Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3932

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201309255/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd ontheffing te verlenen van het in artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) vervatte verbod op nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied voor een bouwblok van 2,5 ha voor een verplaatsing van een intensieve veehouderij naar het landbouwontwikkelingsgebied De Oorsprong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309255/1/R3.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2011 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) geweigerd ontheffing te verlenen van het in artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011) vervatte verbod op nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied voor een bouwblok van 2,5 ha voor een verplaatsing van een intensieve veehouderij naar het landbouwontwikkelingsgebied De Oorsprong.

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college de door het college van burgemeester en wethouders van Boxtel en [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2013, in zaak nr. 201204216/1/R3, heeft de Afdeling onder meer het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college onder meer het bezwaar van [appellant] gegrond verklaard en ontheffing verleend ten behoeve van de vaststelling van een bestemmingsplan voor de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij met een bouwblok van 2,5 ha in het landbouwontwikkelingsgebied De Oorsprong.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door E.A.L.J.C. van Lieshout, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij voormelde uitspraak van 24 april 2013 heeft de Afdeling overwogen dat de ontheffing in strijd met artikel 9.5, vierde lid, onder a, van de Verordening 2011 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geweigerd en is het college opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat het college moest beslissen op basis van de algemene regels zoals die golden ten tijde van het bestreden besluit, omdat inmiddels de Verordening ruimte 2012 in werking was getreden en [appellant], nu het besluit van 13 maart 2012 werd vernietigd, daarvan niet de dupe behoorde te worden.

2. Bij besluit van 27 augustus 2013 heeft het college naar aanleiding van voormelde uitspraak van 24 april 2013 alsnog ontheffing verleend van voormeld verbod uit de Verordening 2011 ten behoeve van de vaststelling van een bestemmingsplan voor de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij met een bouwblok van maximaal 2,5 ha in het landbouwontwikkelingsgebied De Oorsprong. Aan de ontheffing heeft het college blijkens het bestreden besluit voor de zekerheid onder meer het voorschrift verbonden dat in het kader van het op te stellen bestemmingsplan een verantwoording wordt opgenomen met betrekking tot te nemen maatregelen om te voldoen aan de normen voor voor- en achtergrondbelasting en daarmee aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, omdat volgens het college de verantwoording met betrekking tot de voor- en achtergrondbelasting nog niet volledig in beeld was gebracht.

3. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte aan de ontheffing voormeld voorschrift heeft verbonden. Door dit voorschrift heeft de ontheffing te gelden als een al dan niet gehele weigering om ontheffing te verlenen, zodat hiertegen zelfstandig beroep open staat. [appellant] voert aan dat het college niet heeft voldaan aan voormelde uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013. Er worden immers strengere eisen gesteld dan in de Verordening 2011, terwijl de Afdeling heeft overwogen dat het college een nieuw besluit op bezwaar moest nemen op basis van de algemene regels uit de Verordening 2011.

4. Ingevolge artikel 9.5, eerste lid, onder c, van de Verordening 2011 kan het college van gedeputeerde staten, mits de daartoe strekkende aanvraag voor een ontheffing voor 1 januari 2011 is ingediend, in het geval van een verplaatsing van een intensieve veehouderij ontheffing verlenen van artikel 9.3, eerste lid, onder d, en artikel 9.4, eerste lid, onder a en d, voor een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een landbouwontwikkelingsgebied.

Ingevolge artikel 13.4, eerste lid, kan het college van gedeputeerde staten een ontheffing onder beperkingen verlenen en aan een ontheffing voorschriften verbinden voor zover dat nodig is met het oog op het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd.

5. De Afdeling ziet zich geplaatst voor de vraag of het beroep tegen het besluit waarbij naar aanleiding van voormelde uitspraak van 24 april 2013 alsnog ontheffing op grond van de Verordening 2011 is verleend met voormeld voorschrift ontvankelijk is.

