Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:3929

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
201304240/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1162

Uitspraak

201304240/1/R1.

Datum uitspraak: 5 november 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Denekamp, gemeente Dinkelland,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EMTÉ Supermarkten B.V., gevestigd te Veghel, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [PLUS], gevestigd te Denekamp, (hierna: EMTÉ en PLUS),

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], EMTÉ en PLUS, de raad en [belanghebbende] (hierna: de projectontwikkelaar) hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 25 maart 2014 heeft de raad het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" (hierna: het wijzigingsbesluit) gewijzigd en opnieuw vastgesteld.

[appellant sub 1], EMTÉ en PLUS, en de projectontwikkelaar hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, ir. J.F.C. Kupers, werkzaam bij adviesbureau Kupers en Niggebrugge, en M. Froeling, EMTÉ en PLUS, vertegenwoordigd door mr. A.H.E. van de Klift, advocaat te Nijmegen, ir. J.H. Bakhuizen, [gemachtigde], F.W.M. Punte en A.J. van Duren, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.Y. Rutjes, drs. L.B.H. Ottenhof, beiden werkzaam bij de gemeente, en ing. R. Herik, werkzaam bij Akoestisch buro Tideman, zijn verschenen. Voorts is de projectontwikkelaar, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. Pinners, advocaat te Zwolle, [directeur], in zijn hoedanigheid als directeur, en C. Oude Mulders, als partij gehoord.

Krachtens artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van de afloop van de beroepstermijn van het wijzigingsbesluit.

[appellant sub 1] heeft na het onderzoek ter zitting vanwege het wijzigingsbesluit een nader stuk ingediend. De raad heeft hier desgevraagd bij brief van 5 juni 2014 op gereageerd. Ook de projectontwikkelaar heeft gereageerd op het nadere stuk van [appellant sub 1].

Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

De bestemmingsplannen

2. Het bestemmingsplan Eurowerft-Noord dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld voorziet in een planologisch-juridisch kader voor de sloop van bestaande bebouwing en de ontwikkeling van een nieuw winkelcomplex, waaronder een supermarkt met parkeerdek en een hellingbaan. Het plangebied ligt in het centrum van Denekamp aan de Nordhornsestraat op de hoek van de Eurowerft.

2.1. Met het wijzigingsbesluit heeft de raad beoogd om een aantal ondergeschikte wijzigingen door te voeren en gedeeltelijk tegemoet te komen aan een aantal bezwaren tegen het bestemmingsplan Eurowerft-Noord dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld. Zo is het toegestane bruto vloeroppervlak van de supermarkt verkleind tot maximaal 1.620 m² en is tevens voorzien in extra geluidwerende maatregelen ten behoeve van de woning op het perceel [locatie 1] vanwege het voorziene parkeerdek en de voorziene hellingbaan. De Afdeling merkt het wijzigingsbesluit aan als besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Vast staat dat [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS belang hebben bij de beoordeling van het wijzigingsbesluit. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede gericht tegen het wijzigingsbesluit.

Intrekking

3. Ter zitting hebben EMTÉ en PLUS de beroepsgrond met betrekking tot de vestiging van een supermarkt naast een vuurwerkopslag, alsmede de beroepsgronden wat betreft de parkeerbehoefte, de verkeersveiligheid en de verkeersafwikkeling als gevolg van de voorziene supermarkt, ingetrokken.

4. Ter zitting heeft [appellant sub 1] de beroepsgrond dat de bestreden besluiten zijn vastgesteld in strijd met het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het Activiteitenbesluit milieubeheer betrekking heeft op de opslag van vuurwerk, ingetrokken.

Het wijzigingsbesluit

Procedurele aspecten

5. De raad en de projectontwikkelaar betogen dat de bezwaren die [appellant sub 1] na het onderzoek ter zitting heeft aangevoerd buiten beschouwing moeten worden gelaten voor zover deze bezwaren eerder in de procedure hadden kunnen worden aangevoerd. Zij achten het na de zitting indienen van een nader stuk door [appellant sub 1] in strijd met een goede procesorde.

