Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:393

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
201300607/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2012:6741, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2008 heeft het college aan [appellanten] ontheffing verleend om met het woonschip ‘de Flierefluiter’ ligplaats te nemen aan de [locatie] te Nieuwersluis en bepaalde afmeer- en oevervoorzieningen te realiseren. Het college heeft evenwel geweigerd ontheffing te verlenen ten behoeve van een schuur en twee terrassen aan weerszijden van het woonschip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201300607/1/A3.

Datum uitspraak: 12 februari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Nieuwersluis, gemeente Stichtse Vecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 november 2012 in zaak nr. 12/1677 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2008 heeft het college aan [appellanten] ontheffing verleend om met het woonschip ‘de Flierefluiter’ ligplaats te nemen aan de [locatie] te Nieuwersluis en bepaalde afmeer- en oevervoorzieningen te realiseren. Het college heeft evenwel geweigerd ontheffing te verlenen ten behoeve van een schuur en twee terrassen aan weerszijden van het woonschip.

Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft het college het besluit van 10 december 2008 ingetrokken, behoudens voor zover het de weigering ontheffing te verlenen ten behoeve van de terrassen betreft.

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft het college het door [appellanten] tegen het besluit van 10 december 2008, voor zover gehandhaafd, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2014, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. H.S. Heite, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening bescherming natuur en landschap (hierna: Vnl) is de Vnl van toepassing op het gedeelte van het grondgebied van de in de provincie Utrecht gelegen gemeenten dat zich bevindt buiten de grenzen van de bebouwde kom, zoals deze ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de Wegenwet door gedeputeerde staten zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 7h, eerste lid, is het de zakelijk gerechtigde tot en de bezitter, houder of gebruiker van een vaartuig of ander voorwerp, niet zijnde een woonschip, verboden dat vaartuig of voorwerp ligplaats te laten nemen, te ankeren of te meren, of anderszins in een water te plaatsen op andere plaatsen dan aangegeven met een van de verkeerstekens E.5 tot en met E.7.1 van bijlage 7 bij het Binnenvaartpolitiereglement.

Ingevolge artikel 8 kan het college ontheffing verlenen van de in de Vnl gestelde verboden.

Met ingang van 26 maart 2011 is de Vnl ingetrokken en is de Landschapsverordening Provincie Utrecht 2011 (hierna: Lsv) in werking getreden.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, is de Lsv van toepassing op het gebied dat zich bevindt buiten de grenzen van de bebouwde kom, zoals deze ingevolge het bepaalde in artikel 27 van de Wegenwet door het college is vastgesteld.

Ingevolge artikel 20 is het verboden havens of aanlegplaatsen en daarmee verband houdende voorzieningen, zoals steigers, meerpalen en vlonders te maken of te hebben.

Ingevolge artikel 21, derde lid, geldt het in artikel 20 bedoelde verbod niet voor één aanlegsteiger per erf, mits deze voldoet aan de voorschriften die door de water- of vaarwegbeheerder zijn voorgeschreven bij algemeen verbindend voorschrift.

Ingevolge artikel 35, derde lid, wordt een aanvraag om ontheffing ingediend krachtens de Vnl verder behandeld met toepassing van de Lsv, tenzij de bepalingen in de Vnl gunstiger zijn voor de afhandeling van de aanvraag.

2. Het college heeft de aanvraag om ontheffing ten behoeve van de twee terrassen aan weerszijden van het woonschip van [appellanten] getoetst aan de bepalingen van de Vnl, omdat deze gunstiger voor de afhandeling van de aanvraag zijn dan de Lsv. Volgens het college tasten de terrassen evenwel de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving aan. Om die reden heeft het de ontheffing geweigerd.

3. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college dit in redelijkheid heeft kunnen doen. In dit verband voeren zij in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende gemotiveerd heeft waarom de terrassen een onaanvaardbare aantasting vormen van de landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving. Volgens hen worden deze waarden al aangetast door beplanting, het Amsterdam-Rijnkanaal en de dubbele spoorlijn Amsterdam/Utrecht. Het door het college gewenste vrije doorzicht kan al niet meer worden gerealiseerd. In de tweede plaats betogen [appellanten] dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bestemmingsplan "Nieuwersluis" dat door de raad van de gemeente Stichtse Vecht is vastgesteld. In dat bestemmingsplan vallen de terrassen volgens hen onder het overgangsrecht. Daarnaast wijzen zij erop dat de terrassen in dat bestemmingsplan niet in een waardevolle zichtlijn liggen. Als het college het in zoverre niet eens was met het bestemmingsplan, dan had het daartegen in rechte op moeten komen. In de derde plaats betogen [appellanten] dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hun beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Zij stellen gerechtvaardigde verwachtingen te kunnen ontlenen aan het feit dat nu al tien jaar niet handhavend is opgetreden tegen de aanwezigheid van de terrassen.

3.1. De aanvraag om ontheffing ten behoeve van de twee terrassen van [appellanten] dateert van 12 juni 2008. Op dat moment gold de Vnl nog. Krachtens de Vnl was het mogelijk om voor beide terrassen, uitgevoerd als twee steigers, een ontheffing te verlenen. De Lsv biedt die mogelijkheid gelet op de artikelen 20 en 21, eerste lid, niet langer. In zoverre is de Vnl gunstiger voor de behandeling van de aanvraag en heeft het college, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in dit geval terecht de Vnl toegepast.

3.2. Bij de totstandkoming van het besluit omtrent het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 8 van de Vnl komt het college beleidsvrijheid toe. Het besluit en de daaraan ten grondslag liggende belangenafweging dient de rechter terughoudend te toetsen.

3.3. Het woonschip van [appellanten] ligt in het Vechtgebied. Dit gebied wordt in de op Rijksniveau vastgestelde "Nota Belvedère" en "Nota Ruimte" en het provinciale Streekplan 2005-2015 (thans: Structuurvisie) aangeduid als een gebied met belangrijke natuurwetenschappelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht streeft het er, met het oog op bescherming van deze waarden, naar om de ruimte tussen de woonschepen zoveel mogelijk vrij te houden. De aanwezigheid van terrassen in die ruimte verdraagt zich niet met dit streven. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college aldus voldoende heeft gemotiveerd waarom de terrassen een onaanvaardbare aantasting vormen van de in het gebied aanwezige waarden.

3.4. De aanvraag van [appellanten] om ontheffing ten behoeve van de terrassen is getoetst aan de provinciale Vnl. Voor toetsing aan een door de raad van de gemeente Stichtse Vecht vastgesteld bestemmingsplan, dat een toetsingskader voor ruimtelijke instrumenten op gemeentelijk niveau biedt, was geen plaats.

3.5. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201106121/1/A1), nodig dat een aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezegging is gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens een te honoreren verwachting kan worden ontleend. Een dergelijke toezegging is niet gedaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, kan uit het enkele verstrijken van de tijd geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat het college een ontheffing ten behoeve van de terrassen zal verlenen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

3.6. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college, het vorenstaande in aanmerking genomen, in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van bescherming van de waarden in de omgeving van het woonschip dan aan het belang van [appellanten] bij behoud van hun terrassen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014

589.