang bij dat besluit heeft, dat zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.

1.2. [appellant] woont op ongeveer 500 m afstand van de Abram Rijckevorselweg. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat deze omstandigheid en de door [appellant] aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij regelmatig gebruik maakt van de rijbaan en het fietspad van de Abram Rijckevorselweg en hij vreest dat door het verlagen van de maximum snelheid de luchtkwaliteit ter plaatse zal verslechteren, geen omstandigheden zijn die maken dat [appellant] zich in voldoende mate onderscheidt van andere weggebruikers en bewoners om hem in zijn bezwaar tegen het besluit van 11 april 2012 te kunnen ontvangen. Dat [appellant] ter zitting heeft gesteld dat hij zijn woonwijk alleen kan verlaten door gebruik te maken van de Abram Rijckevorselweg, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat hij zijn woonwijk ook kan verlaten via de nabijgelegen Maasboulevard.

De rechtbank heeft daarom met juistheid geoordeeld dat het college het bezwaarschrift van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Dit betekent dat het college niet heeft hoeven in te gaan op de door [appellant] gestelde formele gebreken van het besluit van 28 maart 2013.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

543.