5.1. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Centrum" met de aanduidingen "supermarkt" en "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. [appellant sub 1] vreest als gevolg van dit plandeel een aantasting van het woon- en leefklimaat op zijn [percelen 1]. Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht. In dit verband overweegt de Afdeling voorts dat het onderzoek vanwege het wijzigingsbesluit niet na afloop van de zitting is gesloten, maar pas na afloop van de beroepstermijn van het wijzigingsbesluit en na ontvangst van de ingevolge artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb vereiste toestemming van partijen voor het achterwege laten van een nadere zitting. Reeds hierom bestond voor [appellant sub 1] na het onderzoek ter zitting nog de gelegenheid om nadere stukken in te dienen. Het verweer van de raad faalt.

6. De raad betoogt dat de bezwaren van EMTÉ en PLUS tegen het wijzigingsbesluit die betrekking hebben op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), buiten beschouwing moeten worden gelaten. Hiertoe voert de raad aan dat EMTÉ en PLUS in hun beroepschrift in het kader van de behoefte aan een supermarkt spreken over artikel 1.3.6 van het Bro en niet over artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

6.1. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit het beroepschrift van EMTÉ en PLUS worden afgeleid dat de verwijzing daarin naar artikel 1.3.6 van het Bro een kennelijke verschrijving betreft, zodat aanleiding bestaat om overeenkomstig artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden van EMTÉ en PLUS in zoverre aan te vullen. Daarnaast wordt artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in de nadere stukken van EMTÉ en PLUS alsnog aangehaald. Gezien het voorgaande kan het verweer van de raad niet slagen.

Supermarkt

7. De beroepen van EMTÉ en PLUS en [appellant sub 1] zijn onder meer gericht tegen het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "supermarkt".

8. EMTÉ en PLUS betogen dat ten onrechte wordt voorzien in een supermarkt, omdat geen marktruimte bestaat voor een vierde supermarkt in Denekamp. Zij voeren hiertoe aan dat in Denekamp reeds veel winkelruimte leegstaat en dat de voorziene ontwikkeling leidt tot nog meer leegstand en achteruitgang van het ondernemersklimaat in Denekamp. Volgens hen is voorts ten onrechte niet getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

8.3. Aan de [percelen 2] is de bestemming "Centrum" toegekend. Voorts is aan de [percelen 2] gedeeltelijk een bouwvlak toegekend met aan de zuidwestzijde gedeeltelijk de aanduiding "maximale bouwhoogte 10,5 m". Aan het noordoostelijke en middengedeelte van het bouwvlak is tevens de aanduiding "supermarkt" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de als "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen;

b. maatschappelijke voorzieningen;

c. detailhandel;

d. een supermarkt met een maximale bruto vloeroppervlakte van 1.620 m2 , uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "supermarkt";

e. kantoren;

f. bedrijven, die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2;

met daaraan ondergeschikt:

g. wegen en paden;

[…]

l. parkeervoorzieningen;

[…]

8.4. Aan de gronden waaraan thans de aanduiding "supermarkt" is toegekend, waren in het bestemmingsplan "Denekamp Kern", dat is vastgesteld door de raad op 9 oktober 2012 en dat ter plaatse gold voorafgaand aan het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" gedeeltelijk de bestemming "Bedrijf" en gedeeltelijk de bestemming "Centrum" toegekend. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, aanhef en onder a, onder 2, van de planregels van het bestemmingsplan "Denekamp Kern" was op de gronden met de bestemming "Centrum" alleen een supermarkt toegestaan ter plaatse van de aanduiding "supermarkt". Deze aanduiding was echter niet toegekend aan de [percelen 2]. Uit het deskundigenbericht volgt verder dat de bebouwing op de gronden waaraan thans de aanduiding "supermarkt" is toegekend, inmiddels is gesloopt. Gezien het voorgaande betogen EMTÉ en PLUS terecht dat met het wijzigingsbesluit wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, in samenhang bezien met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Dat het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld ter plaatse reeds in een supermarkt voorzag, maakt dit niet anders. De supermarkt was ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsbesluit immers nog niet opgericht op grond van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld en bovendien is dat bestemmingsplan niet onherroepelijk.

