Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201311692/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311692/1/V6.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2013 in zaak nr. 13/675 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 november 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 september 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt een verzoek om naturalisatie afgewezen, indien op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) wordt een verzoek om naturalisatie wegens gevaar voor de openbare orde afgewezen, indien in de periode van vier jaar direct voorafgaande aan het verzoek of de beslissing daarop (de zogenoemde rehabilitatieperiode) een sanctie ter zake van een misdrijf is opgelegd of ten uitvoer is gelegd. Iedere vermogenssanctie van € 453,78 of meer leidt tot afwijzing van het verzoek.

Voorts is het volgens de Handleiding in zeer bijzondere gevallen mogelijk dat een verzoek dat op grond van bovenstaande regels moet worden afgewezen, toch moet worden ingewilligd. Voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid is het van het grootste belang dat niet snel van het beleid wordt afgeweken en moet zeer grote terughoudendheid worden betracht, aldus de Handleiding. Bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens tot de conclusie leiden dat de verzoeker geen gevaar vormt voor de openbare orde. Indien er wel sprake is van ernstige vermoedens dat de verzoeker een gevaar voor de openbare orde vormt, mag hij volgens de Handleiding niet worden genaturaliseerd.

3. Niet is in geschil dat de politierechter te Rotterdam op 6 maart 2009 [appellant] heeft veroordeeld tot, voor zover thans van belang, het betalen van een geldboete van € 600,00 en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, wegens overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in verbinding met artikel 8, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze overtreding wordt gekwalificeerd als misdrijf. [appellant] heeft de geldboete op 23 juni 2009 betaald.

4. De staatssecretaris heeft het verzoek van [appellant] afgewezen omdat ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zich geen zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat aan [appellant], in afwijking van het geldende beleid, het Nederlanderschap moet worden verleend.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij slechts is veroordeeld tot een geldboete van € 600,00 en dat de rehabilitatieperiode bijna is verstreken. Voorts is hij volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving en ondervindt hij door het niet beschikken over een Nederlands paspoort hinder bij zijn werkzaamheden binnen de logistieke sector. Deze omstandigheden kunnen, in hun onderlinge samenhang bezien, als bijzonder worden aangemerkt, aldus [appellant].

5.1. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden dat hem slechts een geldboete van € 600,00 is opgelegd, dat de rehabilitatieperiode bijna is verstreken en dat hij volledig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, niet kunnen worden aangemerkt als zodanig bijzonder dat de staatssecretaris, in afwijking van het door hem gevoerde beleid, tot de conclusie had moeten komen dat geen sprake was van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN bedoelde situatie, reeds omdat zodanige omstandigheden in het beleid zijn meegewogen. De eventuele hinder die [appellant] ondervindt als gevolg van het feit dat hij niet over een Nederlands paspoort beschikt staat los van de beoordeling van de vraag of [appellant] een gevaar voor de openbare orde vormt en kan er derhalve niet toe leiden dat [appellant] met voorbijgaan aan de dwingende weigeringsgrond bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN voor naturalisatie in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Groeneweg

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

32-800.