Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3946

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201400115/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 herzien naar nihil en het reeds ontvangen bedrag teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400115/1/A2.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 november 2013 in zaak nr. 13/1545 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] toegekende voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 herzien naar nihil en het reeds ontvangen bedrag teruggevorderd.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 maart 2013 vernietigd, het besluit van 19 oktober 2011 herroepen voor zover het de periode van 1 januari tot en met 15 augustus 2010 betreft en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van een behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: Wkkp), zoals deze luidde ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir), met uitzondering van artikel 5, van toepassing.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, heeft een ouder aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk, indien het betreft kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum.

Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar;

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Ingevolge artikel 1.52, eerste lid, geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. Tussen partijen is in hoger beroep nog slechts in geschil of [appellante] over de periode van 16 augustus 2010 tot en met 31 december 2010 aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag. In de periode van 16 augustus 2010 tot en met 31 oktober 2010 maakte zij gebruik van de diensten van kindercentrum De Wijsneusjes en in de periode van 1 november 2010 tot en met 31 december 2010 van die van Daddy Daycare.

3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen - met betrekking tot de periode van 16 augustus 2010 tot en met 31 oktober 2010 - dat degene die kinderopvangtoeslag wil ontvangen gegevens dient aan te leveren over het aantal uren en het soort kinderopvang, alsmede over de prijs die daarvoor is betaald, en - met betrekking tot de periode van 1 november 2010 tot en met 31 december 2010 - dat degene die stelt recht te hebben op kinderopvangtoeslag dat aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder aannemelijk moet maken.

Onder verwijzing naar haar vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201306413/1/A2) overweegt de Afdeling dat uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 1.7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wkkp, volgt dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt, moet kunnen aantonen dat hij kosten van kinderopvang heeft gehad en wat de hoogte ervan is.

Volgens evenzeer vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 2 april 2014 in zaak nr. 201306180/1/A2) bestaat geen recht op kinderopvangtoeslag dan wel een voorschot daarop indien een overeenkomst, als bedoeld in artikel 1.52, eerste lid, van de Wkkp, die de basis moet vormen voor de kinderopvang, ontbreekt. Met de overeenkomst dient inzicht te worden gegeven in de met het kindercentrum of gastouderbureau gemaakte afspraken over kinderopvang. Dit betekent, mede gelet op artikel 18, eerste lid, van de Awir, dat degene die stelt recht te hebben op kinderopvangtoeslag dan wel een voorschot daarop dat aan de hand van een rechtsgeldige schriftelijke overeenkomst met het kindercentrum of gastouderbureau moet aantonen.

In de enkele stelling van [appellante] dat de genoemde bepalingen in algemene bewoordingen zijn gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding om van haar vaste rechtspraak af te wijken. In deze zaak is niet aan de bedoelde eisen voldaan.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

18-729.