8.5. Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is blijkens de geschiedenis van totstandkoming van deze bepaling (nota van toelichting, blz. 34 en 49; Stb. 2012, 388) beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

8.6. In de plantoelichting wordt in verband met de voorziene supermarkt niet ingegaan op het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. EMTÉ en PLUS betogen dan ook terecht dat het wijzigingsbesluit in zoverre in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Het betoog slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden die EMTÉ en PLUS en [appellant sub 1] tegen het wijzigingsbesluit hebben aangevoerd met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "supermarkt" geen bespreking meer.

Hellingbaan en parkeerdek

9. EMTÉ en PLUS betogen dat het akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het wijzigingsbesluit ondeugdelijk is, zodat niet inzichtelijk is of als gevolg van de voorziene hellingbaan een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

9.1. Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

9.2. De bezwaren van EMTÉ en PLUS tegen het plandeel met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" zien uitsluitend op de belangen bij een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat voor direct omwonenden. Het beroep van EMTÉ en PLUS is echter gericht op het gevrijwaard blijven van meer concurrentie op de percelen [locatie 2] en [locatie 3] die ongeveer 370 m onderscheidenlijk ongeveer 580 m van de voorziene supermarkt zijn verwijderd. Niet is gebleken dat EMTÉ en PLUS worden getroffen in een ander belang dan hun concurrentiebelang. Wat verder ook zij van de belangen van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening, de in geding zijnde norm heeft niet de strekking de concurrentiebelangen van EMTÉ en PLUS te beschermen. Het voorgaande leidt ertoe dat de Afdeling deze beroepsgrond van EMTÉ en PLUS buiten beschouwing zal laten.

10. [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene hellingbaan en het voorziene parkeerdek leiden tot een onevenredige aantasting van het akoestisch woon-en leefklimaat bij de woning op zijn perceel [locatie 1]. In dit verband voert hij aan dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan de voorziene ontwikkeling, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek industrielawaai, Eurowerft-Noord Denekamp, gemeente Dinkelland" van 11 januari 2013 van SAB (hierna: het akoestisch rapport)", ondeugdelijk is. Onder verwijzing naar de verschillende akoestische nota's en rapporten die in het kader van deze procedure in opdracht van [appellant sub 1] door Kupers & Niggebrugge B.V. zijn opgesteld voert [appellant sub 1] onder meer aan dat onvoldoende rekening is gehouden met niet inpandige laad- en losactiviteiten van de voorziene supermarkt.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bij de woning op het perceel [locatie 1] een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat is gewaarborgd.

10.2. Op het dak van de voorziene bebouwing is een parkeerdek voorzien dat door middel van een hellingbaan wordt ontsloten op de Nordhornsestraat. Ten behoeve van deze hellingbaan is aan de [percelen 3] gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten het voorziene bouwvlak de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels wordt een reguliere omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwen van gebouwen, slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat:

a. de eerste 1,5 m van de geluidsschermen van de hellingbaan, gemeten vanaf de Nordhornsestraat, worden gerealiseerd in doorzichtige bouwmaterialen;

b. het deel van de borstwering hoger dan 1 m boven de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte, wordt uitgevoerd in licht doorlatende, niet-doorzichtige bouwmaterialen;

[…]

d. ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" een hellingbaan ten behoeve van de toegang tot het parkeerdek voor auto's wordt gerealiseerd, inclusief bouwdelen aan weerszijden van de hellingbaan ter afscheiding van de hellingbaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van deze bouwdelen ter plaatse van de blauwe lijn, zoals weergegeven op bijlage 2 van de planregels, 1 m meer bedraagt dan het wegvlak van de hellingbaan en de bouwhoogte ter plaatse van de rode lijn, zoals weergegeven op bijlage 2 van de planregels, 2 m meer bedraagt dan het wegvlak van de hellingbaan.

Ingevolge lid 3.2.3 gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" aangegeven hoogte bedragen;

b. in afwijking van het gestelde onder a mag de toegestane maximale bouwhoogte met 2,5 m worden verhoogd voor een maximaal bebouwingsoppervlak van 95 m2 ten behoeve van de realisatie van ondergeschikte bouwdelen;

c. op het dak van het gebouw is een borstwering toegestaan, met dien verstande dat de bouwhoogte van de borstwering ten hoogste de ter plaatse geldende maximale bouwhoogte bedraagt, vermeerderd met 2 m.