Daarbij is van belang dat de Afdeling in onder meer haar uitspraak van 6 juni 2012, in zaak nr. 201110671/1/R1, heeft overwogen dat tegen een besluit tot het verlenen van een ontheffing met het oog op een doelmatige rechtsgang eerst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend bij het besluit waarop het betrekking heeft en dat bezwaren tegen een ontheffing ten behoeve van de vaststelling van een bestemmingsplan ten volle aan de orde kunnen worden gesteld bij het besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Dit betekent dat bij een verleende ontheffing, anders dan bij een weigering om ontheffing te verlenen, geen zelfstandige rechtsgang open staat, maar sprake is van geconcentreerde rechtsbescherming bij het besluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan, waarvoor ontheffing is verleend. Dit systeem van geconcentreerde rechtsbescherming bij een verleende ontheffing is overigens bij wet van 21 juni 2012 tot wijziging van de Wet ruimtelijke ordening en enige andere wetten (voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels) (Stb. 2012, 306) wettelijk vastgelegd. De artikelen 4.1a en 8.3, vierde lid, van de Wro, zoals die gelden sinds 1 oktober 2012, zijn echter in dit geval, gelet op de bijzondere aard van de tijdelijke overgangsregeling voor lopende zaken uit de Verordening 2011, waarvoor ontheffing kon worden verleend, niet van toepassing.

Indien aan een ontheffing ten behoeve van de vaststelling van een bestemmingsplan door het college een voorschrift wordt verbonden kan naar het oordeel van de Afdeling in uitzonderlijke gevallen sprake zijn van een situatie die is gelijk te stellen met een weigering van de ontheffing, zodat hiertegen wel zelfstandig beroep kan worden ingesteld. Dit doet zich echter slechts voor indien aannemelijk is dat uit een dergelijk voorschrift volgt dat de raad met inachtneming hiervan geen plan kan vaststellen zonder in strijd te handelen met een goede ruimtelijke ordening of het recht.

6. Het bestreden voorschrift strekt er toe dat bij de vaststelling van het plan wordt voorzien in een verantwoording met welke maatregelen aan de geurnormen voor voorgrondbelasting uit de gemeentelijke geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij zal worden voldaan. Nu de normen uit deze geurverordening bij de vaststelling van het bestemmingsplan reeds moeten worden betrokken in het kader van een goede ruimtelijk ordening als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), is de Afdeling van oordeel dat dit in zoverre zinledige voorschrift dan ook geen beletsel is voor de raad om in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening en het recht een plan vast te stellen.

Verder strekt het voorschrift er toe dat er bij de vaststelling van het bestemmingsplan een verantwoording moet worden opgenomen over de maatregelen die worden genomen om aan normen voor de achtergrondbelasting te voldoen. De Wet geurhinder en veehouderij, noch de gemeentelijke geurverordening kennen normen met betrekking tot achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting ziet op de gecumuleerde geurbelasting van veehouderijen in de omgeving van één of meer geurgevoelige objecten en dient in het kader van het vereiste van een goede ruimtelijke ordening een rol te spelen bij het beoordelen van de vraag of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het voorschrift kan dan ook niet anders worden begrepen dan dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording moet worden opgenomen over de gevolgen van de nieuwvestiging van de intensieve veehouderij voor het woon- en leefklimaat en dat hierbij de achtergrondbelasting moet worden betrokken. Deze verantwoordingsplicht volgt ook reeds uit artikel 3.1 van de Wro, nu het vereiste van een goede ruimtelijke ordening met zich brengt dat de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat aanvaardbaar dienen te zijn.

Gelet op het voorgaande acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het bestreden voorschrift tot gevolg heeft dat de raad met inachtneming hiervan geen plan kan vaststellen zonder in strijd te handelen met een goede ruimtelijke ordening of het recht. Daarbij wijst de Afdeling er op dat het aan de raad is om de ontheffing met het bij behorende voorschrift te vertalen in een plan op een wijze die niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of het recht en dat het college op grond van artikel 3.8, zesde lid, van de Wro kan toezien op de wijze waarop door de raad van de ontheffing gebruik wordt gemaakt. Derhalve bestaat er in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot het verlenen van de ontheffing in verband met het daaraan verbonden bestreden voorschrift is gelijk te stellen met een weigering om ontheffing te verlenen, zodat hiertegen geen zelfstandig beroep mogelijk is.

Dit betekent dat deze ontheffing en het daarbij behorende voorschrift door belanghebbenden pas aan de orde kan worden gesteld bij het besluit omtrent vaststelling van het plan, waarvoor ontheffing is verleend.

7. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Kegge

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

459.