Ingevolge lid 3.2.4 gelden in afwijking van het bepaalde in lid 3.1.2 (lees: artikel 3, lid 3.2.1,) onder b voor overkappingen en carports de volgende regels:

a. mogen zowel binnen als buiten de bouwvlakken worden gebouwd met een maximale oppervlakte van 50 m2;

b. deze niet mogen worden gebouwd op het voorerfgebied of vóór de voorgevelrooilijn;

c. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 1 m dient te bedragen.

Ingevolge lid 3.3 wordt tot een met de bestemming "Centrum" strijdig gebruik in ieder geval gerekend:

[…]

g. het gebruik van gronden en bouwwerken overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van een geluidsscherm conform bijlage 2 van de planregels, met dien verstande dat de hoogte van het geluidsscherm zoals aangegeven op de blauwe lijn op die bijlage 1 m hoger is dan het wegvlak van de hellingbaan en dat de hoogte van het geluidscherm op de rode lijn 2 m hoger is dan het wegvlak van de hellingbaan;

h. het gebruik van de hellingbaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" door publiek tussen 23:00 uur en 07:00 uur.

10.3. In paragraaf 4.2 van het akoestisch rapport staat dat de toegang tot het parkeerdek op een korte afstand van de woning op het perceel [locatie 1] is voorzien. Op de niet-dove gevel van de woning op het perceel [locatie 1] is een langtijdgemiddelde geluidbelasting berekend van 54 dB(A), zo volgt uit paragraaf 6.1 van de het akoestisch rapport.

Teneinde een langtijdgemiddelde geluidbelasting van 50 dB(A) te bereiken moet bij de woning op het perceel [locatie 1] langs de oprit een balustrade worden gerealiseerd met een hoogte van 5 m (vanaf de grond). Het is volgens het akoestisch rapport, vanwege de sterk verminderde daglichttoetreding, maar zeer de vraag of dergelijke maatregelen het woongenot bij de woning op het perceel [locatie 1] verhogen.

10.4. Uit paragraaf 5.3.2 van de plantoelichting van het wijzigingsbesluit volgt dat naar aanleiding van het deskundigenbericht een aanvullend onderzoek is verricht, waarvan de resultaten zijn vervat in de notitie "Akoestische berekening van de langtijdgemiddelde geluidsbelastingen op basis van de bronvermogens uit het StAB advies" van SAB van 20 februari 2014 (hierna: de aanvullende akoestische notitie). Uit deze notitie volgt dat wanneer in de akoestische berekeningen voor auto's die de hellingbaan oprijden wordt uitgegaan van een bronvermogen van 94 dB(A) in plaats van 89 dB(A) de langtijdgemiddelde geluidsbelasting op de aangrenzende woning op de gronden van [appellant sub 1] toeneemt tot meer dan 55 dB(A), hetgeen hoger is dan de bovengrens van 55 dB(A) uit het gemeentelijke geluidsbeleid. In dit verband zijn volgens de aanvullende akoestische notitie extra maatregelen nodig ter afscherming van het geluid, namelijk door de balustrade langs de hellingbaan te verhogen. Hierdoor daalt volgens de aanvullende akoestische notitie de geluidbelasting op de gevel van de woning op de gronden van [appellant sub 1] tot een waarde van maximaal 55 dB(A).

10.5. Uit paragraaf 3.1.1 van het akoestisch rapport volgt dat is uitgegaan van een invulling van de planologische mogelijkheden waarbij de laad- en losactiviteiten van de supermarkt in een loading dock plaatsvinden en dat deze activiteiten derhalve geen invloed hebben op de geluidsemissie van de supermarkt. Het inpandig laden en lossen wordt in de planregels binnen de bestemming "Centrum" echter niet als vereiste gesteld, zodat in het akoestisch rapport niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Uit het deskundigenbericht volgt dat het hanteren van een onjuist onderzoeksuitgangspunt ten aanzien van de laad- en losactiviteiten aanleiding kan geven tot een andere geluidbelasting bij de relevante meetpunten, waaronder de woning op het perceel [locatie 1]. Dit gebrek in het akoestische rapport is met de aanvullende akoestische notitie niet hersteld. Gelet op het voorgaande is reeds hierom niet uitgesloten dat de geluidbelasting als gevolg van het wijzigingsbesluit bij de woning op het perceel [locatie 1] in het akoestisch rapport is onderschat. [appellant sub 1] betoogt dan ook terecht dat de raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op het akoestisch rapport en de aanvullende akoestische notitie. Het betoog van [appellant sub 1] slaagt in zoverre. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden die [appellant sub 1] naar aanleiding van het voorziene parkeerdek en het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" heeft aangevoerd geen bespreking meer.

Conclusie wijzigingsbesluit

11. In hetgeen EMTÉ en PLUS hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "supermarkt" is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsbesluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. De beroepen van EMTÉ en PLUS en [appellant sub 1] tegen het wijzigingsbesluit zijn gegrond.

Nu met het plandeel met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" is beoogd een parkeerdek mogelijk te maken teneinde te voorzien in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van de voorziene functies binnen de bestemming "Centrum", waaronder de voorziene supermarkt, bestaat een onlosmakelijke samenhang tussen de plandelen voor de hellingbaan, het parkeerdek en de met de bestemming "Centrum" voorziene functies. Derhalve ziet de Afdeling aanleiding om tot vernietiging van het gehele plandeel met de bestemming "Centrum" van het wijzigingsbesluit over te gaan.

Het besluit van 19 maart 2013

12. De beroepen van EMTÉ en PLUS en [appellant sub 1] zijn tevens gericht tegen het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduiding "supermarkt" van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat is vastgesteld bij het besluit van 19 maart 2013. Het beroep van [appellant sub 1] is voorts gericht tegen het plandeel met de bestemming "Centrum" en de aanduidingen "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat is vastgesteld bij besluit van 19 maart 2013.

Procedurele aspecten

13. Voor zover de raad ook ten aanzien van het besluit van 19 maart 2013 aanvoert dat de bezwaren van EMTÉ en PLUS tegen het besluit van 19 maart 2013 die betrekking hebben op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro buiten beschouwing moeten worden gelaten, overweegt de Afdeling gezien 6.1 ook ten aanzien van het besluit van 19 maart 2013 dat het verweer van de raad in zoverre niet kan slagen.

Conclusie

14. Aan de door [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS bestreden plandelen van het besluit van 19 maart 2013 ligt - behoudens de aanvullende akoestische notitie - dezelfde motivering ten grondslag als aan het wijzigingsbesluit. Gelet hierop en op hetgeen in 8.4 tot en met 8.6 is overwogen biedt hetgeen EMTÉ en PLUS hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld wat betreft het plandeel met de aanduiding "supermarkt" in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Gelet op hetgeen in 10.5 is overwogen ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat bij besluit van 19 maart 2013 is vastgesteld wat betreft het plandeel met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - hellingbaan" in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet is genomen met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en evenmin berust op een deugdelijke motivering.

15. De beroepen van [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS zijn gegrond, zodat gelet op 11 ook het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" dat door de raad is vastgesteld op 19 maart 2013 wat betreft het plandeel met de bestemming "Centrum" dient te worden vernietigd.

Opdracht

16. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

17. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en EMTÉ en PLUS op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid EMTÉ supermarkten B.V. en [PLUS] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 25 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" gegrond;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid EMTÉ supermarkten B.V. en [PLUS] tegen het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 19 maart 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 19 maart 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Centrum";

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dinkelland van 25 maart 2014 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eurowerft-Noord" voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Centrum";

V. draagt de raad van de gemeente Dinkelland op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4011,06 (zegge: vierduizendelf euro en zes cent), waarvan € 1461,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Dinkelland tot vergoeding van bij de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid EMTÉ Supermarkten B.V. en [PLUS] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1501,20 (zegge: vijftienhonderdéén euro en twintig cent), waarvan € 1461,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Dinkelland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1] en;

- ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid EMTÉ Supermarkten B.V. en [PLUS], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

w.g. Drupsteen w.g. Van Loo

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 november 2014

418-749.